Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.1
4.1 Plan van aanpak
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS597289:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
213 van de Staten om precies te zijn: Nagareda 2003, nt. 5.
Vairo 2005, p. 2-3 en noten 5 en 10.
Vairo 2005. Voor een kritische beschouwing van de achtergronden van de wet en in het bijzonder het argument van vooringenomenheid zie Logan 2005, p. 1162-5.
Vairo 2005, Pissott Reig e.a. 2005, Logan 2005.
Hiervoor verwijs ik naar onder meer Klonoff & Bilich 2000, p. 17-40, Newberg & Conte 2004, par. 1:9 en 1:10, Hensler e.a. 2000, p. 10-5 met vele verdere verwijzingen.
Het werk van Yeazell 1987 wordt als baanbrekend aangemerkt, omdat het de tot op dat moment geldende theorie over de historische achtergrond van het class action-mechanisme ter discussie stelde. Over het werk van Yeazell zie Klonoff & Bilich 2000, p. 18-24 en Hensler e.a. 2000, p. 10. Frenk 1994, p. 199-202 bespreekt vooral de `Equity Rule' die pas in de achttiende eeuw een rol ging spelen. Over de Equity Rule (48 uit 1842): Klonoff & Bilich 2000, p. 24-7, Hensler e.a. 2000, p. 10-1.
Voor een bespreking van een aantal significante amenderingspogingen en de houding van de Association of Trial Lawyers of America ten aanzien daarvan, zie Newberg & Conte 2004, p. ixxxviii. Ook Hensler e.a. 2000, p. 25-31 bespreekt de verschillende wijzigingsvoorstellen door de jaren heen en hun achtergrond.
Op een enkele uitzondering na, zoals Rule 23 (f) bijvoorbeeld die later is ingevoerd en over hoger beroep gaat: Klonoff & Bilich 2000, p. 34-5.
Op de volgende sites is meer informatie over de desbetreffende wijzigingen te vinden: <http://www.mondaq.com/article.asp?articleid=24967&print=1>. <http://www.omm.com/webdata/content/publications/client_alert_class_action_2002_09_25.htm>.
Over de onderlinge verhouding en de overgangsproblematiek zie Vairo 2005, p. 6-9.
Zie ook de twaalf `recurring questions and concerns' die Klonoff & Bilich 2000, p. 5-8 formuleren. Deze heb ik als uitgangspunt en inspiratiebron gebruikt. Alle wetenschappelijke publicaties over class actions, zelfs die over heel technische aspecten gaan, kunnen naar de kern genomen, worden ondergebracht in één van de twaalf vragen of de vier door mij onderscheiden overkoepelende thema's.
Aldus ook één van meest markante (Harvard) 'class action law professors' David Rosenberg: Rosenberg 2002, p. 833 (noot 6), Shapiro, p. 914 (noot 2, waar hij een literatuursuggestie doet), merkte dat reeds in 1998 op. Ook Gilles 2005, p. 373-4, noten 2-10 bevat een relevant literatuuroverzicht.
Gilles 2005, p. 378: 'In the end, I do not think the real story of the contemporary class action is adequately told by the doctrinalists, the law and economics scholars or — certainly — by the moralists. I think an accurate appreciation of the present and future of class action litigation requires a heavy dollop of legal realism.' Deze twee zinnen vatten samen het bestaan van honderduizenden, zo niet miljoenen pagina's aan literatuur over het instrument. Binnen de stromingen zijn weer verschillende `scholen' te onderscheiden. In 4.2.2 wordt een relevant onderscheid behandeld.
Gilles 2005, p. 378: `One needs to appreciate the evolutionary arms race (curs. intz) that is afoot between entrenched corporate interests and entrepreneurial plaintiffs' lawyers'. Ook een perspectief van de veranderlijke aard van class action en het daaraan verbonden concept van de 'private attomey general' vindt men bij Tzankova 2005, p. 76-8.
In dit hoofdstuk staat de aanpak van massaschade naar Amerikaans recht centraal. Strikt gezien bestaat de 'Amerikaanse-aanpak' niet. Er zijn de wettelijke regimes van de verschillende staten en het federale regime. Hier wordt onder de 'Amerikaanse-aanpak' het federale regime verstaan, in het bijzonder de class action regeling van Rule 23 van de Federal Rules of Civil Procedure. Er zijn twee belangrijke redenen waarom ik me daartoe beperk. De eerste is dat de meeste staten over een regeling beschikken die de federale nagenoeg op alle hoofdpunten volgt1 en in dit onderzoek staan alleen de uitgangspunten en de hoofdlijnen centraal. Dat neemt niet weg dat er verschillen zijn in de manier waarop de regelingen in de verschillende staten en op federaal niveau worden toegepast: aangenomen wordt dat het procesklimaat voor class actions in de staten gunstig is voor eisers.2 Velen schrijven dat toe aan het feit dat de rechters daar, in tegenstelling tot federale rechters, gekozen en niet benoemd worden en daardoor mogelijk eerder 'a prejudicial predisposition on cases' hebben.3 Forum shopping tussen de verschillende staten en op federaal niveau wordt door sommigen dan ook als een groot probleem gezien. In 2005 is een wet aangenomen — the Class Action Fairness Act of 2005 (CAFA)4 — die onder meer beoogt dit verschijnsel aan te pakken. Deze wet breidt de jurisdictie van de federale rechter in class actions in bepaalde gevallen uit en beoogt bovendien misbruik van het instrument tegen te gaan. De toepassing en het belang van Rule 23 zal daardoor alleen maar toenemen. Dat is de tweede reden waarom deze regeling hier centraal staat.
Ik ga niet in op de historische achtergrond en de (totstandkomings)geschiedenis van Rule 23.5 Ik volsta met de mededeling dat de wortels gezocht moeten worden in middeleeuws Engeland6 en dat de tekst na een aantal revisies te hebben ondergaan, in 1966 zijn huidige vorm heeft gekregen. Rule 23 is sindsdien, ondanks vele amenderingsvoorstellen van verschillende lobbies,7 nagenoeg ongewijzigd gebleven.8 De eerste substantiële veranderingen in de regeling sinds 1966 zijn met een wetswijziging in december 2003 ingevoerd.9 Deze wijziging betreft de onderwerpen, tijdstip en inhoud van beschikkingen op certificatieverzoeken, publicatievoorschriften, goedkeuringsprocedures van collectieve schikkingen, benoeming, selectie en beloning van de class advocaat. De CAFA bevat ten aanzien van bijna al deze onderwerpen verdergaande bepalingen die de desbetreffende onderdelen van Rule 23 aanvullen.10De CAFA en de aanpassingen van de class action regeling van december 2003 komen niet afzonderlijk aan bod, maar worden geïntegreerd behandeld met de onderwerpen waar ze betrekking op hebben.
In 4.3 bespreek ik vier belangrijke doelstellingen van class action: toegang tot het recht, proceseconomie/rechtszekerheid/rechtseenheid, preventie en gedragsbeïnvloeding, en voorspelbaarheid van de procedure. In 4.4 beschrijf ik de limited fund en de damages (opt out) class action — de twee soorten die hier centraal staan — op hoofdlijnen. In de Amerikaanse rechtspraak en literatuur over class actions blijkt een aantal vragen permanent aanwezig te zijn of steeds terug te keren. Daarom kunnen zij naar mijn idee als de essentie van de class action regeling en problematiek worden gezien.11 Zij bepalen veel onderzoeks- en discussieagenda' s in Amerika en staan in de paragrafen (4.5-4.8) centraal. 4.9 is de beschouwende slotparagraaf.
Over het Amerikaanse regime is zowel in Amerika, als daarbuiten veel geschreven. De literatuur en rechtspraak daarover is overweldigend.12 Deze kan in dit hoofdstuk niet integraal worden beschreven, laat staan besproken. De uitdaging om de bestaande invalshoeken en gezichtspunten van het class action spectrum te laten zien, is reeds groot,13 evenals de opdracht om de ware voortdurend wijzigende aard van het instrument helder over het voetlicht te brengen.14 Bovendien is dit onderzoek niet zozeer beschrijvend als wel meer thematisch opgezet. Ik beperk mij als gezegd tot basisbeginselen en elementen die in het licht van de in hoofdstuk 1 gedefinieerde problematiek naar mijn idee relevant of belangwekkend zijn. Voor de lezers die geïntrigeerd worden door paragrafen uit dit hoofdstuk en meer over een bepaald (deel)onderwerp zouden willen weten, zal ik in 4.2 enige aanwijzingen geven die nuttig kunnen zijn bij het raadplegen van de buitenlandse, voornamelijk Amerikaanse, literatuur.