Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.2:6.3.4.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.4.2
6.3.4.2 Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602969:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De omschrijving van het begrip ‘verbonden persoon’ in art. 3.30a lid 9 en 10 Wet IB 2001 is ruim. Het omvat de echtgenoot, de geregistreerde partner, en de persoon met wie men ongehuwd samenwoont, en ook de minderjarige ‘eigen’ kinderen, adoptie-kinderen, erkende kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en de kinderen van de partner. Door deze ruime invulling is de bepaling naar mijn mening in overeenstemming met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid van samenlevingsvormen en gezinssituaties, en met het personen- en familierecht. Zij is hierdoor ook neutraal ten aanzien van de samenlevingsvorm.
Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, eindigt aanverwantschap op basis van art. 1:3 lid 3 BW niet bij beëindiging van het huwelijk. Hierdoor blijven de bloedverwanten van de echtgenoot van de belastingplichtige na een echtscheiding ook zijn aanverwanten, en daarom ook ‘verbonden persoon’. Hoewel dit wellicht een uitzonderlijke situatie betreft, kan hierdoor na ontbinding van het huwelijk nog steeds tot een lagere bodemwaarde worden afgeschreven, indien een onroerende zaak wordt verhuurd aan een bloedverwant van de ex-echtgenoot. Ik kan mij voorstellen dat de toepassing van de faciliteit in dit geval niet is bedoeld. Overigens zou dit kunnen worden opgelost door invoering van een bepaling analoog aan die van art. 4.2 Wet IB 2001, waarin het aanverwantschap bij wijze van fictie eindigt voor de toepassing van de aanmerkelijkbelangregeling.