Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/1.2
1.2 Twee gelijke verrekeningsgevallen met een tegengestelde uitkomst
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS609614:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 mei 1993, NJ 1994, 435, HJS (Nieuwkoop /Ontvanger). Zie over dit arrest eveneens de § 3.1 en 3.7.
Zie over het gesloten systeem van invordering onder de Iw 1845 onder meer Vetter/Wattel/Van Oers 2009, p. 5 en 6, met jurisprudentieverwijzingen in noot 16 aldaar. Onder de Iw 1990 geldt een open systeem van invordering: zie art. 3 lid 2 Iw 1990 zoals dat gold tot 1 juli 2009. Vanaf 1 juli 2009 is het open systeem neergelegd in art. 4:124 Awb: 'Het bestuursorgaan beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft.' Zie voorts J. Elbers, 'De Ontvanger en de (beperkte) reikwijdte van het open systeem van art. 4:124 Awb', WFR 2010/6859, p. 655-661.
In meer archaïsche bewoording wordt ook wel gesproken van verrekening als wijze van delging van een schuld.
Dit arrest roept nog de vraag op of deze 'vrije' verrekeningsmogelijkheid ten aanzien van fiscale schulden en vorderingen, zoals de HR die aannam onder de Iw 1845, eveneens voor de belastingplichtige gold. Deze kwestie komt in hoofdstuk 3, met name § 3.2, nader aan de orde.
Op grond van art. 2 lid 1, onderdeel a, 1w 1990 zijn rijksbelastingen: belastingen die van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven, alsmede rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in art. 7:3 van de Algemene douanewet.
De fiscale wetgeving kent nog een ander, meer specifiek verrekeningsverbod, opgenomen in art. 2 lid 5 Awr. Uit die bepaling volgt dat een voorlopige aanslag en in de belastingwet daartoe aangewezen voorheffingen niet mogen worden verrekend met een conserverende aanslag en een voorlopige conserverende aanslag niet mag worden verrekend met een (gewone) aanslag. Verder mag een voorlopige conserverende aanslag niet worden verrekend met een conserverende aanslag. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb zou deze bepaling met de invoering van de vierde tranche kunnen vervallen (Handelingen II 2006-2007, 31 124, nr. 3, p. 11). Deze mededeling berustte kennelijk op een misverstand. De fiscale verrekening is immers uitgezonderd van het verrekeningsverbod van art. 4:93 lid 1 Awb, zodat art. 2 lid 5 Awr in het systeem van de vierde tranche juist in stand zou moeten blijven. Uiteindelijk is art. 2 lid 5 Awr dan ook niet vervallen bij de invoering van de vierde tranche Awb.
Zie hierover § 2.4.2.
HR 29 oktober 2004, NJ 2005, 90, J.W. Zwemmer, JOR 2004/339, V-N 2004/63.25. Zie eveneens § 5.4.3.
Zie verder § 42.
HR 14 juli 2006, NJ 2006, 638, J.W. Zwemmer, JOR 2006/275, AJT, V-N 2006/3823, nader besproken in § 5.4.4. Daarna is door de Hoge Raad (op 27 november 2009) een arrest Ontvanger/Van Kampen Dl gewezen, waarin is bepaald dat de ontvanger de mogelijkheid heeft eigenbeslag te leggen als hij volgens de regels van art. 24 1w 1990 niet zou kunnen verrekenen. Zie verder over dit arrest § 5.4.6.
Die tegenover elkaar staande civielrechtelijke vorderingen vallen naar het lijkt ook buiten het bereik van de regeling voor de bestuursrechtelijke geldschulden uit de vierde tranche Awb, zodat het arrest Ontvanger/Van Kampen II ook na 1 juli 2009 zijn gelding behoudt, met inachtneming van de uitbreiding van art. 24 lid 1, eerste volzin, onderdeel b, 1w 1990, zoals die per 1 januari 2008 heeft plaatsgevonden. Valt een vordering van een belastingplichtige onder de omschrijving van dit onderdeel b, dan dient verrekening via art. 24 1w 1990 plaats te vinden. De vordering van de belastingplichtige op de fiscus vanwege te veel betaalde belastingen als gevolg van een vernietigde of verminderde aanslag, levert sinds 1 juli 2009 wel een bestuursrechtelijke geldschuld voor de fiscus op (art. 4:85 lid 1 Awb). Deze wordt op grond van art. 4:86 lid 1 Awb bij beschikking vastgesteld. Daarmee is deze vordering niet meer aan te merken als een civielrechtelijke vordering. Zie eveneens § 2.4.4.
Zie de § 2.2.2 en 5.4.4.
Geval 1
In de jaren tachtig van de vorige eeuw deed zich het volgende geval voor. Een zekere Goedkoop had een aanslag loonbelasting betaald, die daarna gedeeltelijk door de fiscale rechter werd vernietigd. Als gevolg daarvan had Goedkoop een bedrag van f 72.541,- onverschuldigd aan de fiscus betaald. Goedkoop cedeerde deze vordering op de fiscus uit onverschuldigde betaling op 25 juli 1986 aan Nieuwkoop. Deze cessie werd op 1 augustus 1986 aan de ontvanger bekend gemaakt. Op dat tijdstip had de ontvanger nog enkele opeisbare tegenvorderingen op Goedkoop vanwege aanslagen omzetbelasting, loonbelasting en premieheffing. Die kwamen bij elkaar uit boven het bedrag van de schuld uit onverschuldigde betaling. De ontvanger liet Nieuwkoop weten dat hij zijn schuld uit onverschuldigde betaling verrekende met de genoemde belastingvorderingen.
De Hoge Raad beoordeelde deze kwestie in 1993.1 Op dat moment gold niet meer de Iw 1845 en was de Iw 1990 ingevoerd. De Hoge Raad diende de zaak echter te beoordelen naar de situatie onder de Iw 1845. In cassatie kwam de vraag aan de orde of de ontvanger wel bevoegd was zijn uit onverschuldigde betaling voortvloeiende schuld te verrekenen met zijn (tegen)vorderingen, die een fiscale grondslag hadden en van publiekrechtelijke aard waren. Namens Nieuwkoop werd in dit verband aangevoerd dat de Iw 1845 aan een dergelijke verrekening in de weg zou staan. Deze Invorderingswet kende immers een gesloten systeem van invordering, inhoudende dat de fiscus alleen de invorderingsmaatregelen mocht hanteren die in de Iw 1845 waren geregeld.2 De Iw 1845 kende geen specifieke regeling voor verrekening.
De Hoge Raad achtte deze opvatting van Nieuwkoop onjuist. Het toepassen van verrekening door de ontvanger kan volgens de Hoge Raad niet als een buiten dat gesloten systeem vallende maatregel tot invordering van belastingen worden beschouwd, doch "veeleer" als een wijze van voldoening van een schuld.3 Met andere woorden: de Hoge Raad was van oordeel dat de door de ontvanger uitgevoerde verrekening niet als een invorderingsmaatregel kon worden aangemerkt, maar als (civielrechtelijke) wijze van betaling van een schuld door de ontvanger. De Iw 1845 was daarop niet van toepassing, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad overweegt verder dat uit de Iw 1845 noch uit enige andere wet voortvloeit dat de ontvanger de bevoegdheid zou missen zijn verplichting tot terugbetaling van een onverschuldigd voldane belasting te verrekenen met hetgeen hij in de uitvoering van zijn publiekrechtelijke taak te vorderen heft.4
Geval 2
Eind jaren negentig deed zich vrijwel eenzelfde geval voor als geval 1. Van Kampen kreeg in 1999 een vordering op de fiscus vanwege onverschuldigd betaalde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De ontvanger had bij Van Kampen een openstaande voorlopige aanslag via executie geïncasseerd. De rechter was echter van oordeel dat deze executie onrechtmatig was, omdat het dwangbevel door een niet bevoegde ambtenaar was uitgevaardigd. De ontvanger beriep zich op verrekening van deze schuld uit onverschuldigde betaling aan Van Kampen met een ten name van Van Kampen openstaande aanslag.
Dit geval diende te worden beoordeeld aan de hand van de regels van de Iw 1990, die per 1 juni 1990 de Iw 1845 had vervangen. In de Iw 1990 is een uitgebreide verrekeningsregeling opgenomen in artikel 24. In het eerste lid van artikel 24 werd tot 1 juli 2009 bepaald dat met betrekking tot rijksbelastingen5 en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is overgedragen, verrekening op de voet van afdeling 12 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BW niet mogelijk is. Dit wordt veelal aangeduid als het BW-verrekeningsverbod.6 Sinds 1 juli 2009 is het BW-verrekeningsverbod niet meer in het eerste lid van 24 Iw 1990 opgenomen, maar volgt de niet-toepasselijkheid van de verrekeningsregels van het BW op bestuursrechtelijke geldschulden zoals belastingschulden - uit artikel 4:93 lid 1 Awb.7
De Hoge Raad komt bij zijn beoordeling van dit geval in een uitgebreid gemotiveerd arrest,8 meestal aangeduid als Ontvanger/Van Kampen I, tot het oordeel dat de ontvanger niet kan verrekenen. Uit de wetsgeschiedenis bij de Iw 1990 leidt de Hoge Raad af dat in deze wet is gekozen voor een stelsel waarin verrekening slechts is toegestaan voor zover de Iw 1990 daarvoor een grondslag biedt. Er is derhalve sprake van een gesloten systeem van verrekening.9 Niet slechts de wettekst, maar ook de parlementaire geschiedenis bij artikel 24 Iw 1990 wijst er volgens de Hoge Raad op dat met betrekking tot de verrekeningsbevoegdheid van de ontvanger de civielrechtelijke verrekeningsbepalingen van artikel 6:127 e.v. BW door de bijzondere regeling van artikel 24 Iw 1990 geheel zijn terzijdegesteld. Hieraan doet volgens de Hoge Raad niet af dat de wetgever in de Iw 1990 heeft beoogd de mogelijkheden voor de ontvanger tot verrekening met betrekking tot belastingen en andere heffingen te verruimen. Aangenomen moet worden, aldus de Hoge Raad, dat de wegens het specifieke karakter van de belastingvorderingen in de wet opgenomen bijzondere verrekeningsmogelijkheid is beperkt tot die ruim omschreven groep belastingvorderingen.
In het vervolgarrest Ontvanger/Van Kampen 1110 heeft de Hoge Raad een uitzondering op de strenge regel van Ontvanger/Van Kampen I geformuleerd, door te bepalen dat de uitsluiting van het verrekeningsregime van het BW voor artikel 24 lid Iw 1990 niet van toepassing is indien het gaat om verrekening van tegenover elkaar staande civielrechtelijke vorderingen. Die vallen buiten het bereik van de Iw 1990.11 Aldus is voor deze gevallen de situatie gelijk aan die onder de Iw 1845. In die gevallen kan overigens naar het lijkt niet alleen de ontvanger tot verrekening overgaan, zoals dat uit artikel 24 Iw 1990 zou volgen, maar kan het initiatief ook van de belastingplichtige uitgaan. Dat volgt immers uit het civielrechtelijke verrekeningssysteem.12