Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.5.2.2
4.5.2.2 Eisen aan externe accountants
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten aanzien van de verbetering van de vakbekwaamheid van de accountants moet nog worden gewezen op de verscherpte regels die de Wta introduceert met betrekking tot de opleiding van accountants. Hiervoor wordt zelfs een nieuw orgaan in het leven geroepen: de Commissie eindtermen accountantsopleiding (Cea). Zie het via de Wta in de Wet registeraccountants opgenomen art. 69.
Wet van 12 juni 2008, Stb. 2008, 243.
TK 31270 nr. 15.
Voor gemeenten minder interessant, maar niettemin vermeldenswaard is de plicht voor externe accountants melding te doen bij een opsporingsambtenaar in de zin van art. 141 Wetboek van Strafvordering, wanneer hij omstandigheden ontdekt die een redelijk vermoeden van fraude rechtvaardigen (26 lid 2 en 3 Wta). Deze fraude moet wel 'van materieel belang zijn'. Art. 36 Bta verstaat onder fraude van materieel belang: 'een opzettelijk handelen of nalaten waarbij misleiding wordt gebruikt om een wederrechtelijk voordeel te behalen en waarbij de aard of de omvang zodanig is dat beslissingen die in het maatschappelijk verkeer worden genomen op grond van de financiële verantwoording van de controlecliënt zouden kunnen worden beïnvloed door die misleiding.' Het gaat, met andere woorden, om de zwaardere fraudegevallen. Het is mijns inziens daarom opvallend dat art. 26 lid 2 Wta bij algemene maatregel van bestuur te bepalen uitzonderingen op deze meldingsplicht accepteert. In het Bta is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt om de accountant de mogelijkheid te bieden de melding achterwege te laten, wanneer de betreffende cliënt onverwijld onderzoek doet naar de fraude, een plan van maatregelen opstelt om de gevolgen van de fraude zoveel mogelijk teniet te doen en dit plan naar het oordeel van de accountant in voldoende mate uitvoert binnen een door de cliënt vooraf aangegeven termijn (art. 37 Bta). Deze regeling sluit aan op de regels die de beroepsgroep voorheen stelde in de verordeningen omtrent fraudemelding. Nieuw is alleen de verplichting voor de accountant om zijn bevindingen hieromtrent schriftelijk vast te leggen. Zo kan achteraf worden gecontroleerd of hij de juiste beslissing heeft genomen (art. 37 lid 2 Bta). Zie Nota van Toelichting bij het Besluit toezicht accountantsorganisaties (Stb. 2006, 380). Waar de Wta dus aan de ene kant — mede ingegeven door grote fraudeschandalen — een uitgebreid en verstrekkend systeem van controle en toezicht op de accountants(organisaties) introduceert, verleent zij de accountant aan de andere kant de bevoegdheid zware fraudegevallen met een tik op de vingers af te doen.
TK 29658 nr. 3tw'de herdruk, p. 58.
De Wta stelt hiernaast ook eisen aan de afzonderlijke externe accountants.
Art. 25 Wta eist dat de externe accountant voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels terzake van zijn vakbekwaamheid, objectiviteit en integriteit. De uitwerking van deze ambitieuze bepaling in art. 35 Bta is minder groots en meeslepend. Het Besluit toezicht accountantsorganisaties verwijst op dit punt slechts naar de verordeningen en nadere voorschriften van de beroepsorganisaties: het Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA).1
Art. 25a Wta is bij een wetswijziging in 20082 — ter implementatie van een Europese richtlijn — middels het amendement-Ingang geïntroduceerd.3 Dit artikel is bedoeld om de onafhankelijkheid van de accountant te waarborgen. Volgens dit artikel moet een externe accountant maatregelen treffen om zijn onafhankelijkheid te waarborgen als hij "betrekkingen onderhoudt met een controlecliënt of een met deze controlecliënt verbonden derde op grond waarvan een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde partij zou concluderen dat die een bedreiging kunnen vormen voor de onafhankelijkheid van de externe accountant ten opzichte van die controlecliënt of derde". Blijkt het in de praktijk niet mogelijk te zijn dergelijke maatregelen te treffen, dan "accepteert de externe accountant geen betrokkenheid bij de uitvoering van de opdracht of beëindigt hij deze betrokkenheid". De praktijk zal moeten uitwijzen of dit een zinvolle toevoeging is geweest. Het artikel laat namelijk nogal wat ruimte voor interpretatie. Zo zal in de praktijk duidelijk moeten worden welke betrekkingen volgens objectieve, redelijke en geïnformeerde derden bedreigingen kunnen vormen voor de onafhankelijkheid. Bovendien is het maar de vraag welke maatregelen in dit kader passend zijn en waar precies het omslagpunt ligt voor het nog kunnen accepteren van een opdracht. Het artikel heeft vooralsnog niet tot (verduidelijkende) jurisprudentie geleid. 4
Een op het eerste gezicht nogal voor de hand liggende eis is dat de controlerend accountant een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent in de zin van de Wet op de Registeraccountants respectievelijk de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten is (art. 27Wta). Het venijn hieromtrent zit in de bepaling erna. Art. 28 Wta bepaalt dat "met het oog op de waarborging van de publieke functie van de accountantsverklaring" bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat vorengenoemde eis buiten toepassing kan worden verklaard. Deze bepaling is opgenomen om — wanneer de regering dat nodig acht — de monopoliepositie van het NIVRA en de NOvAA te kunnen breken. Volgens de Memorie van Toelichting bij het voorstel-Wta geeft art. 28 de betrokken organisaties een "additionele prikkel om kwaliteit te leveren".5 Het vertrouwen in beide organisaties druipt niet bepaald van deze bevoegdheid af.