Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.2.3
4.2.2.3 Een jurist als deskundige?
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701895:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 314. Zie ook de oudere literatuur op dit punt: Hugenholtz & Heemskerk 1988, p. 157; Jessurun d’Oliveira 1971, p. 98.
HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8398, NJ 1991/1.
HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8398, NJ 1991/1, r.o. 3.
Snijders & Wendels 2009, § 7.4.1; Asser/Vonken 10-I 2018, § 6.2.
Stuij 2021, § 6.3.3. Er dienen zich evenwel ook andere, wellicht meer voor de hand liggende, manieren aan om inzicht te krijgen in het materiële buitenlandse recht. Zie daarover Stuij 2021, § 6.3.3; Asser/Vonken 10-I 2018, nr. 405.
In het onteigeningsrecht is – wanneer benoeming van een drietal geschiedt-– de voorzitter van de deskundigencommissie een onteigeningsadvocaat/jurist. Het is in het onteigeningsrecht dus heel normaal om een jurist als deskundige te benoemen (uitgebreid § 2.2.2). De reden daarvoor is historisch verklaarbaar (zie daarover § 3.3).
Ook in het commune civiele recht is het mogelijk dat de rechter een jurist als deskundige benoemt.1 Vaak komt dat evenwel niet voor. Een zeldzaam voorbeeld is de zaak die leidde tot het arrest Staat/Stichting Natuur en Milieu c.s.2 In die zaak behoefde de rechter deskundige voorlichting over de vraag of bepaalde werkzaamheden vielen onder het begrip ‘indijkingen’ in de zin van de Wet droogmakerijen en indijkingen. De Hoge Raad oordeelde dat het de rechter vrijstaat zich omtrent zuiver juridische vragen door deskundigen te laten voorlichten.3 Een ander voorbeeld ligt in de sfeer van het internationaal privaatrecht. Het komt voor dat de Nederlandse civiele rechter krachtens het conflictenrecht gehouden is om het materiële recht van een ander land toe te passen. In tegenstelling tot sommige andere Europese landen heeft het buitenlandse recht in het Nederlandse burgerlijke procesrecht de status van ‘recht’ en niet van ‘feit’.
Dit betekent dat de rechter het buitenlandse recht ambtshalve moet toepassen (vgl. art. 10:2 BW jo. art. 25 Rv).4 Dat is vanzelfsprekend niet altijd eenvoudig. De rechter kan er in zo een geval voor kiezen om een buitenlandse jurist, of een jurist met kennis van het van toepassing zijnde buitenlandse recht, als deskundige te benoemen.5