Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.2.3.3
2.2.3.3 Duitsland: gerechtelijke erkenning van de ‘geanticipeerde overdracht’
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS478039:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
RG 29 september 1903, RGZ 55, 334.
RG 1 oktober 1907, RGZ 67, 166.
Zie voor een overzicht Nörr, Scheyhing & Pöggeler 1999, p. 109, voetnoot 7.
Von Tuhr, DJZ (1904), p. 426-427, zoals aangehaald door Nörr, Scheyhing & Pöggeler 1999, p. 110.
Eccius, Gruchot’s Beiträge (1904), p. 470, zoals aangehaald door Nörr, Scheyhing & Pöggeler 1999, p. 110: “Die Schranken meines Denkvermögens entziehen mir die Möglichkeit der Annahme einer dinglich wirkenden Verfügung über das, was nicht is. Verfügung über einen Nonsens erscheint mir als Nonsens.”
Vgl. bijvoorbeeld RG 1 oktober 1907, RGZ 67, 166; RG 19 september 1933, RGZ 142, 139; en RG 7 april 1937, RGZ 155, 26.
Staudinger/Wiegand 2011, § 930, nr. 30; Münchener Kommentar/Oechsler 2013, § 930, nr. 24; en Palandt/Bassenge 2015, § 930, nr. 10-12.
RG 24 november 1903, RGZ 56, 52: “[A]llerdings [ist] nicht ausgeschlossen, daβ der auf die Eigentumsübertragung gerichtete Akt (…) diese Wirkung (…) später hervorrief, falls der Kläger und M. daneben, ausdrücklich oder stillschweigend, vereinbart hätten, daβ von dem Augenblick des demnächst zu erwartenden Besitzerwerbs seitens des M. an dieser den Besitz als Mieter des Klägers ausüben sollte, und falls dieser Vereinbarung entsprochen ware.” Opvallend is de gelijkenis van de constructie met die in het hierna te bespreken Sio-arrest (HR 22 mei 1953, NJ 1954/189, m.nt. J. Drion). Zie nr. 25.
Zie RG 5 april 1933, RGZ 140, 231.
Zie bijv. Palandt/Bassenge 2015, § 930, nr. 10 e.v. Zie voor vorderingen ook Medicus 2015/713; en Serick 1990, p. 52-53.
Bij cessie spreekt men van een Vorausabtretung, een Abtretung künftiger Forderungen of een antizipierte Abtretung. Bij de overdracht van roerende zaken spreekt men van antizipierte Übereignung of antizipiertes Besitzkonstitut.
Staudinger/Wiegand 2015, § 1273, nr. 14; en Münchener Kommentar/Damrau 2013, § 1273, nr. 4.
17. Wat de levering of verpanding van toekomstige goederen betreft, heeft het Duitse recht een bijzonder soepele houding aangenomen. Weliswaar kende het BGB geen uitdrukkelijke bepalingen hieromtrent, maar dat gegeven heeft nooit in de weg gestaan aan erkenning van deze figuur. De mogelijkheid om over toekomstige goederen te beschikken, werd al vroeg in de twintigste eeuw erkend in de rechtspraak.
Al in 1903, drie jaar na de inwerkingtreding van het BGB, werd de cessie van toekomstige vorderingen door het Reichsgericht goedgekeurd. Het betrof een cessie van vorderingen uit een nog niet gesloten aannemingsovereenkomst. Met de erkenning van de cessie van toekomstige vorderingen continueerde het Reichsgericht, naar eigen zeggen althans, haar gemeenrechtelijke rechtspraak van vóór de invoering van het BGB. Bovendien was de mogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen een onmiskenbaar belangrijke behoefte van het handelsverkeer waaraan men niet zonder goede reden voorbij kon gaan. Tot slot kon uit de tekst van het BGB, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever de cessie van toekomstige vorderingen niet toelaatbaar had geacht.1 In een latere uitspraak werd de cessie van toekomstige vorderingen op een meer dogmatische manier onderbouwd. Volgens het Reichsgericht was het logisch goed denkbaar dat al voordat een vordering bestaat de op cessie van die vordering gerichte wilsverklaring wordt afgelegd, die ex nunc werking krijgt zodra de vordering ontstaat.2
De erkenning van de cessie van toekomstige vorderingen werd met instemming ontvangen in de literatuur.3 De benadering van het Reichsgericht zou goed aansluiten bij § 185 lid 2 BGB over de bekrachtiging of convalescentie van een beschikking over een goed door een niet-rechthebbende. Een dergelijke beschikking verkrijgt haar werking zodra de vervreemder het goed (alsnog) verkrijgt. Indien een voortijdige beschikking door een niet-gerechtigde op een later moment haar werking kan krijgen, waarom kon dat dan ook niet het geval zijn bij een beschikking over een toekomstig goed?4 Een minderheid in de literatuur meende dat een effectieve cessie van een niet-bestaande vordering ondenkbaar was. De constructie van een cessie zou – in die visie – evenmin mogelijk mogen zijn onder de (opschortende) voorwaarde van de verkrijging van de vordering.5 De lijn van het Reichsgericht omtrent de toelaatbaarheid van de cessie van toekomstige vorderingen is voortgezet door het Bundesgerichtshof.6
De cessie van toekomstige vorderingen is overigens nog enige tijd sterk beperkt door de hoge eisen die het Reichsgericht stelde aan de bepaaldheid (Bestimmtheit und Bestimmbarkeit) van de gecedeerde vordering. De cessie was namelijk onvoldoende bepaald als de omschrijving van de vordering aanleiding gaf tot ook maar de minste onduidelijkheid.7 Pas in het naoorlogse Duitse recht gaat het roer om. Het Bundesgerichtshof oordeelde in 1952 dat de jurisprudentie van het Reichsgericht te strenge eisen stelde aan de bepaalbaarheid van toekomstige vorderingen. Volgens het Bundesgerichtshof is de cessie voldoende bepaald indien aan de hand van de (generieke) aanduiding van de gecedeerde vorderingen kan worden vastgesteld of de cessie de vordering in kwestie omvat.8
Naast cessie van toekomstige vorderingen, is ook de overdracht van toekomstige roerende zaken algemeen aanvaard naar Duits recht.9 De overdracht van toekomstige zaken door middel van een geanticipeerd constitutum possessorium lijkt al vanaf de invoering van het BGB geaccepteerd en wordt sindsdien niet betwijfeld.10 Al in 1903 oordeelde het Reichsgericht over de overdracht van een aan een ander toebehorende roerende zaak door middel van een levering constituto possessorio. Het Reichsgericht oordeelde dat vervreemder en verkrijger kunnen overeenkomen dat de vervreemder, zodra hij het bezit verkrijgt, de zaak gaat houden voor de verkrijger en dit op dit latere moment leidt tot een overdracht van de zaak, mits de vervreemder werkelijk gaat houden voor de verkrijger.11
Ook andere toekomstige goederen konden zonder bezwaar bij voorbaat worden geleverd. Het Reichsgericht oordeelde bijvoorbeeld in 1933 dat de levering van een toekomstig auteursrecht mogelijk was.12
Concluderend kan worden vastgesteld dat in de literatuur en rechtspraak sinds jaar en dag algemeen wordt aangenomen dat het naar Duits recht mogelijk is om toekomstige goederen bij voorbaat te leveren.13 Men spreekt in dit geval van een geanticipeerde overdracht.14 Op gelijke voet met de levering wordt ook de verpanding van toekomstige vorderingen en toekomstige rechten algemeen erkend.15