Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.2
4.2 Inleiding
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619272:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie: P.P. de Vries, ‘Prijsbepalingsregels voor aandelen in een BV naar huidig en komend recht’, Ondernemingsrecht 2012/19 en de door hem in voetnoot 3 aangehaalde bronnen.
Zie § 26 van de departementale richtlijnen 1986 en de noot van J.M.M. Maeijer onder HR 21 januari 2005, NJ 2005/126, § 1. In de betreffende casus was deze regel in de blokkeringsregeling opgenomen, waarover meer in § 4.3.4.
Dat een waardering van een onderneming gebaseerd is op meerdere schattingen van variabelen en dat daarbij dilemma’s optreden wordt bijvoorbeeld uiteengezet in: A. Damodaran, The Dark Side of Valuation, 2nd Edition: Valuing Young, Distressed, and Complex Business, FT Press 2010, Ch. 1. Ook in de juridische literatuur is onder andere geconstateerd dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de te bepalen waarde en dat een waarderingsopdracht doorgaans niet louter een mathematische exercitie inhoudt. Zie bijv.: H.J. Portengen, ‘Naar contractsvrijheid voor de BV en haar statutaire inrichting (?!)’, in: De Vereenvoudigde BV, Preadvies van de vereeniging ‘Handelsrecht’, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 89 en 90.
Met de invoering van de Flex-BV is de wettelijke blokkeringsregeling gewijzigd waardoor uittreding van aandeelhouders eenvoudiger kan plaatsvinden en er mogelijkheden zijn om prijsbepalingsregels statutair vorm te geven.
Onder oud recht was het reeds toegestaan een statutaire bepaling tot waardevaststelling op te nemen. Deze regel diende er echter toe te leiden dat de werkelijke waarde werd geschat en mocht niet leiden tot onredelijke uitkomsten.1 Daarnaast gold één uitzondering op het verbod tot het opnemen van een statutaire prijsbepalingsregeling. Bij prioriteitsaandelen mocht in de statuten namelijk een regeling worden opgenomen dat waardering tegen nominale waarde plaatsvindt, mits op de prioriteitsaandelen jaarlijks niet meer wordt uitgekeerd dan de wettelijke rente en deze aandelen slechts voor nominale waarde delen in het overschot na vereffening.2
Als er in de statuten geen prijsbepalingsregeling is opgenomen en aandeelhouders vasthouden aan de wettelijke aanbiedingsregeling, leidt dit er nog steeds toe dat een uittredende aandeelhouder, indien hij dit verlangt, een prijs voor zijn aandelen ontvangt, gelijk aan de waarde daarvan, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen. Bij zo’n waarderingsopdracht ervaren waarderingsdeskundigen waarderingsdilemma’s.3
Medio 2013 heb ik onderzoek gedaan naar de waarderingsdilemma’s bij een waarderingsopdracht voor de blokkeringsregeling en de wijze waarop waarderingsdeskundigen met die waarderingsdilemma’s omgaan. Hiermee is beoogd inzicht te krijgen in de (financieel-economische) variabelen die voor partijen relevant (kunnen) zijn bij het opstellen van een statutaire maar ook contractuele prijsbepalingsregeling in respectievelijk de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst. Ter beantwoording van deze vragen heb ik een enquête opgesteld die aan waarderingsdeskundigen in Nederland is gestuurd.
In paragraaf 4.3 zet ik het onderzoek en de onderzoeksgroep uiteen, waarna per waarderingsdilemma een theoretische behandeling en de uitkomsten van het empirische onderzoek volgen (paragraaf 4.3.1). In paragraaf 4.4 geef ik de onderzoeksresultaten en een aantal conclusies weer. In Annex A (hoofdstuk 13.1) worden de methodologie, de samenstelling van de onderzoeksgroep en de antwoorden op de enquête weergegeven. In Annex B (hoofdstuk 13.2) is de aan de waarderingsdeskundigen verstuurde enquête integraal opgenomen en Annex C (hoofdstuk 13.3) biedt tot slot een overzicht van de totale onderzoeksgroep.