Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.2.4.b
6.3.2.4.b De redelijkheid en billijkheid
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649965:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr.āÆ7 (Nota n.a.v. het verslag), p.āÆ5.
Zie hiervoor en Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr.āÆ5 (Nota n.a.v. het verslag), p.āÆ24.
Overkleeft 2009, p.āÆ721.
Nowak 2008a, p.āÆ592. In gelijke zin Garcia Nelen 2020, p.āÆ287.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ57. Ook op eenzelfde lijn zitten Oranje 2012, p.āÆ287 en Willems 2017, p.āÆ656. Anders Timmerman 2018, p.āÆ14.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr.āÆ7 (Nota n.a.v. het verslag), p.āÆ5. De minister zegt daar: āEen aandeelhouder mag het agenderingsrecht echter niet misbruiken. Een aandeelhouder dient zich overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid te gedragen (artikel 2:8 BW). Wanneer het agenderingsverzoek in een specifiek geval in strijd zou zijn met het beginsel van redelijkheid en billijkheid, behoeft het bestuur het verzoek om een onderwerp in de agenda op te nemen, niet te honoreren.ā Zie over hoe art.āÆ2:8 lidāÆ2 BW zich in de context van het weigeren van agenderingsverzoeken precies verhoudt tot art.āÆ3:13 BW par. 6.3.2.4.c hierna.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ57. Zie ook Garcia Nelen 2020, p.āÆ287 en Assink 2018, p.āÆ190. En voorts Kamerstukken II 2009/10, 31 058, nr.āÆ22, p.āÆ21 waarin de minister zegt: āHet bestuur zal wel een agenderingsverzoek kunnen weigeren als een aandeelhouder het agenderingsrecht overduidelijk misbruikt.ā
Garcia Nelen 2020, p.āÆ287.
Peters & Eikelboom 2015, p.āÆ409; Eikelboom 2017, p.āÆ232; Garcia Nelen 2020, p.āÆ288. Zie hierover ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr.āÆ57.
Snijders 2014, p.āÆ549-551; Peters & Eikelboom 2017, p.āÆ501; Assink 2018, p.āÆ190.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr.āÆ3 (MvT), p.āÆ21 en Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr.āÆ5 (Nota n.a.v. het verslag), p.āÆ27 en p.āÆ50.
Kamerstukken II 2008/09, 31 746, nr.āÆ7 (Nota n.a.v. het verslag), p.āÆ11. Zie ook Peters & Eikelboom 2015, p.āÆ410; Willems 2017, p.āÆ656-657 en Garcia Nelen 2020, p.āÆ289. A-G Timmerman verwoordt het in punt 4.20 van de conclusie bij HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142, m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro) als volgt: āDe ondergrens is dat het onderwerp verband houdt met het functioneren van de vennootschap en de activiteiten van haar onderneming. Voor het overige moet gedachtewisseling over alle onderwerpen kunnen plaatsvinden, los van de vraag tot wiens bevoegdheid die onderwerpen behoren.ā
Vgl. t.a.v. de vereniging Kollen 2000, p.āÆ142; Rb. Zutphen (pres.) 20 juni 1990, KG 1990, 250(Sheepdog) en Rb. Utrecht (pres.) 7 september 2000, KG 2000, 196(Postagenten).
Kersten 2019, p.āÆ147-148.
Zie voor een recent betoog tot herintroductie van het zwaarwichtig belang in art.āÆ2:114a BW Raaijmakers & Sanders 2019, p.āÆ18 (en voor een recent betoog tot (her)introductie van het zwaarwichtig belang in art.āÆ2:110/111 BW Wind 2021).
Vgl. De Roo 2021, p.āÆ331.
Enigszins opmerkelijk is dat de minister als voorbeelden van onredelijke en onbillijke agenderingsverzoeken noemt (i) een verzoek tot opneming in de agenda van een onderwerp dat in geen enkele relatie staat tot de activiteiten van de vennootschap en (ii) een verzoek tot opneming in de agenda van een zodanige reeks van onderwerpen dat aannemelijk is dat de vergaderorde zal worden verstoord.1 Bij de invoering van het agenderingsrecht in 2004 werden ter verduidelijking van het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond min of meer dezelfde (soort) voorbeelden genoemd.2 Valt hieruit de conclusie te trekken dat art.āÆ2:8 BW als weigeringsgrond voor agenderingsverzoeken even restrictief moet worden uitgelegd als het zwaarwichtig belang in art.āÆ2:114a (oud) BW en art.āÆ2:224a BW? Overkleeft meent van wel.3 Nowak stelt zelfs dat weigering sinds 2010 nog moeilijker is geworden.4 Van Solinge en Nieuwe nemen eenzelfde standpunt in.5 Ter onderbouwing wijzen zij op de toelichting die de minister gaf bij de schrapping van het zwaarwichtig belang.6 Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de toetsing aan de redelijkheid en billijkheid zich beperkt tot de ondergrens daarvan; misbruik van recht.7 Ik sluit mij bij deze opvatting aan. Het zwaarwichtig belang zag, zo blijkt uit het voorgaande, slechts op uitzonderlijke gevallen, maar zelfs het handhaven van die beperkte weigeringsgrond zou volgens de minister strijd opleveren met de Aandeelhoudersrichtlijn. Hieruit volgt dat voor alle NVās, alsmede de BVās met een notering aan een gereglementeerde markt, de mogelijkheden tot weigering onder de huidige regeling nog beperkter zijn dan de uitzonderlijke gevallen onder de oude regeling.8
Voor vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt komt daar nog bovenop dat, omdat zij onder het bereik van de Aandeelhoudersrichtlijn vallen, de omvang van een nationaal corrigerend instrument, zoals art.āÆ2:8 BW, richtlijnconform, en dus zeer beperkt, moet worden uitgelegd.9 Nationale beperkingen van Europees recht kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan.10 Concreet houdt dit in dat bij de genoemde vennootschappen slechts volstrekt onredelijke agenderingsverzoeken geweigerd mogen worden. Men denke aan het verzoek tot behandeling van een onderwerp dat al op de agenda staat (of zal staan), of het verzoek dat uitsluitend ten doel heeft de vergaderorde ernstig te verstoren.11 Verder kan nog worden gedacht aan een verzoek tot behandeling van een onderwerp dat in geen enkele relatie staat tot de activiteiten van de onderneming,12 en het verzoek een onderwerp te behandelen dat onlangs reeds (op eenzelfde wijze) in een algemene vergadering aan de orde is geweest. Indien door de verzoekers geen feiten of omstandigheden worden gesteld die een nieuwe behandeling rechtvaardigen, kan het bestuur de behandeling van dat onderwerp weigeren.13 Bij NVās zonder een notering aan een gereglementeerde markt is de ruimte om op inhoudelijke gronden te weigeren, vanwege het ontbreken van de Europeesrechtelijke dimensie, mogelijk iets ruimer, maar ook weer niet zo ruim dat bij het zwaarwichtig belang kan worden aangesloten.
Het standpunt van Kersten dat invoering van de wettelijke bedenktijd tot gevolg heeft dat het bestuur van een beursgenoteerde vennootschap een in art.āÆ2:114b lidāÆ2 onder a BW genoemd agenderingsverzoek niet meer mag weigeren op grond van art.āÆ2:8 BW deel ik dus niet. Als het voorstel tot benoeming, schorsing of ontslag, of het voorstel tot wijziging van een statutaire bepaling die betrekking heeft op benoeming, schorsing of ontslag onlangs al in een algemene vergadering is behandeld, blijft weigering op grond van art.āÆ2:8 BW mogelijk. Wel deel ik de opvatting van Kersten dat als de bedenktijd eenmaal is ingeroepen, het bestuur na afloop van de bedenktijd het verzochte agendapunt niet alsnog kan weigeren op grond van art.āÆ2:8 BW.14 Door de bedenktijd in te roepen erkent het bestuur immers dat de agenderingsgerechtigde (uiteindelijk) de bevoegdheid heeft het onderwerp als stempunt te laten agenderen. Daarmee verdraagt zich niet een weigering na afloop van de bedenktijd.
Samengevat geldt naar mijn mening dat bij de BV zonder notering aan een gereglementeerde markt de toets het meest inhoudelijk is. Uit jurisprudentie (over art.āÆ2:107/217 lidāÆ2 BW en art.āÆ2:220 en 2:221 BW) blijkt immers dat een zwaarwichtig belang bijvoorbeeld ook kan zijn het niet schaden van de concurrentiepositie van de vennootschap en het voorkomen van onnodig ernstige schade aan de vennootschappelijke verhoudingen.15 Bij NVās en BVās met een notering aan een gereglementeerde markt is er nagenoeg geen inhoudelijke toets.16 Geweigerd kunnen slechts worden: (i) onderwerpen die geen enkel verband houden met de activiteiten van de vennootschap, (ii) onderwerpen die al op de agenda (zullen) staan, (iii) onderwerpen die tot doel hebben de vergaderorde ernstig te verstoren, en (iv) (onder omstandigheden) onderwerpen die onlangs reeds (op eenzelfde wijze) in de algemene vergadering zijn behandeld. Bij de NV zonder notering aan een gereglementeerde markt zit de inhoudelijke toets hier ergens tussenin.17 Omdat ook voor dit type NV het zwaarwichtig belang is geschrapt, meen ik dat als uitgangspunt geldt dat de toets meer dient aan te sluiten bij die van de NV en BV met een notering aan een gereglementeerde markt dan bij die van de BV zonder notering aan een gereglementeerde markt. Aansluiting bij het zwaarwichtig belang ligt echter weer meer voor de hand als de NV een besloten karakter heeft.