Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.3.3:10.3.3.3 Interne organisatie rechtbanken en parketten
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.3.3.3
10.3.3.3 Interne organisatie rechtbanken en parketten
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook Crijns, Leeuw & Wermink 2016(a) en (b), waarin een aanbeveling van gelijke strekking wordt gedaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot dient ook de interne organisatie van rechtbanken zodanig te zijn ingericht dat de randvoorwaarden worden geschept voor rechters om structureel te kunnen komen tot rechtmatige en niet-willekeurige voorlopige hechtenisbeslissingen ten aanzien van minderjarige verdachten. Hetzelfde geldt voor de arrondissementsparketten van het Openbaar Ministerie, daar het de officieren van justitie zijn die de beslissingen nemen over het al dan niet vorderen van voorlopige hechtenis en daarmee bepalen welke minderjarigen mogelijk het voorlopige hechtenistraject ingaan. In deze paragraaf zullen drie van deze randvoorwaarden worden uitgelicht die in de huidige praktijk bijzondere aandacht verdienen.
Allereerst moet structureel zijn gewaarborgd dat rechters en officieren die beslissingen nemen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen gedegen kennis hebben van het bijzondere karakter van het jeugdstrafrecht, de jeugdspecifieke wet- en regelgeving betreffende voorlopige hechtenis en de relevante internationale en Europese kinder- en mensenrechtenstandaarden, alsook van de beschikbare alternatieven voor voorlopige hechtenis van minderjarigen. Deze rechters en officieren zullen dan ook bekend moeten zijn met het werkveld van voorzieningen en instanties in de jeugdstrafrechtspraktijk, evenals met de mogelijkheden die het civiele jeugdbeschermingsrecht en het daaraan verbonden werkveld kunnen bieden. Deze specifieke jeugdexpertise bij rechters en officieren die moeten beslissen over de voorlopige hechtenis van minderjarigen lijkt niet bij alle rechtbanken en parketten zonder meer te zijn gegarandeerd (zie par. 7.2.1 en par. 8.2.1.1).
Een tweede randvoorwaarde is dat rechters en officieren voldoende tijd hebben om een weloverwogen beslissing over de voorlopige hechtenis van een minderjarige te kunnen nemen en deze te kunnen onderbouwen. Voor rechters betekent dit dat zij voldoende voorbereidingstijd moeten krijgen om zich te verdiepen in het dossier, dat in het zittingsrooster voldoende tijd wordt ingeruimd voor de voorgeleiding of raadkamerzitting en voor het aansluitende raadkameroverleg, alsook dat zij de tijd krijgen om de beslissing goed gemotiveerd op papier te (laten) zetten.1 Dit is in de praktijk echter, mede vanwege de behoorlijke caseload van rechters, niet bij alle rechtbanken vanzelfsprekend. Voor officieren van justitie geldt mutatis mutandis hetzelfde voor de beslissing over de vordering tot voorlopige hechtenis en de onderbouwing daarvan. In dit verband is in de praktijk vooral de structurele afwezigheid van de officier van justitie bij de voorgeleiding noemenswaardig, daar dit in de weg staat aan een mondelinge toelichting van de vordering, hetgeen door verschillende geïnterviewde rechters-commissarissen als buitengewoon problematisch wordt ervaren. Uit de interviews met officieren volgt dat vooral tijdsgebrek ten grondslag ligt aan hun afwezigheid bij de voorgeleiding. Mede gelet op de verstrekkende gevolgen van de beslissing over de inbewaringstelling voor het verdere verloop van de strafzaak van de minderjarige (zie par. 9.8), moeten arrondissementsparketten meer prioriteit geven aan de aanwezigheid van officieren bij voorgeleidingen van minderjarigen.
Een derde randvoorwaarde voor het waarborgen van een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen is dat jeugdstrafzaken zo spoedig mogelijk voor een inhoudelijke behandeling op zitting worden gebracht. Hiermee kan worden voorkomen dat de voorlopige hechtenis en/of de schorsing onder voorwaarden van een minderjarige onnodig lang voortduren en wordt tegemoet gekomen aan het pedagogische belang van een snelle reactie op delictgedrag van minderjarigen. Dit veronderstelt dat arrondissementsparketten prioriteit moeten geven aan een voortvarende procesgang in jeugdstrafzaken. Dit geldt tevens voor rechtbanken bij het inroosteren van jeugdstrafzittingen.
Het creëren en waarborgen van de drie bovengenoemde randvoorwaarden vereist mogelijk bij sommige rechtbanken en arrondissementsparketten extra capaciteit (lees: meer rechters en officieren met jeugdexpertise) en dus ook extra budget. Hiervoor zijn de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie afhankelijk van het – in de laatste jaren steeds verder inkrimpende – budget dat hen door het Rijk wordt toebedeeld. Dit doet echter niet af aan de verantwoordelijkheid van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie, alsook van de individuele rechtbanken en arrondissementsparketten om – binnen de grenzen van de beschikbare capaciteit en het budget – van een kinderrechtenconforme behandeling van jeugdstrafzaken een prioriteit te maken.