Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.1:19.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.1
19.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450447:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat de vrijheid van richting in haar toepassing – als collectief recht van een bijzondere school – kan inhouden, daarover geeft lid 6 van artikel 23 Grondwet meer duidelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling in 1916 is de slotzin van lid 6 ingevoegd:
‘Bij die regeling [de regeling betreffende de deugdelijkheidseisen geldend voor zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs, JV] wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze van leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.’1
Hieruit kunnen we opmaken dat de grondwetgever deze twee elementen als hoofdpunten zag van de vrijheid van het bijzonder onderwijs. Vervolgens duidt de terminologie ‘met name’ erop dat het hier niet gaat om een limitatieve opsomming.2 De vrijheid van het bijzonder onderwijs heeft ook betrekking op andere onderwerpen. Te denken valt aan de vrijheid om de eigen huishouding en de bijbehorende organisatie te regelen, de vrijheid om leerlingen te selecteren en de vrijheid om het beheer en het bestuur van de school naar eigen inzicht vorm te geven.3
De vrijheid van inrichting is noodzakelijk om vorm en inhoud te geven aan de richting van een bijzondere school. In die zin zou men kunnen zeggen dat het een nadere ‘uitwerking’ is van de richtingsvrijheid.4 De godsdienstige of levensbeschouwelijke identiteit van een school betreft de richting. Deze richting krijgt vorm in het onderwijs. Om godsdienstige of levensbeschouwelijke identiteit in het onderwijs te verweven zijn organisatorische maatregelen nodig. De vergelijking met de inrichtingsvrijheid van het kerkgenootschap dringt zich op. Onder de inrichtingsvrijheid van een kerkgenootschap valt ook primair de organisatie en het bestuur daarvan. Als gezegd kan ook deze vrijheid op tal van uiteenlopende onderwerpen betrekking hebben. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is op basis van de vrijheid van inrichting vrij om zelf de bestuurlijke inrichting van de rechtspersoon te bepalen. Verschil is wel dat het schoolbestuur in tegenstelling tot het ‘bestuur’ van een kerkgenootschap gebonden is aan de dwingende bepalingen van het rechtspersonenrecht (boek 2 BW).
We kunnen de inrichtingsvrijheid van scholen op een godsdienstige grondslag begrijpen als zelfregulering. Vanwege de godsdienstige achtergrond hebben deze scholen een bepaalde mate van autonomie. Net als bij het kerkgenootschap kan door de inrichtingsvrijheid van scholen op godsdienstige grondslag de betekenis van godsdienst worden ‘verdubbeld’. Bepaalde op het eerste gezicht niet religieuze organisatorische aspecten kunnen een religieus karakter krijgen. De inrichtingsvrijheid van scholen op een godsdienstige grondslag, en de daarbij behorende subjectiverende kwalificatie van wat godsdienstig is (kwalificatie op basis van het statuut) past bij een communautaristisch perspectief. In dit perspectief wordt religieuze gemeenschappen de vrijheid gegeven om zichzelf te reguleren en daarmee zichzelf te definiëren door onder andere te bepalen wat telt als religieuze uiting of gedraging.
De (in)richtingsvrijheid en daarmee de term richting is niet als zodanig opgenomen in ieder verbindende bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Bezien vanuit het EVRM is de richtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs een uitvloeisel van de combinatie van de collectieve dimensie van de godsdienstvrijheid en de onderwijsvrijheid. Zo valt onder artikel 9 EVRM de vrijheid tot het uitdragen en overdragen van de godsdienstige overtuiging in het onderwijs. Ook valt hieronder het recht tot oprichting en inrichting van religieuze scholen waarbinnen de belijdenis gestalte kan krijgen. De onderwijsvrijheid vult de godsdienstvrijheid op dit terrein aan. Zo wordt in artikel 2 van het eerste protocol van het EVRM onder andere het recht van ouders gewaarborgd op onderwijs conform de eigen godsdienstige of filosofische overtuigingen. Aan artikel 2 van het eerste protocol van het EVRM valt echter niet de plicht af te lezen dat de staat religieuze of levensbeschouwelijke scholen zou moeten financieren. Wat dit betreft is de richtingsvrijheid in de Nederlandse constitutie veel beter gewaarborgd. Met de extensieve uitwerking van de richtingsvrijheid in artikel 23 Grondwet lijkt de waarborg van dit grondrecht boven de maatstaven van de mensenrechtenverdragen zoals het EVRM uit te stijgen.5
In het navolgende bespreek ik de inrichtingsvrijheid van bijzondere scholen. In wetgeving en jurisprudentie heeft deze vrijheid eigenlijk vooral gestalte gekregen in drie verschillende uitingen of gedragingen: ten eerste in de keuze van de leermiddelen (19.2), ten tweede in de de aanstelling van onderwijzers en ten derde in de selectie van leerlingen (19.3). In de jurisprudentie worden deze uitingen of gedragingen niet expliciet gekwalificeerd. Er wordt volstaan met de kwalificatie van de grondslag (de statuten) van de bijzondere school. Als die als godsdienstig wordt gekwalificeerd dan volgt hieruit dat we ook de bovengenoemde uitingen of gedragingen als godsdienstig kunnen beschouwen of op zijn minst dat deze uitingen of gedragingen van godsdienst zijn afgeleid. Gesteld kan worden dat wanneer de rechter op basis van de statuten van een school de godsdienstige grondslag kwalificeert er sprake is van een subjectiverende kwalificatie (zelfdefinitie). Hieruit volgt dan dat de keuze van de leermiddelen, de aanstelling van de onderwijzers of de selectie van leermiddelen een religieus of een daarvan afgeleid karakter heeft. In paragraaf 19.4 ga ik in op de kwalificatie van de grondslag van de bijzondere school als godsdienstig. Paragraaf 19.5 bevat de conclusie.