De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.3:4.3 Toepassing van art. 2:357 lid 4 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.3
4.3 Toepassing van art. 2:357 lid 4 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652421:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geerts 2004, p. 323, onder verwijzing naar Handelingen II 1993/94, 65, p. 4669.
OK 13 november 2014 (r.o. 2.5), ARO 2015/36 (HEDH). Zie bijv. ook OK 8 maart 2022 (r.o. 2.6), JOR 2022/119, m.nt. P.H.M. Broere (Stichting Omroep Limburg).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2:357 BW werd geïntroduceerd met de regeling van eindvoorzieningen in het enquêterecht (par. 4.2) en voorziet in lid 4 in de beloning van bij eindvoorziening benoemde OK-functionarissen. In art. 2:349a lid 2 BW wordt art. 2:357 lid 6 BW van overeenkomstige toepassing verklaard op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen, maar art. 2:357 lid 4 BW niet.
De Ondernemingskamer kan art. 2:357 lid 4 BW echter analoog toepassen op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen. Vanwege de samenhang met art. 2:357 lid 6 BW – dat betrekking heeft op de kosten van verweer van OK-functionarissen, waarover par. 5.3.2.8 – ligt dit ook voor de hand. Ook art. 2:357 lid 2 BW kan overigens analoge toepassing vinden op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen (par. 5.3.2.10).
Geerts ziet voor een analoge toepassing van art. 2:357 BW op onmiddellijke voorzieningen ook ruimte in de parlementaire geschiedenis. Hij wijst op een passage waarin de staatssecretaris overwoog dat de wet de Ondernemingskamer voldoende ruimte biedt ten aanzien van (de beëindiging van) onmiddellijke voorzieningen ‘een verstandig beleid te voeren’. Dat verstandige beleid kan de Ondernemingskamer volgens Geerts mede op grond van art. 2:357 BW voeren.1
Uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer blijkt ook van een analoge toepassing van art. 2:357 lid 4 BW op bij onmiddellijke voorziening benoemde OK-functionarissen. In HEDH overwoog de Ondernemingskamer dat art. 2:357 lid 4 BW zich leent voor overeenkomstige toepassing op bij wijze van onmiddellijke voorziening benoemde OK-bestuurders, OK-commissarissen en OK-beheerders.2 Benoemt de Ondernemingskamer een OK-functionaris bij onmiddellijke voorziening, dan overweegt zij doorgaans dat het salaris en de kosten van deze OK-functionaris ten laste komen van de rechtspersoon en dat de rechtspersoon voor de betaling daarvan ten genoegen van de OK-functionaris zekerheid dient te stellen voor de aanvang van diens werkzaamheden. Dat art. 2:357 lid 4 BW dan analoog wordt toegepast, vermeldt de Ondernemingskamer doorgaans niet.