:
Rb. Overijssel, 15-01-2020, nr. C/08/228207 / HA ZA 19-61
ECLI:NL:RBOVE:2024:532, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
15-01-2020
- Zaaknummer
C/08/228207 / HA ZA 19-61
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2024:532, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 31‑01‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBOVE:2020:519, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 15‑01‑2020; (Tussenuitspraak)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:9059, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Vindplaatsen
Uitspraak 31‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Inmiddels staat vast dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in haar verbintenis uit hoofde van de overeenkomst tot aanneming van werk, bestaande in het vervangen van de trekstangen in de stal van eiser, dat gedaagde de schade die eiser hierdoor lijdt moet vergoeden en dat moet worden uitgegaan van 50% eigen schuld. Eiser heeft om die reden bij akte van 15 december 2021 zijn vorderingen met 50% verminderd. Bij tussenvonnis van 18 mei 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gevorderde kosten voor de vitaminepreparaten (€ 1.738,40) bij eindvonnis zullen worden toegewezen en dat de vordering ter zake van de huurkosten voor de stempels zal worden afgewezen. Wat de omzetderving in verband met de herbouw van de stal betreft hebben partijen een regeling getroffen, die inhoudt dat gedaagde eiser € 20.421,- ex (6%) BTW betaalt. Daarmee ligt ter beoordeling nog voor de vordering aangaande de kosten van (de herbouw van) de stal. De rechtbank heeft ter zake twee deskundigen benoemd.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/228207 / HA ZA 19-61
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. B. van Treijen te Lent,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 21 december 2022 en het daarin beschreven procesverloop. Het verdere procesverloop blijkt uit:
- het deskundigenbericht, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2023
- de conclusies na deskundigenbericht van partijen
- de antwoordconclusies na deskundigenbericht van partijen.
[gedaagde] heeft ter rolle van 21 december 2023 een akte genomen, die is geweigerd. Vonnis is bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Inleiding
2.1.
Inmiddels staat vast dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in haar verbintenis uit hoofde van de overeenkomst tot aanneming van werk, bestaande in het vervangen van de trekstangen in de stal van [eiser], dat [gedaagde] de schade die [eiser] hierdoor lijdt moet vergoeden en dat moet worden uitgegaan van 50% eigen schuld. [eiser] heeft om die reden bij akte van 15 december 2021 zijn vorderingen met 50% verminderd.
2.2.
Bij tussenvonnis van 18 mei 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gevorderde kosten voor de vitaminepreparaten (€ 1.738,40) bij eindvonnis zullen worden toegewezen en dat de vordering ter zake van de huurkosten voor de stempels zal worden afgewezen. Wat de omzetderving in verband met de herbouw van de stal betreft hebben partijen een regeling getroffen, die inhoudt dat [gedaagde] [eiser] € 20.421,- ex (6%) BTW betaalt. Daarmee ligt ter beoordeling nog voor de vordering aangaande de kosten van (de herbouw van) de stal. De rechtbank heeft ter zake twee deskundigen benoemd.
De schade aan de stal
2.3.
De rechtbank heeft al overwogen dat in het kader van de vaststelling van de schade van [eiser] is vereist dat de herbouwwaarde van de gehele stal van 68 meter, inclusief installaties, wordt berekend, waarbij de aansprakelijkheid van [gedaagde] beperkt zal blijven tot een totaal van afgerond 30% van de totale herbouwwaarde (zie 2.3. van het tussenvonnis van 12 oktober 2022). Verder heeft de rechtbank onder meer overwogen dat
- een deskundigenonderzoek nodig is;
- er geen aanleiding bestaat om de deskundige ook de economische waarde van de ingestorte stal te laten beoordelen;
- [eiser] geen groter schadebedrag toekomt dan het bedrag dat met herbouw van een stal met de oorspronkelijke omvang en capaciteit gepaard zou gaan;
- de mogelijkheid tot hergebruik van de fundering, putten, vloeren en inrichting van de stal in de vraagstelling aan de deskundige wordt betrokken;
- het redelijk is om ten aanzien van de installaties van de stal een correctie “nieuw voor oud” toe te passen.
2.4.
Bij vonnis van 21 december 2022 heeft de rechtbank [naam 1], verbonden aan DLV Advies, en [naam 2], werkzaam bij Sedgwick, als deskundigen benoemd en hen de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:
Kunt u inschatten wat de kosten (inclusief en exclusief btw) zouden zijn geweest voor de herbouw van eenzelfde stal van 68 meter lang, waarbij zoveel mogelijk een met de ingestorte stal gelijkwaardige stal tot stand zou worden gebracht, uitgaande van hergebruik van de fundering en putten van de oude stal? Kunt u de herbouwwaarde onderverdelen in kosten voor de casco stal enerzijds en de kosten voor de te plaatsen installaties anderzijds? Kunt u bij de beantwoording van de vragen ervan uitgaan dat de herbouw, inclusief de vergunningaanvragen, vanaf 12 november 2015 een aanvang had genomen? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag tevens betrekken of hergebruik van een (deel van) de inrichting van de ingestorte stal mogelijk was, waaronder de vloer van de stal, en, zo ja, welke invloed dit heeft op de kostenbegroting voor de herbouw?
Kunt u inschatten hoeveel tijd er redelijkerwijs gepaard zou zijn gegaan met het herbouwen van de stal, inclusief de tijd die gepaard zou zijn gegaan met eventuele vergunningaanvragen, een en ander uitgaande van een start van de werkzaamheden inclusief vergunningaanvragen vanaf 12 november 2015?
Kunt u inschatten wat de waarde was van de installaties (inclusief en exclusief btw) die werden gebruikt in de oude stal op 12 november 2015?
Wat zijn de kosten (inclusief en exclusief btw) die gepaard zijn gegaan met de thans door [gedaagde] gebouwde stal?
2.5.
De deskundigen hebben op 14 augustus 2023 hun rapport ingediend.
De deskundigen hebben op basis van de hun beschikbare informatie een elementenbegroting opgesteld met als prijspeil tweede kwartaal 2023 en de aldus vastgestelde bouwkosten naar het prijspeil van het vierde kwartaal van 2016 herrekend. Zij zijn uitgegaan van hergebruik van de fundering en putten van de oude stal. Hergebruik van een deel van de installaties lag niet voor de hand: uit de foto’s blijkt dat een groot deel van de installaties zo beschadigd was dat die niet meer gebruikt kon worden. De luchtwasser was bij de eerste instorting dermate beschadigd dat hergebruik economisch niet verantwoord was. De deskundigen achten het mogelijk dat als gevolg van de instorting van het dak scheuren aan de onderzijde van de vloerconstructie zijn ontstaan. Dat kon niet feitelijk worden vastgesteld. Bij de begroting is uitgegaan van kosten van herbouw van de betonvloer en betonroosters.
De kosten van herbouw van het casco bedragen € 167.045,- ex BTW, kosten ontwerp, leges, onderzoeken en begeleiding. De kosten van ontwerp, onderzoeken en begeleiding bedragen
€ 14.303,- ex BTW, de kosten van leges en vergunningen € 8.821,- ex BTW. De herbouw-waarde van de installaties in de hele stal worden geschat op € 126.975,- met luchtwasser en € 99.927,- zonder luchtwasser (telkens ex BTW). Uitgaande van het feit dat de luchtwasser al bij de eerste instorting beschadigd was en de tweede instorting 41/68ste deel van de stal betrof, is de herbouwwaarde van de installaties € 60.250,- ex BTW (€ 72.903,- inclusief BTW). De economische waarde van de installaties was op 12 november 2015 (de dag van instorting) € 41.797,- ex BTW.
De totale kosten van de stal die [eiser] in 2018/2019 heeft laten bouwen beliepen een bedrag van € 680.726,35 ex BTW (€ 822.709,95 inclusief BTW).
Naar aanleiding van vragen van de zijde van [eiser] hebben de deskundigen onder meer het volgende opgenomen in hun rapport.
De berekende herbouwwaarde komt voort uit de KWIN-cijfers die gebaseerd zijn op offertes en inschrijvingen van een groot aantal stallen. De data zijn door DLV aangeleverd en zijn gecorrigeerd voor de onderhavige stal. Er is niet gerekend met leefoppervlak per dier maar met het totale vloeroppervlak van de stal. De door [eiser] genoemde tabellen zijn niet van toepassing, omdat die zien op een stal met een centrale gang met afdelingen: de oude stal had geen centrale gang. De normprijs KWIN 2022 was € 643,- exclusief BTW per varkensplaats exclusief BTW en inclusief de vloeren en wanden. De normprijs KWIN2016 was € 460,- exclusief BTW per varkensplaats. De door de deskundigen berekende herbouwwaarde komt uit op € 488,- exclusief BTW per varkensplaats naar prijspeil 2016. Voor de percentages van de afschrijving en de afschrijvingstermijn van de stalinrichting verwijzen de deskundigen naar KWIN.
Naar aanleiding van vragen van de zijde van [gedaagde] hebben de deskundigen onder meer het volgende geschreven.
Onderzoek van de betonvloeren van de oude stal was niet meer mogelijk. Of de vloeren vóór de instorting(en) van het dak al scheurvorming vertoonden, is niet te beoordelen. Uitgegaan is van de normaal geldende belastingen voor de vloeren. Foto’s laten zien dat het ingestorte dak voor een deel op de hokinrichting rust, de hokinrichting steunt op de vloeren. Het is zeer goed mogelijk dat door de piekbelasting die kan zijn ontstaan scheuren in de betonroosters zijn ontstaan. Scheurvorming veroorzaakt corrosie waardoor de wapening niet voldoende sterk meer is. Zowel scheuren aan de onderzijde als aan de bovenzijde van de vloeren boven de mestkelders leiden tot afkeur. De maximale scheurwijdte mag 0,2 mm zijn. Herbouw van de stal is vergunningplichtig, er dienen daarom een bouwaanvraag en een milieuaanvraag te worden gedaan, vergezeld van bouw- en constructietekeningen. Deze uitgebreide procedure zal, inclusief eventuele verlenging en bezwaartermijn, zo’n 38 weken duren. De bouwtijd is 180 werkbare dagen.
Zowel het leidingwerk als het grootste deel van de aansturing van de installaties was aan het dak gemonteerd. De installaties in het bij de eerste instorting niet ingestorte deel van de stal waren na herstel weer bruikbaar. De exacte locaties van de verschillende onderdelen van de installaties zijn onbekend, daarom wordt uitgegaan van het totaal en daarna gedeeld door 41/68. De luchtwasser behoort tot de stal: of de kosten van de luchtwasser voor vergoeding in aanmerking komen, is niet aan de deskundigen.
standpunt [eiser] na deskundigenbericht
2.6.
Volgens [eiser] hebben de deskundigen ten onrechte de luchtwasser buiten de schadebegroting gehouden. Deze was na de eerste instorting nog intact en functionerend. De betonnen vloer van de mestkelder is buiten de herbouwbegroting gehouden, maar de beton-roosters waarop de varkens liepen zijn beschadigd geraakt en als sloopafval afgevoerd. Dit blijkt ook uit de rapporten van [naam 4] en Lenkeek en de offerte van Bouwbedrijf B&K. De herbouwkosten daarvan zijn terecht in de begroting opgenomen. De staalconstructie bestond uit een stalen dakconstructie met stalen spanten, die door de trekstangen bij elkaar werd gehouden. Het was nota bene [gedaagde] die in 2015 na de eerste instorting nog meende dat alleen de trekstangen vervangen hoefden te worden. De installaties waren in 2009 geheel vervangen en waren ten tijde van de tweede instorting niet waardeloos: de stal inclusief de installaties was immers nog gewoon in gebruik. De schade aan het casco en de installaties is € 222.544,96, waarvan [gedaagde] de helft dient te betalen. Ter zake van de bedrijfsschade dient [gedaagde] € 21.646,26 inclusief BTW te voldoen. [eiser] kon in 2015 geen BTW verrekenen, zodat de BTW schade is. [gedaagde] dient in de proceskosten en de kosten van de deskundigen te worden veroordeeld.
standpunt [gedaagde] na deskundigenbericht
2.7.
[gedaagde] meent dat de deskundigen bij de correctie van de kosten van herbouw naar het prijspeil 2016 de posten betonvloeren, gevels, staalconstructies, gordingen en isolatie ten onrechte niet ook met 33% prijsstijging hebben gecorrigeerd. De herbouwkosten zouden dan € 149.107,83 in plaats van € 167.045,- bedragen. Ten onrechte is de post betonvloeren in de begroting opgenomen. Niet is vastgesteld dat door de tweede instorting schade in de vorm van scheurvorming is ontstaan; dat die mogelijkheid bestond is onvoldoende onderbouwd. De mogelijkheid bestaat dat de betonvloeren ook voor de tweede instorting al scheurvorming vertoonde. De belastbaarheid van de oude betonvloer en de daaraan gestelde eisen zijn niet voldoende onderzocht. Daarbij komt dat in de op verzoek van [eiser] uitgebrachte offerte van Bouwbedrijf B&K uit 2016 is aangenomen dat de betonvloeren niet vervangen hoefden te worden. Gelet hierop is de veronderstelling van de deskundigen dat het zeer wel mogelijk is dat scheuren zijn ontstaan bij de tweede instorting, niet logisch en navolgbaar. Uit het rapport van [naam 3] van 13 oktober 2015 blijkt dat de staalconstructie toen al sterk door corrosie was aangetast. De staalconstructie ziet enkel op de trekstangen. Voor de kosten van vervanging ervan (€ 14.219,- ex BTW) is [gedaagde] niet aansprakelijk. Ten aanzien van de post houten schroten is de gehanteerde eenheidsprijs te hoog. Dit moet leiden tot een correctie van € 7.876,- ex BTW. Het asbesthoudende dak en de asbesthoudende schotten waren op het moment van de tweede instorting 38 jaar oud. Hier dient aftrek ‘nieuw voor oud’ plaats te vinden, wat leidt tot een correctie ad € 20.056,40 respectievelijk € 42.147,32, telkens ex BTW. De luchtwasser moet buiten de herbouwbegroting blijven, omdat die niet beschadigd is bij de tweede instorting. Tot het deskundigenbericht kwam de luchtwasser nooit in begrotingen/offertes voor. Als de luchtwasser wel onderdeel uit zou maken van de schade, moet daarop een afschrijvingspercentage van 60% worden toegepast.
Wat betreft de installaties dient niet de herbouwwaarde, maar de dagwaarde gehanteerd te worden. Hier is de vergoedingsplicht echter nihil, omdat de installaties na de eerste instorting al onbruikbaar en dus waardeloos waren. De periode van herbouw is maximaal 20 weken.
Op grond van het vorenstaande komt [gedaagde] tot een schade van totaal € 86.338,10 x 41/68 is € 52.056,80 en een vergoedingsplicht van € 26.028,40. Wordt het standpunt van [gedaagde] dat de installaties al waardeloos waren niet gevolgd, dan is de schade € 128.185,10 x 41/68 is
€ 77.288,08 en is de vergoedingsplicht € 38.644,04.
nadere overwegingen rechtbank
2.8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen terecht de kosten van herbouw van de betonvloer en betonroosters in hun begroting hebben opgenomen. Vooropgesteld wordt dat de deskundigen vóór noch nà de tweede instorting de mogelijkheid hebben gehad om de betonvloeren te bekijken. Zij hebben dus wat de staat van de betonvloer en de betonroosters betreft, zowel vóór als nà de tweede instorting, moeten afgaan op foto’s en wat naar hun deskundige mening de redelijkerwijs te verwachten impact van de instorting van de stal op de vloer en de roosters is geweest. Zij hebben in het licht van deze beperkingen voldoende onderbouwd waarom zij menen dat het zeer wel mogelijk is dat door de tweede instorting van de stal scheurvorming in de betonvloer en betonroosters is ontstaan. Deze bevindingen passen ook bij de rapportage van [naam 4] en (anders dan [gedaagde] meent) de offerte van Bouwbedrijf B&K, waarin ook rekening gehouden wordt met de kosten van herstel van de betonvloeren ([naam 4] tot een bedrag van € 42.649,52 ex BTW en Bouwbedrijf B&K tot een bedrag van € 37.730,93 ex BTW).
2.8.2.
Wat betreft de herbouw van het casco heeft de rechtbank overwogen dat uitgegaan moet worden van de herbouwwaarde en niet van de economische waarde. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat ter zake van het asbesthoudende dak en de asbesthoudende schotten een aftrek ‘nieuw voor oud’ moet plaatsvinden. [eiser] heeft voorts voldoende onderbouwd dat de staalconstructie van de stal uit meer bestond dan alleen de trekstangen. Dat de staalconstructie na de tweede instorting niet meer bruikbaar was, is niet betwist. Ook hier geldt dat, nu het gaat om het casco, geen aftrek ‘nieuw voor oud’ dient plaats te vinden. Waarom [gedaagde] ter zake niet aansprakelijk zou zijn, heeft zij niet, althans onvoldoende onderbouwd. Verder heeft [gedaagde] weliswaar gesteld dat ten aanzien van de post houten schroten een te hoge eenheidsprijs is gehanteerd, maar het feit dat ook houten schroten verkrijgbaar zijn voor een lagere prijs (waarvan niet is gesteld of gebleken dat die geschikt zijn voor een stal) wil niet zeggen dat de deskundigen een verkeerde prijs hebben gehanteerd. Ten slotte meent [gedaagde] als het om het casco gaat dat de deskundigen bij de correctie van het kosten van herbouw naar het prijspeil 2016 diverse posten ten onrechte niet ook met 33% prijsstijging hebben gecorrigeerd. Voor zover de rechtbank kan zien, is echter wel met deze prijsstijging gecorrigeerd. Gelet op de tijd die redelijkerwijs gepaard zou gaan met het herbouwen van de stal, hebben de deskundigen terecht het prijspeil van het vierde kwartaal van 2016 tot uitgangspunt genomen. Dit uitgangspunt is als zodanig door partijen ook niet bestreden.
2.8.3.
Voor zover [eiser] stelt dat in het deskundigenbericht ten onrechte de luchtwasser buiten beschouwing is gelaten en zonder wederhoor bij het definitieve rapport, in afwijking van het conceptrapport, is aangenomen dat de luchtwasser bij de eerste instorting al was beschadigd, overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten of uit de stukken al dan niet blijkt
dat de luchtwasser bij de eerste instorting beschadigd is, kan uit de stukken evenmin worden afgeleid dat de luchtwasser bij de tweede instorting beschadigd is.
De luchtwasser komt niet (voor de rechtbank zichtbaar) voor op de schadebegroting van [naam 4] of de offerte van Bouwbedrijf B&K. Het feit dat de deskundigen ten tijde van hun onderzoek kennelijk een kapotte luchtwasser hebben gezien, zegt niets over het moment waarop de beschadiging is veroorzaakt, zodat reeds om die reden de luchtwasser niet bij de schadebegroting betrokken hoefde te worden.
2.9.1.
Wat de installaties betreft verwerpt de rechtbank het standpunt van [gedaagde] dat die ten tijde van de tweede instorting al waardeloos waren. Op dat moment was het nog overeind staande deel van de stal immers nog in gebruik, inclusief de installaties. Zij hadden dus nog wel degelijk economische waarde. Bovendien waren de installaties (in 2009 aangelegd) in november 2015 nog geenszins afgeschreven.
2.9.2.
Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen, is het redelijk om met betrekking tot de installaties een correctie ‘nieuw voor oud’ toe te passen. De economische waarde van de installaties op 12 november 2015 is door de deskundigen berekend op € 41.797,- ex BTW. In dat bedrag is de economische waarde van de luchtwasser niet inbegrepen en gerekend met de gebruikelijke afschrijvingen. De rechtbank acht het, gezien de te hanteren correctie, redelijk om de schade van [eiser] wat betreft de installaties te begroten op € 41.797,- ex BTW. Dat bedrag ziet, zo begrijpt de rechtbank, op de installaties in de hele stal.
2.9.3.
Tot slot verwerpt de rechtbank het standpunt van [gedaagde] dat de kosten voor de omgevingsvergunning niet voor haar rekening en risico komen en dat voor de aanvraag van de vergunning, anders dan de deskundigen menen, maximaal 20 weken kan worden gere-kend. Voor zover [gedaagde] meent dat voor de herbouw sowieso al een omgevingsvergunning vereist was wegens de instorting van het eerste deel, kan dat geen afbreuk doen aan een deelaansprakelijkheid van [gedaagde]. Voor een omgevingsvergunning voor een gedeeltelijke herbouw zullen immers andere gegevens aan de gemeente moeten worden overgelegd dan voor een omgevingsvergunning voor de herbouw van een hele stal, zodat toerekening van 41/68ste deel van deze kosten aan [gedaagde] in de rede ligt. Voor zover [gedaagde] er verder van uitgaat dat de deskundigen een verkeerde termijn voor de omgevingsvergunning hebben gehanteerd, omdat de reguliere procedure zou kunnen worden toegepast, passeert de rechtbank dat standpunt. De deskundigen gaan uit van een uitgebreide procedure en de rechtbank ziet, aangezien de betwisting hiervan door [gedaagde] niet nader is gemotiveerd, geen aanleiding om anders aan te nemen. Hetzelfde geldt voor de termijn van 180 werkbare dagen die volgens de deskundigen voor de bouw van de stal zijn vereist.
2.10.
Het vorengaande leidt tot de volgende berekening:
- herbouw casco € 167.045 x 41/68= € 100.718,31
- economische waarde installaties € 41.797,- x 41/68= € 25.201,13
- leges, ontwerp en dergelijke € 32.123,- x 41/68= € 13.941,81
totaal € 139.861,25
Uitgaande van 50% eigen schuld van [eiser], komt voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 69.930,63. De BTW is geen schade-component, nu [eiser] weliswaar ten tijde van het schadevoorval de BTW niet kon verrekenen, maar ten tijde van de “herbouw” van de stal (na wijziging van de landbouwregeling per 1 januari 2018) wel. Bij dit bedrag moeten worden opgeteld de bedrijfsschade ad € 20.421,- en de kosten van vitamineprepara-ten ad € 1.738,40. De wettelijke rente over de eerste twee bedragen zal worden toegewezen per schadedatum, 12 november 2015, de wettelijke rente over het derde bedrag vanaf de vervaldatum van de factuur, 27 november 2015, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.
2.11.
Uitgaand van het toe te wijzen bedrag ad € 92.090,03 komt conform de staffel van het BGK de vordering van [eiser] ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 1.795,90.
2.12.
Nu [gedaagde] meende in het geheel niet aansprakelijk te zijn en in deze procedure wel aansprakelijk is geacht en tevens zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade, zal zij als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Dat betekent dat zij zal worden veroordeeld tot betaling van de kosten van [eiser], bestaande uit explootkosten ad
€ 86,62, het griffierecht ad € 1.599,- en salaris van zijn advocaat ad € 7.098,- (6 punten x tarief IV ad € 1.183,- per punt, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schade). Wat de kosten van de deskundigen ter vaststelling van de omvang van de schade betreft geldt dat, nu partijen ieder 50% van de schade moeten dragen, die kosten conform de verdeling van het voorschot elk voor de helft voor rekening van beide partijen dienen te blijven.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 92.090,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 90.351,63 vanaf 12 november 2015 en over € 1.738,40 vanaf
27 november 2015, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 1.793,90 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] begroot op € 86,62 aan explootkosten, € 1.599,- aan griffierecht ad € 7.098 aan salaris van zijn advocaat;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Thurlings-Rassa, mr. K.J. Haarhuis en mr. R. Rijnhout en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2024.
Uitspraak 15‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Nadere aanduiding van aansprakelijkheid en het leerstuk van eigen schuld bij aanneming van werk. Analoge toepassing van de rechtspraak van de Hoge Raad in het kader van de waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW op gevallen die worden bestreken door (risico)aansprakelijkheid op grond van 7:760 BW?
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/228207 / HA ZA 19-61
Vonnis van 15 januari 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. B. van Treijen te Lent,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 10 juli 2019. Het verdere procesverloop blijkt uit:
- -
de akte van [eiser] van 4 december 2019;
- -
het proces-verbaal van comparitie van 4 december 2019, met daaraan gehecht de later ingekomen schriftelijke opmerkingen van mr. B.M. Stroetinga en mr. B. van Treijen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Eén van de (varkens)stallen van [eiser] (hierna: de stal) is in september 2015 voor meer dan 1/3 deel ingestort.
2.2.
Op 13 oktober 2015 is door [A] bouwtechnisch adviesbureau met betrekking tot de stal een rapport uitgebracht met daarin de volgende conclusie:
“Ten gevolge van jarenlange condensatie met corrosie tot gevolg aan een essentieel onderdeel van de constructie, de trekstangen van de spantconstructies bij deze stal, zijn sommige diameters van deze trekstangen in de loop der tijd dermate afgenomen dat de erop komende belastingen niet meer konden worden opgenomen. Hierdoor zijn er een aantal bezweken waardoor de complete dakkonstruktie naar beneden is gevallen en de zijgevels naar buiten zijn geduwd.
Deze sluimerende condensatie vond plaats op een slecht zichtbare plaats.
Tot slot, zoals hierboven bij onderdeel 3-a punt 6 (blad 11) is aangegeven treedt bovenstaand scenario ook op in het nog overeind staande gedeelte van de stal. Het zal duidelijk zijn dat hier op korte termijn maatregelen nodig zijn om een verdere calamiteit te voorkomen. Eventueel kunnen in eerste instantie alle diameters van de trekstangen in kaart worden gebracht. Hiermee kan dan worden bepaald waar en welke tijdelijke aanvullende voorzieningen nodig zijn.”
2.3.
[gedaagde] is eind oktober 2015 door [eiser] gevraagd nieuwe trekstangen te leveren voor het resterende deel van de stal. Kort daarna is haar gevraagd deze ook te monteren.
2.4.
Nadat [gedaagde] de werkzaamheden op 12 november 2015 had aangevangen, is het nog overeind staande deel van de stal ingestort.
2.5.
Op 28 maart 2017 is door Achmea Expertise het ‘Rapport Toedrachtonderzoek’ uitgebracht, met daarin onder meer de volgende conclusie:
“Uit het technisch onderzoek blijkt, dat het instorten van de stal het gevolg is van de in zeer slechte staat verkerende constructie (trekstangen) van de draagconstructie van het dak van deze stal. Namelijk door corrosie verzwakte trekstangen en geen gevolg van een van buiten komend onheil. Het vervangen van de trekstangen door medewerkers van [gedaagde] systematisch en met zorg werd uitgevoerd. Voordien door een getuige ( [B] ) reeds was waargenomen, dat een deel van de zijgevel “bol” stond. Het dan ook zeer wel mogelijk te achten is dat op dat moment, dus voor aanvang van de werkzaamheden van [gedaagde] , reeds één of meerdere trekstangen als gevolg van voormelde corrosie bezweken was c.q. waren. Tevens bleek dat in drie trekstangen delen ontbraken. Deze met behulp van een betonschaar zijn weggeknipt. Iedere betrokkene ontkent aan deze stangen geknipt te hebben.”
2.6.
Ter zitting is door beide partijen verklaard dat het in 2.5 genoemde knippen van de trekstangen na de instorting moet hebben plaatsgevonden.
3. De vordering
3.1.
[eiser] vordert samengevat - een verklaring van recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade aan de stal. Verder vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 295.940,82 als vergoeding voor de kosten van de herbouw van de stal, alsmede tot betaling van een bedrag van € 72.400,46 als omzetderving en tot betaling van een bedrag van € 1.409,33 aan huurkosten van stempels en een bedrag van € 3.476,80 aan vitaminepreparaatkosten, een en ander telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 november 2015. Tot slot vordert [eiser] betaling van een bedrag van € 2.850,- aan buitengerechtelijke kosten alsmede de kosten ter vaststelling van de schade, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De onderbouwing van de vordering
4.1.
[eiser] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover nu van belang – het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.
4.2.
[gedaagde] heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen genomen bij het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo heeft [gedaagde] de trekstangen (twee of drie) bij het vervangen ervan niet op spanning gezet en heeft zij tijdens de werkzaamheden geen gebruik gemaakt van stempels ter ondersteuning van de dakconstructie van de stal. Na het knappen van één of meer trekstangen is de stal ingestort. [gedaagde] heeft aldus onzorgvuldig gewerkt door essentiële onderdelen van de dakconstructie te verwijderen zonder maatregelen te treffen om instorting te voorkomen. Dit geldt temeer nu [gedaagde] moet hebben gezien dat het eerste deel van de stal al was ingestort: dit had tot extra voorzichtigheid moeten leiden. Door haar wijze van handelen is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met [eiser] , althans heeft zij onrechtmatig jegens hem gehandeld.
4.3.
De herbouwwaarde van de volledige stal is volgens het rapport van Hanselman € 485.148,89. Door het onzorgvuldige handelen van [gedaagde] is 41 meter van de 68 meter lange stal ingestort. [gedaagde] moet voor dit deel de herbouwwaarde vergoeden, dat komt neer op een bedrag van 41/68 x € 485.148,89 = € 295.940,82. In de begroting zijn de putten en fundering niet opgenomen, omdat deze konden worden hergebruikt. Voor de aanwezige installatie is een afschrijving gehanteerd.
4.4.
Aan de ingestorte stal was een afdak verbonden die aan de andere zijde weer door een andere stal gedragen werd. Na de instorting heeft [eiser] stempels geplaatst om het afdak tussen de ingestorte stal en de naastgelegen stal te dragen. Die stempels werden gehuurd van B&K Bouwbedrijf BV, de kosten bedroegen € 1.409,33.
4.5.
Verder moesten de in de stal aanwezige varkens worden overgeplaatst. Om te voorkomen dat zij ziek zouden worden, moesten er vitaminepreparaten worden toegediend. De kosten hiervan bedroegen € 3.476,80.
4.6.
De bedrijfsschade wordt gebaseerd op een abstracte berekening. Deze schade wordt gebaseerd op de zogenoemde voerwinsten per jaar per varkensplaats. [eiser] rekent één maand tegen het tarief van 2015, twaalf maanden tegen het tarief van 2016 en elf maanden tegen het tarief van 2017, zodat in totaal 24 maanden bedrijfsschade is opgenomen tegen het bijbehorende jaartarief. De stal had 650 varkensplaatsen verdeeld over drie afdelingen. De varkensafdelingen hadden 217, 217 en 216 varkensplaatsen (respectievelijk tot 55 kg, tot 82 kg en tot 120 kg). Weliswaar zijn de varkens uit de stal verplaatst naar een andere stal, maar daardoor moest een bestelling biggen worden geannuleerd. De gederfde voerwinst voor alle drie de afdelingen bedraagt € 108.600,70 inclusief BTW. Van de totale derving van voerwinst voor de gehele stal is 2/3 deel toe te schrijven aan [gedaagde] , wat neerkomt op een bedrag van € 72.400,46.
4.7.
De BTW maakt onderdeel uit van de schade, omdat [eiser] deelnam aan de landbouwregeling en in het kader daarvan de BTW niet kan worden verrekend.
5. Het verweer
5.1.
[gedaagde] stelt zorgvuldig te werk te zijn gegaan en subsidiair dat sprake is van eigen schuld bij [eiser] . [gedaagde] heeft iedere vervangen trekstrang steeds direct op spanning gezet. Daarom hoefde zij ook niet te stempelen. De instorting van de stal is het gevolg van doorgeroeste trekstangen die niet aan de minimumdikte voldeden; deze konden daardoor het gewicht van de dakconstructie niet dragen. De stal stond bij aankomst al bol. [gedaagde] stelt enkel de voorste twee trekstangen te hebben ingemeten. Die waren in redelijke staat en er was geen reden voor [gedaagde] om aan te nemen dat de andere trekstangen er slechter aan toe waren. Zij is verder enkel in het nog overeind staande deel van de stal geweest en is er niet omheen gelopen. [gedaagde] wist niet dat het achterste deel van de stal was ingestort. [eiser] wist daarentegen dat de trekstangen er slecht aan toe waren en dat als gevolg daarvan een deel van de stal was ingestort, maar heeft dit niet verteld. Bovendien had [eiser] zelf een trekstang losgedraaid.
5.2.
[gedaagde] stelt verder dat er een wanverhouding bestaat tussen de herbouwwaarde en de waarde die de stal had. Daarom moet niet van de herbouwwaarde van de stal worden uitgegaan. Met betrekking tot de stalinrichting (installaties) moet rekening gehouden worden met de afschrijving (circa 1/3). Subsidiair stelt [gedaagde] dat op grond van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW) een berekening ‘nieuw voor oud’ moet plaatsvinden.
5.3.
[gedaagde] stelt verder dat er geen sprake is van bedrijfsschade, nu de varkens elders konden worden ondergebracht. Voorts vindt [gedaagde] een periode van zes maanden voor de berekening redelijk, in plaats van 24 maanden, nu de herbouw niet langer in beslag hoefde te nemen. [gedaagde] is van mening dat de door [eiser] gehanteerde abstracte berekening voor de bedrijfsschade een onvolledig beeld geeft. Hij heeft een tegenberekening ingebracht, waarin de bedrijfsschade wordt begroot op circa € 40.842,- exclusief BTW over een periode van 24 maanden.
5.4.
[gedaagde] betwist verder dat de overplaatsing van de varkens naar een andere stal tot (het risico van) ziekte heeft geleid, zodat niet is aangetoond dat de kosten van de vitmaniepreparaten in causaal verband staan met de verweten tekortkoming.
5.5.
Voorts kan er geen rekening gehouden worden met BTW. Weliswaar had [eiser] wellicht geen vrijstelling bij inkoop, maar door deelname aan de landbouwregeling kreeg hij wel weer een voordeel omdat hij geen BTW over de omzet hoefde af te dragen; daarmee moet op grond van artikel 6:100 BW rekening worden gehouden.
5.6.
Tot slot betwist [gedaagde] dat er een overkapping tussen de ingestorte stal en een andere stal aanwezig was. Zij wijst er daarbij op dat de factuur voor de huur van de stempels ziet op de periode van week 1 tot en met week 9 van 2016, terwijl de stal instortte op
12 november 2015.
5.7.
[gedaagde] wijst er op dat niet duidelijk is welk deel van de gestelde buitengerechtelijke kosten aan [gedaagde] toe te rekenen is (er is immers ook een geschil met de verzekeraar met betrekking tot de gedeeltelijke instorting van de stal in september 2015). [eiser] is voor buitengerechtelijke kosten verzekerd. [gedaagde] betwist de stelling van [eiser] dat hij gemachtigd zou zijn deze kosten voor de verzekeraar in deze procedure te vorderen.
6. De beoordeling
Tekortkoming
6.1.
Artikel 6:74 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
6.2.
Op grond van artikel 6:75 BW kan een tekortkoming aan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
6.3.
Artikel 7:750 BW bepaalt dat sprake is van aanneming van werk indien sprake is van een overeenkomst waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld.
6.4.
Artikel 7:760 lid 2 BW bepaalt, voor zover relevant, dat een ondeugdelijke uitvoering van werk die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, voor rekening van de opdrachtgever komen, voor zover de aannemer niet zijn in artikel 7:754 BW bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten. De bewijslast ten aanzien van de inachtneming van de vereiste deskundigheid en zorgvuldigheid, ligt bij de aannemer (MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23 095, nr. 3, p. 33).
6.5.
Op grond van artikel 7:754 BW is de aannemer bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt in geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.
6.6.
In de onderhavige zaak had [gedaagde] – die niet in dienstbetrekking is bij [eiser] – zich jegens [eiser] verbonden om de trekstangen in de stal voor hem tegen betaling te vervangen. Het vervangen van trekstangen is, naar zijn aard, het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, zodat naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval sprake is van aanneming van werk.
6.7.
Uit de hiervoor aangehaalde wetsartikelen, in het bijzonder artikel 7:760 lid 2 en 7:754 BW, volgt dat op de aannemer de verplichting rust om zich voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden te vergewissen van de kwaliteit van de zaken van de opdrachtgever. Ten aanzien van eventuele gebreken of ongeschiktheden die dan aan het licht komen, dient de aannemer de opdrachtgever te waarschuwen of voorzorgsmaatregelen te nemen. Het ligt daarmee dus op de weg van de aannemer om voor aanvang van een werk zich ervan te vergewissen dat dit onder de gegeven omstandigheden deugdelijk kan worden uitgevoerd (zie ook: gerechtshof Den Bosch 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2991, r.o. 3.8.1). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat slechts in uitzonderlijke gevallen, waarin bijvoorbeeld onder meer sprake is van deskundigheid van de opdrachtgever en bekendheid met gebreken, een uitzondering op de waarschuwingsplicht kan worden aangenomen (vgl. HR 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0954, r.o. 3.3). Mutatis mutandis leidt de rechtbank hieruit af dat een aannemer die tekort is geschoten in de vereiste deskundigheid en zorgvuldigheid slechts in diezelfde uitzonderlijke gevallen van zijn risicoaansprakelijkheid onder het bepaalde in artikel 7:760 BW kan worden ontslagen.
6.8.
In het onderhavige geval heeft [gedaagde] zich niet vergewist van de kwaliteit van de zaken van [eiser] . Zij stelt immers dat zij (slechts) twee trekstangen heeft gecontroleerd, die van voldoende kwaliteit waren, en dat zij ervan is uitgegaan dat de andere trekstangen (dus) ook goed waren. [gedaagde] heeft deze overige trekstangen echter niet gecontroleerd of anderszins onderzocht of de werkzaamheden zonder te stempelen of andere maatregelen te treffen konden worden uitgevoerd. Reeds daarom geldt dat [gedaagde] in het onderhavige geval tekort is geschoten in de vereiste zorgvuldigheid. Als [gedaagde] de trekstangen immers goed zou hebben gecontroleerd, dan zou zij zich hebben kunnen vergewissen van de staat van de trekstangen en zou de dan opgedane kennis in ieder geval aanleiding moeten zijn geweest om de dakconstructie bij het uitvoeren van de werkzaamheden te stutten of stempelen.
6.9.
Voor zover [gedaagde] zich in haar verweer op het standpunt stelt dat het losdraaien van een trekstang door [eiser] reeds een instortrisico met zich bracht en de instorting daarom aan [eiser] moet worden toegerekend, gaat dat verweer niet op. [gedaagde] was blijkens haar eigen verklaringen immers voorafgaand aan het uitvoeren van het werk hiermee bekend. Door hier geen rekening mee te houden bij de werkzaamheden, heeft hij ook in dit opzicht niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in haar verbintenis tot aanneming van werk, bestaande in het vervangen van de trekstangen in de stal. Voor het aannemen van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld in 6.7. is door [gedaagde] onvoldoende gesteld en bewezen. In dat kader is van belang dat niet is gebleken dat [eiser] op het moment van de opdrachtverlening aan [gedaagde] beschikte over een schriftelijke versie van het rapport van 13 oktober 2015 van [A] bouwtechnisch advies-bureau. Als aangenomen wordt dat [eiser] naar aanleiding van het onderzoek naar de oorzaak van de eerste instorting in elk geval begrepen moet hebben dat de kwaliteit van de trekstangen te wensen overliet, geldt dat die wetenschap [gedaagde] niet ontsloeg van de nakoming van haar eigen verplichting zich voor de uitvoering van de werkzaamheden te vergewissen van de staat van de stal en de trekstangen. [gedaagde] was immers de deskundige aannemer, tegenover [eiser] als niet deskundige opdrachtgever.
Eigen schuld
6.11.
Artikel 6:101 BW bepaalt, voor zover relevant, dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht in beginsel verminderd wordt door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige naar evenredigheid te verdelen.
6.12.
De Hoge Raad heeft eerder overwogen dat een beroep op artikel 6:101 BW ten aanzien van een opdrachtgever die voldoende deskundig is om de gevolgen van het opnemen van bepaalde specificaties in de opdracht te kunnen overzien, kan slagen, ondanks een schending van de waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW door de aannemer (HR 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2705, r.o. 3.4). Mutatis mutandis leidt de rechtbank hieruit af dat een beroep op artikel 6:101 BW ook kan slagen indien de opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van (gebreken in) zijn zaken voor de opdracht te kunnen overzien, ondanks dat de aannemer tekort is geschoten in de vereiste deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 7:760 BW.
6.13.
De bewijslast voor eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW ligt evenwel bij diegene die hier een beroep op doet, in dit geval [gedaagde] .
6.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld om van een voldoende deskundigheid aan de zijde van [eiser] uit te kunnen gaan. Voor zover [eiser] voorafgaand aan de opdracht al op de hoogte was van de dikte van de trekstangen en de mogelijke relevantie daarvan voor de eerste instorting, vloeit daaruit nog niet voort dat [eiser] de gevolgen die deze dikte van de trekstangen voor de uitvoering van de opdracht zou hebben, had kunnen overzien. Hetzelfde geldt ten aanzien van het (gestelde) losdraaien van de trekstang. [eiser] is immers agrariër en geen professional of deskundige op het gebied van stalconstructies en reparaties daaraan.
6.15.
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het beroep op het bepaalde in artikel 6:101 BW door [gedaagde] af.
Schade
6.16.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is [gedaagde] volledig aansprakelijk voor de schade die voortvloeit uit de instorting van het staldeel van 41 meter (tweede instorting).
6.17.
De rechtbank acht zich evenwel nog onvoldoende geïnformeerd over de verschillende schadeposten, om over de omvang van de schade een oordeel te kunnen geven.
6.18.
De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte uit te laten over de omvang van de schade. Daarvoor wordt eerst aan [eiser] de gelegenheid gegeven om, mede in het licht van het gevoerde verweer, de schadeposten nader te onderbouwen. Vervolgens krijgt [gedaagde] de gelegenheid hierop bij antwoordakte te reageren. De rechtbank verzoekt partijen zich bij hun akten tevens uit te laten over de noodzaak en wenselijkheid van een deskundigenonderzoek ten aanzien van de schade, welke vragen door een deskundige beantwoord zouden moeten worden en wie zij als deskundige benoemd zouden willen zien.
6.19.
De rechtbank is voornemens om daarna een comparitie te bevelen om de begroting van de schade met partijen te bespreken en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
6.20.
Gelet op het principiële karakter van het in dit tussenvonnis gegeven oordeel over de aansprakelijkheid betreffende de schade als gevolg van het instorten van het staldeel van 41 meter, zal de rechtbank om redenen van proceseconomische aard tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.
6.21.
Indien een partij besluit tot het instellen van hoger beroep, dient deze partij dat zo spoedig mogelijke mede te delen aan de rechtbank, zodat hiermee bij het inplannen van een comparitie rekening kan worden gehouden.
6.22.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. De beslissing
De rechtbank
7.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 februari 2020 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 6.17, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
7.2
bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,
7.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Thurlings-Rassa, mr. K.J. Haarhuis en mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2020.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑01‑2020