Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.1:4.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452779:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De ideaaltypen theocratie en het secularisme ontleen ik aan de Nederlandse literatuur: Zie Vermeulen 2007; Soeteman, Pegagogiek 2008-1; Broeksteeg 2014. Het ideaaltype ‘liberaal gezindtepluralisme’ is geïnspireerd op het model van de gezindtecultuur beschreven door Taylor 2007. Het ideaaltype communautarisme ontleen ik aan Kymlicka 2002. Het ideaaltype accommodationisme ontleen ik aan Nussbaum 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verschillende wijzen waarop men het juridisch begrip godsdienst kan uitleggen (objectiverende, subjectiverende of autonome uitleg) vertellen iets over de manier waarop het recht omgaat met de maatschappelijke verscheidenheid van godsdiensten en levensbeschouwingen in de samenleving. Een subjectiverende uitleg veronderstelt bijvoorbeeld een rechtsorde die voortdurend ervoor openstaat om – tot op het niveau van het individu – nieuwe religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen en uitingen te erkennen, en daaraan, tenzij in strijd met de beperkingsclausule, consequenties te verbinden in de vorm van rechten. Een keuze voor een bepaalde uitleg van de term godsdienst kan zijn ingegeven door of worden gelegitimeerd vanuit bepaalde opvattingen over religieuze pluriformiteit. In dit hoofdstuk wil ik de juridische betekenis van godsdienst zoals die ligt vervat in een aantal politiek-filosofische idealen (of ideologieën) van de samenleving bespreken.
Achtereenvolgens behandel ik het theocratisch perspectief, het liberaal-gezindtepluralisme, het secularisme, het communautarisme en het accommodationisme. Deze vijf perspectieven passeren de revue omdat ze een belangrijke invloed of aantrekkingskracht hebben of hebben gehad op de Nederlandse rechtsorde en daarmee op het juridische begrip van godsdienst. Deze perspectieven ontleen ik deels aan de Angelsaksische politieke filosofie en deels aan de in de Nederlandse literatuur ontwikkelde modellen van de scheiding tussen kerk en staat.1 Mogelijk zijn er voor de perspectieven die ik schets ook andere benamingen in omloop. Verder zijn er allerlei varianten denkbaar van de genoemde perspectieven. Daarom spreek ik in de titel over filosofische ‘ideaaltypen’. Van deze ideaaltypen bespreek ik enkel de kernpunten en beperk ik mij tot die aspecten die betrekking hebben op de betekenis van godsdienst. De volgorde waarin ik bovengenoemde filosofische perspectieven bespreek is niet willekeurig maar gebaseerd op de ontstaansgeschiedenis van deze perspectieven.
Het doel van dit hoofdstuk is primair een referentiekader te bieden voor het empirische gedeelte van dit onderzoek (de positiefrechtelijke analyse van het juridische begrip van godsdienst binnen een aantal rechtsgebieden). In dat empirische gedeelte zal aan de hand van de besproken ideaaltypen het juridische begrip van godsdienst worden gecategoriseerd. Behalve dat bovengenoemde ideaaltypen het mogelijk maken om het juridische begrip van godsdienst zoals dat in het positieve recht ligt opgesloten te categoriseren, biedt een kritische bespreking van de voor- en nadelen van deze verschillende ideaaltypen ook de mogelijkheid om een bepaald begrip van godsdienst te bepleiten. Dat wil zeggen, dat er op basis van een vergelijking tussen de verschillende ideaaltypen en hun uitwerking op het juridische begrip van godsdienst een keuze kan worden gemaakt voor wat het ‘beste’ begrip van godsdienst zou moeten zijn. Dit gebeurt echter pas in het slothoofdstuk (21) aangezien er pas dan een algehele conclusie kan worden getrokken over het juridische begrip van godsdienst binnen het positieve recht.
De verschillende perspectieven hebben zich veelal als reactie op elkaar ontwikkeld. Zo zijn het liberaal gezindtepluralisme en het secularisme te beschouwen als een reactie op het theocratische perspectief en vormen het communautarisme en accommodationisme een reactie op het liberaal gezindtepluralisme en het secularisme. Paragraaf 4.2 gaat over het theocratische perspectief. Dit is een perspectief waarin een staat één godsdienst als ware godsdienst kwalificeert en deze vervolgens op allerlei manieren aan zijn burgers oplegt. Dit perspectief heeft vanuit het perspectief van het liberaal gezindtepluralisme veel kritiek ondervonden. Het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme is goed te herkennen in de Nederlandse rechtsorde. Het bestaan van de godsdienstvrijheid als een grondrecht is hiervan een belangrijk voorbeeld. Het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme wordt behandeld in 4.3. In het verlengde hiervan ligt het seculiere ideaaltype. Binnen het seculiere ideaaltype wordt het liberale neutraliteitsbeginsel verabsoluteerd (4.4). Een seculier perspectief heeft in het Nederlandse recht nooit echt voet aan de grond gekregen maar wordt in het academische en politieke debat wel met enige regelmaat gepropageerd. Het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme en het seculiere ideaaltype hebben verschillende reacties opgeroepen. Een van deze reacties heeft gestalte gekregen in de stroming van het communautarisme (4.5). Het ideaaltype van het communautarisme heeft met name moeite met de individuele benadering van neutraliteit binnen het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme en pleit in plaats daarvan voor een meer collectieve benadering van vrijheidsrechten. Hoewel een dergelijk perspectief in Nederland nooit onder deze Angelsaksische benaming (communautarisme) bekend is geworden heeft het in het verleden belangrijke invloed gehad op de rechtsorde. Met name de rechten van kerkgenootschappen en de rechten van het bijzonder onderwijs kunnen we als een vrucht hiervan beschouwen. Het ideaaltype van het accommodationisme, waarover paragraaf 4.6 handelt, kan men begrijpen als een – later in de tijd – ontstane reactie op het liberaal gezindtepluralisme en op het secularisme. Het accommodationisme komt (net als het multiculturalisme) in verweer tegen een meerderheidscultuur die meent neutrale wetten te kunnen creëren die minderheden niet zouden benadelen. Het accommodationisme pleit voor accommodatie in het recht van culturele diversiteit (waaronder ook individuele religieuze pluriformiteit wordt geschaard). Daarbij kan men denken aan uitzonderingsbepalingen in wetgeving waaruit een bepaald voorkeursbeleid blijkt ten aanzien van achtergestelde minderheden. Ook dit perspectief heeft voet aan de grond gekregen binnen de Nederlandse rechtsorde.