De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.5:5 De Europese ondernemingsovereenkomst na fusie of overname
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.5
5 De Europese ondernemingsovereenkomst na fusie of overname
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386456:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam, 23 januari 2003, JOR 2003/104. De procedure werd overigens ook gevoerd door de Europese ondernemingsraad van Equant, waarvan werd vastgesteld dat deze nog niet bestond, en een natuurlijke persoon. Ik laat dit bij deze omschrijving verder buiten beschouwing.
OK 1 april 2004, ARO 2004/51, m.nt. Van het Kaar in SR 2004-7/8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevoegdheden van de Europese ondernemingsraad die niet volgens de subsidiaire voorschriften is ingesteld, worden volledig bepaald door de inhoud van de Europese ondernemingsovereenkomst. Hoe moet worden gehandeld wanneer deze eindigt? Wat gebeurt er wanneer de structuur van de onderneming ingrijpend wordt gewijzigd, bijvoorbeeld na een fusie, overname of splitsing?
Volgens artikel 11 lid 6 WEOR houdt de Europese ondernemingsovereenkomst bepalingen in over de datum van inwerkingtreding, de duur van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst kan worden gewijzigd of opgezegd en de gevallen waarin en de wijze waarop wordt onderhandeld over een nieuwe overeenkomst. Bij ingrijpende wijzigingen in de structuur van de communautaire onderneming of groep moet de bestaande overeenkomst worden aangepast indien deze daarover geen of strijdige bepalingen bevat, zo bepaalt artikel 14a WEOR.1 Het hoofdbestuur begint die onderhandelingen op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van ten minste 100 werknemers of vertegenwoordigers afkomstig uit ten minste twee ondernemingen of vestigingen in twee lidstaten; daartoe wordt een bijzondere onderhandelingsgroep opgericht. Tijdens die onderhandelingen blijven de bestaande Europese ondernemingsraden functioneren volgens de toepasselijke Europese ondernemingsovereenkomst (artikel 14a lid 3 WEOR).
Het einde van de overeenkomst en de situatie die ontstaat na een fusie, overname of splitsing wordt dus bij voorkeur geregeld in de overeenkomst zelf. Als hierover geen afspraken zijn gemaakt, of als er sprake is van strijdigheid tussen de bepalingen van twee of meer Europese ondernemingsovereenkomsten, moeten nieuwe onderhandelingen worden aangegaan. Indien er geen nieuwe overeenkomst wordt gesloten en er voldaan is aan de voorwaarde van artikel 15 WEOR, zijn de subsidiaire voorschriften van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat het hoofdbestuur verplicht is een Europese ondernemingsraad in te stellen. Vanaf de datum waarop de nieuwe overeenkomst van kracht wordt, worden de eerder opgerichte Europese ondernemingsraden ontbonden en worden de overeenkomsten waarbij zij zijn ingesteld, ongeacht de daarin vervatte bepalingen over geldigheid of opzegging, beëindigd.2
Dat betekent dat het hoofdbestuur na een ingrijpende structuurwijziging verplicht is volgens de subsidiaire voorschriften een nieuwe Europese ondernemingsraad in te stellen, indien het er blijk van heeft gegeven niet binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek van werknemersvertegenwoordigers te zullen onderhandelen met een bijzondere onderhandelingsgroep, of er binnen drie jaar na dat verzoek geen Europese ondernemingsovereenkomst tot stand is gekomen. In de tussenliggende periode blijven de afzonderlijke Europese ondernemingsraden van de gefuseerde ondernemingen bestaan en moeten zij bij belangrijke besluiten gelijktijdig worden geïnformeerd of geraadpleegd. De leden van die raden dienen bij nieuwe onderhandelingen te worden betrokken. Behalve de overeenkomstig artikel 9 WEOR gekozen of aangewezen leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, zijn ten minste drie leden van de bestaande Europese ondernemingsraad of van elk van de bestaande raden lid van die onderhandelingsgroep.
Deze regeling zal in de praktijk voor de nodige complicaties kunnen zorgen. In de eerste plaats zal, wanneer twee communautaire ondernemingen of groepen zijn gefuseerd, het functioneren van twee onafhankelijke Europese ondernemingsraden voor moeilijkheden kunnen zorgen, bijvoorbeeld omdat uit de informatie- en raadplegingsprocedures conflicterende adviezen voortvloeien. In de tweede plaats zal de oprichting van een nieuwe bijzondere onderhandelingsgroep, waarbij tevens leden van de bestaande Europese ondernemingsraden een rol spelen, voor interne verdeeldheid kunnen zorgen. Die verdeeldheid kan worden versterkt wanneer na een overname duidelijk sprake is van één sterkere partij. Het nieuwe (fictieve) hoofdbestuur zal in die situaties niet snel geneigd zijn om veel oog te hebben voor de belangen van de Europese ondernemingsraad van de overgenomen onderneming. Die onderhandelingen kunnen bovendien lang duren. Gedurende de in artikel 15 WEOR genoemde periode van drie jaar zal de positie van de separate Europese ondernemingsraden, eventueel naast de bijzondere onderhandelingsgroep, voor onrust in de gefuseerde organisatie kunnen zorgen.
Wat gebeurt er als de duur van de Europese ondernemingsovereenkomst vóór de oprichting van een nieuwe Europese ondernemingsraad voor de gefuseerde onderneming verstrijkt? Die vraag vormde het onderwerp van de enige procedure die tot nu toe in Nederland door een Europese ondernemingsraad is gevoerd. Het ging om de communautaire groep Global One Communications, met moederonderneming in België, die in 1999 werd overgenomen door France Telecom. Bij Global One was op basis van een overeenkomst in 1999 een European Employee Forum (EEF) opgericht. De Europese ondernemingsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd, tenzij deze na een periode van vier jaar door een van de partijen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden zou worden opgezegd. Op 1 juli 2001 fuseerde Global One met Equant, een dochtervennootschap van France Telecom, waarna de activiteiten van de twee groepen werden geïntegreerd. Op 29 januari 2002 gaf Equant te kennen de Europese ondernemingsovereenkomst met het EEF op te zullen zeggen en zegde het toe over te gaan tot de instelling van een Europese ondernemingsraad op Equant-niveau. De opzegging werd bevestigd bij brief van 2 mei 2002. Het EEF maakte hier bezwaar tegen. Op 18 juni 2002 maakte France Telecom bekend een Europese ondernemingsraad te zullen installeren voor het hele concern. De voorbereidingen voor een Europese ondernemingsraad op Equant-niveau werden opgeschort, nu France Telecom daartegen bezwaar had. Dit leidde tot een kort geding, waarin de vorderingen van het EEF werden afgewezen.3
Het EEF wende zich vervolgens tot de Ondernemingskamer,4 onder meer met het verzoek vast te stellen dat het bestond, met inbegrip van zijn bevoegdheden, rechten en faciliteiten, totdat een nieuwe Europese ondernemingsraad op het niveau van Equant was opgericht, en Equant te gebieden binnen 24 uur de toezegging na te komen tot het instellen van de nieuwe bijzondere onderhandelingsgroep, teneinde te komen tot de oprichting van een nieuwe Europese ondernemingsraad voor Equant en de hieraan verbonden Europese ondernemingen. Equant voerde primair aan dat het EEF niet ontvankelijk was, omdat het verzochte al in kort geding aan de orde was en het ‘ne bis in idem’-beginsel geschonden werd. De Ondernemingskamer volgde Equant niet in dat betoog, omdat het aanhangig maken van een kortgedingprocedure onverlet laat dat de rechter om een oordeel ten gronde kan worden gevraagd.
De Ondernemingskamer stelde voorts vast dat de opzegging van de overeenkomst door Equant overeenkomstig de Europese ondernemingsovereenkomst was geschied. De stelling van het EEF dat Equant misbruik van de bevoegdheid had gemaakt trof geen doel. Ook werd het EEF niet gevolgd in de stelling dat Equant doelbewust een vacuüm in de medezeggenschap had willen laten ontstaan, om zo een voorgenomen ingrijpende wijziging in zijn bedrijfsvoering door te voeren zonder dat van enige Europese medezeggenschap sprake kon zijn. Volgens de Ondernemingskamer kon Equant niet worden gedwongen tot instelling van een aparte Europese ondernemingsraad. Gelet op de definitiebepalingen van artikel 1 WEOR en de omschrijving van het begrip ‘moederonderneming’ in artikel 2 WEOR gold France Telecom als moederonderneming. Uit het stelsel van de richtlijn en de WEOR volgde onmiskenbaar dat binnen een communautaire groep slechts sprake kon zijn van één moederonderneming, dat Equant voldeed als communautaire onderneming in de zin van de richtlijn en dat de WEOR daaraan niet afdeed. Het EEF wenste dat Equant zijn toezegging nakwam om te komen tot oprichting van een Europese ondernemingsraad op Equant-niveau. De WEOR bood hiertoe volgens de Ondernemingskamer weliswaar de mogelijkheid, maar ingevolge artikel 11 lid 5 WEOR diende daaraan dan een overeenkomst ten grondslag te liggen van het hoofdbestuur en de bijzondere onderhandelingsgroep.
In dit geval ging het om een overeenkomst tussen het bestuur van France Telecom en de bijzondere onderhandelingsgroep die het bedrijf inmiddels had opgericht om te komen tot een Europese ondernemingsraad op France Telecomniveau. Equant had terecht aangevoerd dat het bij gebreke van zo’n overeenkomst niet tot nakoming van zijn eerdere toezegging gedwongen kon worden. Dit betekende dat de status van het EEF na afloop van de overeenkomst niet ruimer te duiden viel dan die van een orgaan dat zijn activiteiten afwikkelt. De Ondernemingskamer oordeelde dat onder afwikkeling van activiteiten mede het voeren van een procedure als de onderhavige kon worden begrepen.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot het nadien geïmplementeerde artikel 14a WEOR? Betekent dit nu dat de uitspraak van de Ondernemingskamer in de zaak Equant achterhaald is? Het antwoord lijkt mij ontkennend te luiden en zal mede afhankelijk zijn van de duur en inhoud van de relevante Europese ondernemingsovereenkomst. Ook onder het regime van artikel 14a WEOR kan zo’n overeenkomst in duur verstrijken of door het hoofdbestuur worden opgezegd. Dat valt op zichzelf te verenigen met de regel van artikel 14a lid 3 WEOR dat de bestaande ondernemingsraden tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Europese ondernemingsovereenkomst functioneren in overeenstemming met de toepasselijke overeenkomst. Wanneer die overeenkomst toelaat dat zij wordt opgezegd of wanneer deze van rechtswege eindigt, zal de Europese ondernemingsraad eveneens de status verkrijgen van een orgaan dat zijn activiteiten afwikkelt – een Europese ondernemingsraad ‘in liquidatie’ als het ware. Onder die activiteiten valt dan niet alleen het eventueel voeren van juridische procedures, maar ook het toezicht houden op de naleving van de tijdens de Equant-zaak nog niet bestaande regel dat ten minste drie leden van de bestaande ondernemingsraad lid moeten zijn van de bijzondere onderhandelingsgroep die de oprichting van de nieuwe Europese ondernemingsraad van het gefuseerde concern zal begeleiden.