Deze schriftuur is ingediend binnen een nadere termijn die liep tot en met 23 augustus 2022. Deze nadere termijn is op 9 augustus 2022 door de rolraadsheer verleend. De termijn voor het indienen van middelen was op dat moment reeds verstreken. Ingevolge het procesreglement van de Hoge Raad kan de rolraadsheer in ‘bijzondere gevallen’ ook een verzoek tot verlenging dat na het verstrijken van de termijn voor het indienen van middelen wordt gedaan, toewijzen (4.3.7.2 en 4.3.7.5).
HR, 16-05-2023, nr. 21/03573
ECLI:NL:PHR:2023:398
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2023
- Zaaknummer
21/03573
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2023:398, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑05‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:993
Conclusie 16‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Onvolkomenheid bij beëdiging van AG. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03573 P
Zitting 16 mei 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 18 augustus 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 9.907,40 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 198 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03571 en 21/03574. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. I.T.H.L. van de Bergh en T. Straten, beiden advocaat te Maastricht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.1.
4. Het middel bevat de klacht dat de advocaat-generaal bij het hof, die in de onderhavige zaak bevoegdheden heeft uitgeoefend die bij wet aan de advocaat-generaal zijn toegekend, niet juist was beëdigd. Uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid dat het zou gaan om dezelfde onvolkomenheden bij de beëdiging als die welke aan de orde waren in het arrest dat Uw Raad op 21 oktober 2022 naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet van P-G Bleichrodt heeft gewezen.2.
5. In dat arrest heeft Uw Raad overwogen dat de omstandigheid ‘dat een advocaat-generaal op de zitting waarbij zijn beëdiging tot rechterlijk ambtenaar aan de orde was, zich heeft bediend van de tekst van de eed of belofte voor een rijksambtenaar in plaats van de tekst van de eed of belofte voor een rechterlijk ambtenaar’, niet tot gevolg heeft ‘dat die advocaat-generaal niet zou kunnen worden aangemerkt als een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 1, onder b aanhef en onder 6°, Wet RO, en daarom niet zou zijn gerechtigd tot de uitoefening van de hem in de wet opgedragen taken en bevoegdheden als advocaat-generaal’ (rov. 5.10.3). Uit het arrest volgt daarmee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
6. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑05‑2023
HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, NJ 2023/43 m.nt. Vellinga.