Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW:Schadevergoeding
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW
Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. W.L. Valk, actueel t/m 29-12-2025
Actueel t/m
29-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. W.L. Valk
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de inhoud van de verbintenis waarin de wederpartij tekortgeschoten zou zijn.1 Voor de bij de verschillende typen verbintenissen behorende bewijslastverdeling, zij verwezen naar de wettelijke bepalingen inzake overeenkomst, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming.2 Ten aanzien van de overeenkomst geldt voorts dat specifieke wettelijke bepalingen ter zake van bijzondere overeenkomsten kunnen leiden tot nuancering van het navolgende.3 Vloeit de verbintenis voort uit overeenkomst, dan komt het behalve op het bestaan van een overeenkomst ook op de inhoud van die overeenkomst aan. Die inhoud wordt vooral bepaald door uitleg aan de hand van de wilsvertrouwensleer (in de meerzijdige formulering van de Haviltex-maatstaf). De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding en zich daarbij beroept op de uitleg van een overeenkomst die door de wederpartij wordt ontkend, draagt aldus de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit de juistheid van die uitleg kan worden afgeleid.4 Behalve de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft een overeenkomst echter ook de gevolgen die de wet, de gewoonte en redelijkheid en billijkheid aan de overeenkomst verbinden. Beroept de partij die aanspraak op schadevergoeding maakt zich op het bestaan van een zodanige verbintenis krachtens aanvullende wet, gewoonterecht of (aanvullende werking van) redelijkheid en billijkheid, dan geldt iets vergelijkbaars: deze partij draagt de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die voor het ontstaan van de verbintenis benodigd zijn.5
Tekortkoming (lid 1)
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding draagt ook de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis.6 Deze āĀ direct uit de hoofdregel van art. 150 Rv volgendeĀ ā bewijslastverdeling ligt voor de hand. De implicatie daarvan is dat het betoog van de wederpartij volgens welke van een tekortkoming geen sprake is, niet behoort te worden opgevat als een (bevrijdend) verweer, maar in plaats daarvan als een betwisting.
In geval van een vordering tot nakoming ligt het anders. De grondslag van die vordering is de rechtsplicht (meestal een verbintenis).7 De wederpartij die betoogt dat nakoming reeds heeft plaatsgevonden en dat zij daarom van die plicht is bevrijd (met als gevolg dat de vordering tot nakoming moet worden afgewezen), draagt de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit dat volgt. Betaling is in dit verband dus een (bevrijdend) verweer. Het geval van een vordering tot schadevergoeding moet van die nakoming worden onderscheiden. De grondslag van die vordering is immers niet een verbintenis zonder meer, maar een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Beroept de wederpartij zich tegenover een vordering tot schadevergoeding erop dat zij is nagekomen (dat zij heeft betaald), dan is dit dus in beginsel te beschouwen als een betwisting van de tekortkoming, zodat de bewijslast ligt op de partij die schadevergoeding vordert.
In afwijking van het voorgaande oordeelde de Hoge Raad in de zaak Toure/Heyne8 dat in de specifieke context van dat geval (een huurzaak waarin zowel nakoming werd gevorderd ten aanzien van achterstallige huurtermijnen als ontbinding van de overeenkomst) ook ten aanzien van de gevorderde ontbinding (waarvoor een tekortkoming vereist was, art. 6:265 lid 1 BW) kan gelden dat de wederpartij een bevrijdend verweer voert door zich op betaling te beroepen. Nu de gestelde tekortkoming uitsluitend bestond uit de stelling dat de huur niet (volledig) was betaald, was het verweer van Toure dat hij wel betaald had (waardoor de betalingsverplichting zou zijn tenietgegaan) volgens de Hoge Raad een bevrijdend verweer, zodat op Toure de bewijslast rustte van zijn gestelde betaling. Deze beslissing is moeilijk in te passen in een stelsel van bewijslastverdeling dat van de objectiefrechtelijke theorie uitgaat.9 Dat in eenzelfde procedure hetzelfde bewijsthema aan orde is en het op het eerste gezicht mogelijk bevreemt dat de bewijslast en het bewijsrisico in het verband van de ene vordering (nakoming) anders zou zijn dan in dat van een andere vordering (ontbinding), is mijns inziens geen goede reden voor een afwijking van de hoofdregel dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten draagt. Het verschil in de verdeling van de bewijslast in een geval als in de zaak Toure/Heyne berust eenvoudig op een verschil in de materiĆ«le vereisten voor nakoming respectievelijk ontbinding. En die vereisten luiden niet voor niets zoals zij luiden. Daarom is het ook niet āvreemdā dat wanneer de rechter na bewijslevering in twijfel blijft over de vraag of betaling heeft plaatsgevonden of niet, hij de vordering van de schuldeiser tot nakoming toewijst (met als gevolg dat de schuldenaar mogelijk een tweede maal moet nakomen, waarbij er voor hem extra reden is om een kwitantie of ander bewijsmiddel van de betaling zorgvuldig te bewaren), maar tegelijk de vordering tot ontbinding van de schuldeiser afwijst (zodat niet intreedt het verdergaande rechtsgevolg dat de rechtsbetrekking tussen partijen een einde neemt, wat in het geval van huur onder meer zou betekenen dat de huurder het gehuurde zal moeten verlaten).10
Dat het betoog van de wederpartij volgens welke van een tekortkoming geen sprake is, niet behoort te worden opgevat als een (bevrijdend) verweer, maar in plaats daarvan als een betwisting, impliceert ook dat mogelijk is dat de partij die aanspraak maakt op schadevergoeding moet bewijzen dat bepaalde feiten zich niet hebben voorgedaan. De omstandigheid dat sprake is van ānegatieve feitenā leidt niet tot een afwijkende bewijslastverdeling.13 Een voorbeeld biedt het arrest Van Haeren c.s./Fortis14 waarin beleggers de bank aanspreken op grond van hun stelling dat de bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht door hen onvoldoende te waarschuwen voor bepaalde beleggingsrisicoās. De Hoge Raad corrigeert de bewijslastverdeling van het hof, dat de bank belast had met het bewijs van haar stelling dat zij haar cliĆ«nten afdoende had gewaarschuwd: āwaar Van Haeren c.s. gesteld hebben dat Fortis is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht door niet te waarschuwen voor de risicoās van het aanhouden van het hele pakket aandelen Predictive, en Fortis deze stelling heeft bestreden door te stellen dat zij wĆØl heeft gewaarschuwd voor deze risicoās, rust de bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming van Fortis in de nakoming van haar zorgplicht ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv. op Van Haeren c.s.ā
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding zal in ieder geval moeten stellen dat hij schade heeft geleden.16 Voor het antwoord op de vraag welke schade tot welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, zij verwezen naar art. 6:95 BW e.v.17
Causaal verband tekortkoming-schade (lid 1)
Voorts draagt de partij die aanspraak maakt op schadevergoeding in beginsel de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de schade en de tekortkoming. Deze stelplicht en bewijslast ziet in ieder geval op het condicio sine qua non-verband18 tussen de tekortkoming en de schade. De vraag of en in welke omvang vervolgens daadwerkelijk een schadevergoedingsplicht bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 6:98 BW.19 Strekt de met de tekortkoming geschonden norm tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, dan geldt met betrekking tot het c.s.q.n.-verband de zogenaamde omkeringsregel. Voor die regel zij verwezen naar het commentaar op art. 6:98 BW.20
Toerekenbaar (lid 1)
Zie voor de invulling en uitwerking van de (op de schuldenaar rustende) stelplicht en bewijslast ten aanzien van de (niet-)toerekenbaarheid het commentaar op art. 6:75 BW.21 Aldaar wordt ook aandacht besteed aan het verband tussen de inhoud van de verbintenis (resultaat dan wel zorg of inspanning) en de wijze waarop een verweer van de schuldenaar behoort te worden gekwalificeerd (namelijk hetzij als een betwisting van de tekortkoming, hetzij als een beroep op niet-toerekenbaarheid).
Blijvende onmogelijkheid of verzuim (lid 2)
Ook de nadere voorwaarde die lid 2 stelt aan het bestaan van een aanspraak op schadevergoeding leidt āĀ op grond van de hoofdregel van art. 150 RvĀ ā tot een op de schuldeiser rustende stelplicht en bewijslast. De schuldeiser zal in beginsel moeten stellen, en zo nodig bewijzen, hetzij dat nakoming blijvend onmogelijk is, hetzij dat de schuldeiser in verzuim is. In de gevallen waarin de onmogelijkheid (voor het verleden) voortvloeit uit het duurkarakter van de overeenkomst, is pas sprake van verzuim nadat de schuldenaar de schuldeiser van de gebreken op de hoogte heeft gesteld. Ten aanzien van die mededeling draagt de schuldenaar de stelplicht en bewijslast, waarvan hij echter is ontheven indien hij stelt en zo nodig bewijst dat de schuldeiser anderszins met de gebreken bekend is.22
Zie verder het commentaar op art. 6:81-6:83 BW.23 Aldaar komt ook aan de orde dat de stelplicht ten aanzien van het verzuim slechts een bescheiden rol speelt in die gevallen waarin het verzuim geen onderwerp is van het partijdebat.
Zie bijvoorbeeld voor de tekortkoming van de verkoper de maatstaf voor non-conformiteit van art. 7:17 BW, waarover Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:17 BW.
Uitvoerig over de stelplicht en bewijslast met betrekking tot uitlegkwesties Meijer & Wattendorff, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:35 BW.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:248 BW. Aldaar wordt ook besproken de vraag wie in het geval van een beroep op een in een regel van aanvullend recht voorzien rechtsgevolg, de bewijslast draagt met betrekking tot het ontbreken van een van het aanvullende recht afwijkende partijafspraak.
Voor toewijzing van de nakomingsvordering volstaat in beginsel de vaststelling dat sprake is van een (opeisbare) verbintenis. Zie art. 3:296 BW. Vergelijk Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:296 BW.
Anders Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/61c, die problemen ten aanzien van gezag van gewijsde en executie vreest. Met betrekking tot gezag van gewijsde volstaat mijns inziens om er nauwkeurig op te letten wat de rechtsbetrekking in geschil is. De beslissing over de nakomingsvordering gaat over het al dan niet vaststaan van de betaling, die over de ontbindingsvordering over het al dan niet vaststaan van de tekortkoming. Welk executieprobleem Thoe Schwartzenberg voorziet, is mij niet duidelijk geworden.
Ook in deze context is het van belang onderscheid te maken tussen de vordering tot nakoming en die tot schadevergoeding. Vgl. HR 29 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2912, NJ 1999/821 (Arends/Mansur): het hof heeft niet onderkend dat sprake is van een nakomingsvordering (in plaats van een vordering tot schadevergoeding), zodat het hof ten onrechte het verschuldigde bedrag ex aequo et bono heeft begroot door schatting.
In beginsel zal de benadeelde de omvang van de schade moeten aantonen of aannemelijk maken, zie HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257 (X./Axa). Vgl. Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW
Schadevergoeding
mr. W.L. Valk, actueel t/m 29-12-2025
29-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. W.L. Valk
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 74
Verbintenis (lid 1)
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de inhoud van de verbintenis waarin de wederpartij tekortgeschoten zou zijn.1 Voor de bij de verschillende typen verbintenissen behorende bewijslastverdeling, zij verwezen naar de wettelijke bepalingen inzake overeenkomst, onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming.2 Ten aanzien van de overeenkomst geldt voorts dat specifieke wettelijke bepalingen ter zake van bijzondere overeenkomsten kunnen leiden tot nuancering van het navolgende.3 Vloeit de verbintenis voort uit overeenkomst, dan komt het behalve op het bestaan van een overeenkomst ook op de inhoud van die overeenkomst aan. Die inhoud wordt vooral bepaald door uitleg aan de hand van de wilsvertrouwensleer (in de meerzijdige formulering van de Haviltex-maatstaf). De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding en zich daarbij beroept op de uitleg van een overeenkomst die door de wederpartij wordt ontkend, draagt aldus de stelplicht en bewijslast van de feiten waaruit de juistheid van die uitleg kan worden afgeleid.4 Behalve de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft een overeenkomst echter ook de gevolgen die de wet, de gewoonte en redelijkheid en billijkheid aan de overeenkomst verbinden. Beroept de partij die aanspraak op schadevergoeding maakt zich op het bestaan van een zodanige verbintenis krachtens aanvullende wet, gewoonterecht of (aanvullende werking van) redelijkheid en billijkheid, dan geldt iets vergelijkbaars: deze partij draagt de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die voor het ontstaan van de verbintenis benodigd zijn.5
Tekortkoming (lid 1)
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding draagt ook de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis.6 Deze āĀ direct uit de hoofdregel van art. 150 Rv volgendeĀ ā bewijslastverdeling ligt voor de hand. De implicatie daarvan is dat het betoog van de wederpartij volgens welke van een tekortkoming geen sprake is, niet behoort te worden opgevat als een (bevrijdend) verweer, maar in plaats daarvan als een betwisting.
In geval van een vordering tot nakoming ligt het anders. De grondslag van die vordering is de rechtsplicht (meestal een verbintenis).7 De wederpartij die betoogt dat nakoming reeds heeft plaatsgevonden en dat zij daarom van die plicht is bevrijd (met als gevolg dat de vordering tot nakoming moet worden afgewezen), draagt de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit dat volgt. Betaling is in dit verband dus een (bevrijdend) verweer. Het geval van een vordering tot schadevergoeding moet van die nakoming worden onderscheiden. De grondslag van die vordering is immers niet een verbintenis zonder meer, maar een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Beroept de wederpartij zich tegenover een vordering tot schadevergoeding erop dat zij is nagekomen (dat zij heeft betaald), dan is dit dus in beginsel te beschouwen als een betwisting van de tekortkoming, zodat de bewijslast ligt op de partij die schadevergoeding vordert.
In afwijking van het voorgaande oordeelde de Hoge Raad in de zaak Toure/Heyne8 dat in de specifieke context van dat geval (een huurzaak waarin zowel nakoming werd gevorderd ten aanzien van achterstallige huurtermijnen als ontbinding van de overeenkomst) ook ten aanzien van de gevorderde ontbinding (waarvoor een tekortkoming vereist was, art. 6:265 lid 1 BW) kan gelden dat de wederpartij een bevrijdend verweer voert door zich op betaling te beroepen. Nu de gestelde tekortkoming uitsluitend bestond uit de stelling dat de huur niet (volledig) was betaald, was het verweer van Toure dat hij wel betaald had (waardoor de betalingsverplichting zou zijn tenietgegaan) volgens de Hoge Raad een bevrijdend verweer, zodat op Toure de bewijslast rustte van zijn gestelde betaling. Deze beslissing is moeilijk in te passen in een stelsel van bewijslastverdeling dat van de objectiefrechtelijke theorie uitgaat.9 Dat in eenzelfde procedure hetzelfde bewijsthema aan orde is en het op het eerste gezicht mogelijk bevreemt dat de bewijslast en het bewijsrisico in het verband van de ene vordering (nakoming) anders zou zijn dan in dat van een andere vordering (ontbinding), is mijns inziens geen goede reden voor een afwijking van de hoofdregel dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten draagt. Het verschil in de verdeling van de bewijslast in een geval als in de zaak Toure/Heyne berust eenvoudig op een verschil in de materiĆ«le vereisten voor nakoming respectievelijk ontbinding. En die vereisten luiden niet voor niets zoals zij luiden. Daarom is het ook niet āvreemdā dat wanneer de rechter na bewijslevering in twijfel blijft over de vraag of betaling heeft plaatsgevonden of niet, hij de vordering van de schuldeiser tot nakoming toewijst (met als gevolg dat de schuldenaar mogelijk een tweede maal moet nakomen, waarbij er voor hem extra reden is om een kwitantie of ander bewijsmiddel van de betaling zorgvuldig te bewaren), maar tegelijk de vordering tot ontbinding van de schuldeiser afwijst (zodat niet intreedt het verdergaande rechtsgevolg dat de rechtsbetrekking tussen partijen een einde neemt, wat in het geval van huur onder meer zou betekenen dat de huurder het gehuurde zal moeten verlaten).10
Aannemelijk dunkt mij intussen dat een vordering tot vergoeding van de vertragingsschadedie ontstaat door het uitblijven van nakoming (art. 6:85 BW) zozeer in het verlengde van een vordering tot nakoming ligt, dat daarvoor geen andere bewijslastverdeling kan gelden. Wordt bijvoorbeeld een huurder veroordeeld tot betaling van achterstallige huur omdat de huurder door hem gestelde betalingen niet kan bewijzen, dan is daarmee mijns inziens ook de nevenvordering tot betaling van wettelijke rente (art. 6:119 BW) of eventueel wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) toewijsbaar vanaf het tijdstip waarop de schuldenaar in verzuim is geraakt.11 Met betrekking tot dit laatste element (het verzuim) geldt intussen wƩl dat op de schuldeiser de stelplicht en bewijslast rust. Het verzuim treedt echter in ieder geval in vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding indien de schuldenaar bestrijdt tot betaling verplicht te zijn.12
Dat het betoog van de wederpartij volgens welke van een tekortkoming geen sprake is, niet behoort te worden opgevat als een (bevrijdend) verweer, maar in plaats daarvan als een betwisting, impliceert ook dat mogelijk is dat de partij die aanspraak maakt op schadevergoeding moet bewijzen dat bepaalde feiten zich niet hebben voorgedaan. De omstandigheid dat sprake is van ānegatieve feitenā leidt niet tot een afwijkende bewijslastverdeling.13 Een voorbeeld biedt het arrest Van Haeren c.s./Fortis14 waarin beleggers de bank aanspreken op grond van hun stelling dat de bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht door hen onvoldoende te waarschuwen voor bepaalde beleggingsrisicoās. De Hoge Raad corrigeert de bewijslastverdeling van het hof, dat de bank belast had met het bewijs van haar stelling dat zij haar cliĆ«nten afdoende had gewaarschuwd: āwaar Van Haeren c.s. gesteld hebben dat Fortis is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht door niet te waarschuwen voor de risicoās van het aanhouden van het hele pakket aandelen Predictive, en Fortis deze stelling heeft bestreden door te stellen dat zij wĆØl heeft gewaarschuwd voor deze risicoās, rust de bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde tekortkoming van Fortis in de nakoming van haar zorgplicht ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv. op Van Haeren c.s.ā
Bij Sieburgh treffen we een andere opvatting van de bewijslast met betrekking tot de tekortkoming aan.15 Volgens haar hangt het af van de omstandigheden van het geval en in het bijzonder van de aard van de tekortkoming of en in hoeverre de schuldeiser die schadevergoeding vordert, dient te bewijzen dat van een tekortkoming sprake is. Indien de schuldeiser zich erop beroept dat de schuldenaar zijn prestatie in het geheel niet heeft verricht, zou de schuldenaar die stelt wĆ©l betaald of geleverd te hebben, volgens haar āin de regelā met het bewijs daarvan moeten worden belast. Op het eerste gezicht stemt dit overeen met de beslissing in de hiervoor besproken zaak Toure/Heyne. Tussen haakjes kwalificeert Sieburgh het door de schuldenaar te leveren bewijs van de betaling echter als āzogenoemd tegenbewijsā, wat twijfel oproept of zij wel inderdaad bedoelt dat de volle bewijslast (met het daarbij behorende bewijsrisico) van de betaling op de schuldenaar rust. Hoe dan ook meen ik dat een leer volgens welke niet de inhoud van de materiĆ«le rechtsnorm maar de omstandigheden van het geval voor de bewijslastverdeling bepalend zijn, slecht past bij de keuze voor de objectiefrechtelijke theorie die in art. 150 Rv is gemaakt (althans als hoofdregel). Wel zonder meer juist is wat Sieburgh óók vermeldt, namelijk dat in het geval dat de schuldeiser zich erop beroept dat sprake is van een ondeugdelijke prestatie, de schuldeiser dit moet bewijzen. In het verband van art. 6:74 BW volgt dit eenvoudig uit het vereiste van een tekortkoming.
Schade (lid 1)
De partij die aanspraak maakt op schadevergoeding zal in ieder geval moeten stellen dat hij schade heeft geleden.16 Voor het antwoord op de vraag welke schade tot welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, zij verwezen naar art. 6:95 BW e.v.17
Causaal verband tekortkoming-schade (lid 1)
Voorts draagt de partij die aanspraak maakt op schadevergoeding in beginsel de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de schade en de tekortkoming. Deze stelplicht en bewijslast ziet in ieder geval op het condicio sine qua non-verband18 tussen de tekortkoming en de schade. De vraag of en in welke omvang vervolgens daadwerkelijk een schadevergoedingsplicht bestaat, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 6:98 BW.19 Strekt de met de tekortkoming geschonden norm tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, dan geldt met betrekking tot het c.s.q.n.-verband de zogenaamde omkeringsregel. Voor die regel zij verwezen naar het commentaar op art. 6:98 BW.20
Toerekenbaar (lid 1)
Zie voor de invulling en uitwerking van de (op de schuldenaar rustende) stelplicht en bewijslast ten aanzien van de (niet-)toerekenbaarheid het commentaar op art. 6:75 BW.21 Aldaar wordt ook aandacht besteed aan het verband tussen de inhoud van de verbintenis (resultaat dan wel zorg of inspanning) en de wijze waarop een verweer van de schuldenaar behoort te worden gekwalificeerd (namelijk hetzij als een betwisting van de tekortkoming, hetzij als een beroep op niet-toerekenbaarheid).
Blijvende onmogelijkheid of verzuim (lid 2)
Ook de nadere voorwaarde die lid 2 stelt aan het bestaan van een aanspraak op schadevergoeding leidt āĀ op grond van de hoofdregel van art. 150 RvĀ ā tot een op de schuldeiser rustende stelplicht en bewijslast. De schuldeiser zal in beginsel moeten stellen, en zo nodig bewijzen, hetzij dat nakoming blijvend onmogelijk is, hetzij dat de schuldeiser in verzuim is. In de gevallen waarin de onmogelijkheid (voor het verleden) voortvloeit uit het duurkarakter van de overeenkomst, is pas sprake van verzuim nadat de schuldenaar de schuldeiser van de gebreken op de hoogte heeft gesteld. Ten aanzien van die mededeling draagt de schuldenaar de stelplicht en bewijslast, waarvan hij echter is ontheven indien hij stelt en zo nodig bewijst dat de schuldeiser anderszins met de gebreken bekend is.22
Zie verder het commentaar op art. 6:81-6:83 BW.23 Aldaar komt ook aan de orde dat de stelplicht ten aanzien van het verzuim slechts een bescheiden rol speelt in die gevallen waarin het verzuim geen onderwerp is van het partijdebat.
Het gegeven dat ƩƩn tekortkoming tot verschillende categorieƫn van schade kan leiden, brengt mee dat per categorie bezien moet worden of aan dit vereiste is voldaan, hetgeen doorwerkt in de vraag hoe ver de stelplicht en de bewijslast op dit punt reiken.
Voetnoten
1.
HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2315, NJ 2004/164 (Badawy/Atlanta). Langbroek, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.2.
2.
Zie art. 6:213 e.v., art. 6:162 e.v., art. 6:212 respectievelijk art. 6:198 BW.
3.
Zie bijvoorbeeld voor de tekortkoming van de verkoper de maatstaf voor non-conformiteit van art. 7:17 BW, waarover Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 7:17 BW.
4.
Uitvoerig over de stelplicht en bewijslast met betrekking tot uitlegkwesties Meijer & Wattendorff, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:35 BW.
5.
Zie Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:248 BW. Aldaar wordt ook besproken de vraag wie in het geval van een beroep op een in een regel van aanvullend recht voorzien rechtsgevolg, de bewijslast draagt met betrekking tot het ontbreken van een van het aanvullende recht afwijkende partijafspraak.
6.
HR 15 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4189, NJ 1981/641 (Joba/Gerber). Zie meer voorbeelden bij Langbroek, GS Verbintenissenrecht, art. 6:74 BW, aant. 8.2.
7.
Voor toewijzing van de nakomingsvordering volstaat in beginsel de vaststelling dat sprake is van een (opeisbare) verbintenis. Zie art. 3:296 BW. Vergelijk Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:296 BW.
8.
HR 27 november 2009, NJ 2009/599, onder 3.4.3.
9.
In vergelijkbare zin Van Schaick, NTBR 2010/40 en Lock, JBPR .2018/60 onder 9.
10.
Anders Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/61c, die problemen ten aanzien van gezag van gewijsde en executie vreest. Met betrekking tot gezag van gewijsde volstaat mijns inziens om er nauwkeurig op te letten wat de rechtsbetrekking in geschil is. De beslissing over de nakomingsvordering gaat over het al dan niet vaststaan van de betaling, die over de ontbindingsvordering over het al dan niet vaststaan van de tekortkoming. Welk executieprobleem Thoe Schwartzenberg voorziet, is mij niet duidelijk geworden.
11.
Ontbinding (zoals aan de orde in de zaak Toure/Heyne) is niet maar een nevenvordering in het verlengde van een nakomingsvordering.
12.
Vergelijk HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, NJ 2017/239 (Vano/Foreburghstaete II), rov. 3.5.4. Zie voor het verzuimvereiste nader het commentaar op art. 6:81-6:83 BW.
13.
HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529, NJ 2006/78 (B./Interpolis). Vgl. met betrekking tot negatieve feiten Boonekamp/Lock & Valk, Stelplicht & Bewijslast 5.4 (Inleiding).
14.
HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8967, RvdW 2008/749; vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1083, NJ 2007/203 (NNEK/Mourik c.s.).
15.
Asser/Sieburgh 6-I 2024/370. Vergelijk ook het commentaar van Bellaart op art. 6:265 BW.
16.
Ook in deze context is het van belang onderscheid te maken tussen de vordering tot nakoming en die tot schadevergoeding. Vgl. HR 29 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2912, NJ 1999/821 (Arends/Mansur): het hof heeft niet onderkend dat sprake is van een nakomingsvordering (in plaats van een vordering tot schadevergoeding), zodat het hof ten onrechte het verschuldigde bedrag ex aequo et bono heeft begroot door schatting.
17.
In beginsel zal de benadeelde de omvang van de schade moeten aantonen of aannemelijk maken, zie HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5410, NJ 2009/257 (X./Axa). Vgl. Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:97 BW.
18.
HR 9 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3170, NJ 2004/308 (D./Achmea).
19.
Vgl. uitvoerig over het bewijs van het causaal verband Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW.
20.
Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:98 BW.
21.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:75 BW.
22.
HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389, NJ 1998/128 (Van Bommel/Ruijgrok).
23.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:81, 6:82 en 6:83 BW.