Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.2.1
14.2.1 Inkomstenbelasting
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232981:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vervolgens moet beoordeeld worden hoe de aanspraak gekwalificeerd moet worden voor de inkomstenbelasting. Aangezien dit aspect met invoering van de APV-regeling in essentie niet gewijzigd is, zij hiervoor verwezen naar paragraaf 14.3.7.3.
Zie hiervoor nader paragraaf 14.3.10.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Haarlem 19 januari 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BH2091, FED 2009/37 (Boer constateert dat dit de eerste maal is dat het begrip “meer dan een blote verwachting” in de jurisprudentie gehanteerd wordt (zie Boer 2010, paragraaf 5.5.2.1)); rechtbank Den Haag 16 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BL3688, NTFR 2010-658, hoger beroep hof Den Haag 3 november 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO6298, V-N 2011/14.11; rechtbank Haarlem 17 december 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BK8106, NTFR 2010-659; hof Amsterdam 31 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0226, V-N 2012/42.1.3, cassatie HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4218, BNB 2013/119; hof Amsterdam 24 oktober 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3994, V-N 2014/17.9; hof Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2188 en rechtbank Den Haag 6 januari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:239. Overigens wordt niet in iedere uitspraak het onderscheid tussen het hebben van een afdwingbaar recht en het hebben van feitelijke beschikkingsmacht heel zuiver gemaakt.
Vooropgesteld zij dat de trustee, aannemend dat deze gezien zijn overige omstandigheden al belastingplichtig zou kunnen zijn voor de Nederlandse inkomstenbelasting, zelf in zijn hoedanigheid van trustee geen enkel economisch belang heeft bij het trustvermogen. Hij houdt dit slechts ten behoeve van de beneficiaries. Het was derhalve niet mogelijk om de trustee, althans in die hoedanigheid, in de heffing van inkomstenbelasting te betrekken. De vraag is vervolgens in hoeverre belastingheffing bij de settlor of bij de beneficiaries mogelijk was.
Voor 2010 waren er mijns inziens twee aanknopingspunten voor het heffen van inkomstenbelasting in geval van betrokkenheid van een trust: een afdwingbare aanspraak met betrekking tot het trustvermogen of een zodanig feitelijke beschikkingsmacht dat het trustvermogen en/of de inkomsten aan de persoon in kwestie toegerekend konden worden.
Voor wat betreft het eerste aanknopingspunt wordt ook wel gesproken van het al dan niet hebben van (meer dan) een blote verwachting. In dat verband kan men zich de vraag stellen of er een categorie, de “meer dan een blote verwachting”, is tussen het slechts hebben van een blote verwachting en het hebben van een afdwingbaar recht. Deze tussencategorie zou er dan op neer komen dat men nog geen daadwerkelijke recht heeft, maar wel iets dat als vermogensrecht kan kwalificeren en als zodanig tot de rendementsgrondslag behoren. Boer onderzoekt deze vraag en concludeert, mijns inziens terecht, dat van een dergelijke tussencategorie geen sprake is. Men heeft een recht en kan ter zake daarvan in de heffing betrokken worden,1 of men heeft dat niet.
Een rechtens afdwingbare aanspraak kan zich daarbij mijns inziens slechts voordoen voor zover een trust fixed is. Bij een discretionary trust zijn er naar de aard van de trust juist geen afdwingbare aanspraken. Uiteraard kan er een moment komen dat de trustee gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid en een afdwingbaar recht toekent aan een beneficiary. In zoverre zijn de discretionaire bevoegdheden van de trustee dan echter uitgewerkt en houdt de trust op om discretionair te zijn.
In geval van een discretionary trust kan zich echter wel de situatie voordoen dat iemand, veelal de settlor, een verregaande feitelijke beschikkingsmacht heeft met betrekking tot het trustvermogen. Met betrekking tot stichtingen is in de jurisprudentie het vermogen en/of de inkomsten van de stichting toegerekend aan iemand die over dit vermogen kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen.2 Op basis van dit criterium kon ook voor trusts betoogd worden dat het vermogen diende te worden toegerekend aan degene die kon beschikken over dit vermogen als ware het zijn eigen vermogen. In de recente jurisprudentie zijn genoeg voorbeelden te vinden van uitspraken waarin op deze basis trustvermogen al dan niet wordt toegerekend, aan de settlor, maar soms ook aan een beneficiary.3 Bij toetsing van de beschikkingsmacht kan men zich ook de vraag stellen welke rol de eventuele revocability van de trust speelt; de mogelijkheid voor de settlor om de trust te herroepen, betekent immers dat hij zich in de positie bevindt dat hij het trustvermogen desgewenst kan terugkrijgen, althans uitgaande van een zuiver potestatieve herroepingsmogelijkheid. Op dit aspect wordt in de context van de APV-regeling nader ingegaan, in paragraaf 14.3.8. Een dergelijke bevoegdheid kan wellicht een indicatie zijn dat inderdaad sprake is van een bepaalde feitelijke beschikkingsmacht van degene die de bevoegdheid heeft.
Tot slot merk ik op dat dit beschikkingsmachtcriterium zich naar zijn aard niet goed leent voor toepassing op fixed trusts. Het bestaan van de aanspraak verdraagt zich slecht met beschikkingsmacht van een ander die het trustvermogen te eigen bate aanwendt. In beginsel zou men althans verwachten dat de rechthebbende van het afdwingbare recht optreedt tegen een wederrechtelijke uitholling van zijn aanspraken.