Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.4
14.4 Schenk- en erfbelasting
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232749:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De APV-regeling werkt niet integraal door in de SW, zoals wel het geval is voor de Wet IB 2001, maar is primair neergelegd in de ficties van artikel 16, 17 en 17a SW. Daarnaast kan via begrippen afkomstig uit de Wet IB 2001, zoals de aanmerkelijkbelangdefinitie die doorwerkt in de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, de APV-regeling indirect gelden binnen de SW. Omdat geen sprake is van een algemene regeling, is de uitkomst echter niet geheel sluitend. Een voorbeeld is artikel 35c lid 4 sub d SW, dat aanknoopt bij het bezitten van 5% van de gewone aandelen om voor de verkrijging van preferente aandelen de bedrijfsopvolgingsfaciliteit te kunnen genieten. Indien de gewone aandelen gehouden worden door een APV kan strikt genomen door de “verkrijgende” erfgenaam niet aan de gestelde eisen voldaan worden, aangezien hij in civielrechtelijke zin geen houder van gewone aandelen is en de toerekening niet doorwerkt naar deze bepaling. Ik verwacht overigens dat de praktische problemen als gevolg van het ontbreken van een integrale doorwerking beperkt zullen zijn, omdat dit zich slechts in vrij specifieke situaties zal voordoen.
De toerekening van het APV-vermogen aan de inbrenger en later diens erfgenamen is ook (nagenoeg1) volledig doorgevoerd in de Successiewet. Hieronder worden de desbetreffende fictiebepalingen met betrekking tot de behandeling van inbreng in het APV, uitkeringen uit het APV en het overlijden van de inbrenger besproken.
14.4.1 Inbreng in het APV14.4.2 Uitkeringen door het APV14.4.3 Overlijden van de inbrenger14.4.4 Mutaties in de groep van begunstigden