Smartengeld
Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/3.4.4.4:3.4.4.4 Kosten ter voorkoming of beperking van ander nadeel dan vermogensschade
Archief
Smartengeld 1998/3.4.4.4
3.4.4.4 Kosten ter voorkoming of beperking van ander nadeel dan vermogensschade
Documentgegevens:
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD72498:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Bloembergen 1965, nr. 143, die geen twijfel mogelijk acht.
Zie over dit aspect ook Bouma 1995, p. 209 en Barendrecht, Kars & Morée 1995, p. 45.
In art. 6:184 is de vergoeding van kosten van schadebeperking wel uitdrukkelijk beperkt tot kosten m.b.t. schade die krachtens de wet voor vergoeding in aanmerking komt.
Zie nader § 5.3.
Een dergelijke vaststelling kan overigens tevens betrekking hebben op eventuele vermogensschade door bijv. arbeidsongeschiktheid.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Krachtens het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 onder a komen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Terecht wordt daarbij geen onderscheid gemaakt russen kosten ter voorkoming of beperking van vermogensschade en ander nadeel. Gemaakte kosten leveren immers als zodanig steeds een vermogensvermindering op, die krachtens artikel 6:96 lid 1 als vermogensschade wordt aangemerkt.1
Wel dient te worden bedacht dat hier in feite dikwijls een transformatie van immateriële schade in vermogensschade plaatsvindt. Men denke aan het eenvoudige voorbeeld van de aanschaf van een pijnstiller. In dit verband speelt vooral de voortgang van de medische wetenschap een belangrijke rol.2 Daardoor nemen de mogelijkheden van herstel van personenschade toe, maar worden ook kosten gemaakt in gevallen waarin dat eerder niet gebeurde.
Ten aanzien van kosten ter beperking van schade vergt artikel 6:96 lid 2 een nadere redelijkheidstoets. Daarbij zal het feit dat het gaat om kosten ter beperking van ander nadeel dan vermogensschade gewicht in de schaal leggen. Het is immers redelijk om, nu vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade aan betrekkelijk strenge beperkingen is onderworpen, kosten ter voorkoming of beperking van die schade ook slechts binnen zekere beperkingen voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Hoewel artikel 6:96 dat niet met zoveel woorden zegt, lijkt het mij dat het maken van kosten met het oog op het voorkomen of beperken van schade die krachtens de wet niet voor vergoeding in aanmerking komt, doorgaans niet redelijk zal zijn in de zin van artikel 6:96.3 Zo zullen (ook geringe) kosten, bijvoorbeeld door de aanschaf van een mooi boek ter afleiding in verband met ergernis door bijvoorbeeld andermans wanprestatie, mijns inziens in redelijkheid niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat in dat geval geen recht op vergoeding van immateriële schade bestaat. Anders ligt dat met bijvoorbeeld kosten van psychiatrische behandeling van iemand die dreigt psychisch 'ziek' te worden, of dat reeds is. Het maken van kosten ter voorkoming of beperking van geestelijk letsel zal veelal redelijk zijn, omdat dergelijk letsel een bron vormt voor de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.4
Het lijkt mij overigens redelijk een dergelijke gedachtegang eveneens te volgen met betrekking tot de expertisekosten en de buitengerechtelijke kosten in de zin van respectievelijk artikel 6:96 lid 2 onder b en c. Ook hier zullen de grenzen aan het recht op vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:95 en 6:106 het redelijkheidsoordeel beïnvloeden. Dat sluit overigens niet geheel uit dat het maken en de omvang van kosten, gemaakt met het oog op niet-vergoed'bare' immateriële schade onder omstandigheden redelijk kan zijn. Zo acht ik kosten van bezoek aan een psychiater in verband met de vaststelling van de ernst van psychische schade die (net) onvoldoende ernstig blijkt om te worden aangemerkt als 'aantasting van de persoon' in de zin van artikel 6:106 onder omstandigheden niettemin redelijk.5 De grenzen van artikel 6:95 en 6:106 zijn in dit verband mijns inziens wel indicatief, maar niet absoluut bepalend voor de bepaling van hetgeen redelijk is.