Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/1.3:1.3 Methodologie
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/1.3
1.3 Methodologie
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS959631:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tjong Tjin Tai en Verbruggen 2022, p. 2.
In hoofdstuk 2 wordt aangegeven waarom ervoor is gekozen om uit te gaan van het motief ‘continuïteit van vermogen’.
Dit wordt ook aangegeven door Oosterhof in zijn dissertatie. Hij bespreekt daar met name een aantal auteurs die zich wel baseren op de inhoud van de administratievoorwaarden en de statuten van de stak, zonder dat sprake is van empirisch onderzoek. Oosterhof 2017, p. 116.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek is gebruikgemaakt van verschillende onderzoeksmethoden. Hieronder wordt per deelvraag beschreven welke onderzoeksmethode is gebruikt.
Het onderzoek start met de vraag welke motieven families hebben om tot beheer van familievermogen over te gaan. In de juridische literatuur komt met enige regelmaat voor dat een bepaald motief aanwezig wordt geacht. Er is niet eerder onderzoek verricht naar welke motieven een rol kunnen spelen bij het beheer van familievermogen. Voor de beantwoording van deze deelvraag is gekozen voor de onderzoeksmethode van empirisch onderzoek door middel van kwalitatieve interviews. De interviews hebben als doel het verkrijgen van een indicatie van de motieven die in de praktijk leiden tot het beheer van familievermogen.
Naast het verkrijgen van een indicatie ten aanzien van de motieven voor beheer, zijn de interviews ook gebruikt om een indicatie te krijgen van de beheerstructuren die in de praktijk voorkomen en eventuele uitvoeringsproblemen die spelen bij een specifieke beheerstructuur. Allereerst is deze informatie bedoeld ter indicatie in hoeverre certificering van vermogen wordt genoemd en welke andere beheerstructuren worden gebruikt. Daarnaast dragen mogelijke uitvoeringsproblemen bij aan het vergaren van kennis over welke elementen een beheerstructuur moet bevatten om geschikt te zijn voor het beheer van familievermogen.
De interviews zijn opgesteld en afgenomen volgens de eisen die in de sociale wetenschappen worden gesteld aan het gebruik van interviews bij kwalitatief onderzoek. Een meer uitgebreide omschrijving van het opzetten van de interviews, de keuze van de geïnterviewden en de wijze waarop de interviews zijn afgenomen, is opgenomen in de inleiding van hoofdstuk 2.
Voor de deelvragen 3, 4 en 5 is gebruikgemaakt van doctrinair rechtswetenschappelijk1 onderzoek door middel van een systematische literatuuranalyse. Allereerst is bekeken binnen welke huidige civielrechtelijke wettelijke kaders een beheerstructuur kan worden opgezet. Daarvoor zijn de bestaande grenzen binnen het civiele recht geanalyseerd.
Daarnaast is onderzocht waarom er in het huidige civiele recht geen regels zijn opgenomen voor beheer in het algemeen. Daarvoor zijn de juridische literatuur en Parlementaire Geschiedenis vanaf de tweede helft van de 20e eeuw systematisch geanalyseerd. De uitkomsten hiervan helpen bij de overwegingen over hoe een beheerstructuur in het huidige recht juridisch ingekleed kan worden. Daarnaast biedt het uitgangspunten voor mogelijk toekomstige wetgeving over beheerstructuren als daar redenen voor aanwezig blijken te zijn.
Vervolgens is de beheerstructuur van certificeren van vermogen omschreven. Binnen het civiele recht bestaat geen definitie van certificeren van vermogen. Het is een beheerstructuur die zich in de praktijk heeft ontwikkeld. Het beschrijven van de rechtsgevolgen van certificering is nodig om te kunnen bepalen in hoeverre deze beheerstructuur gebruikt kan worden voor de motieven die families hebben om tot beheer over te gaan. Het beschrijven van het beheer in het algemeen en certificering van vermogen in het bijzonder zijn te beschouwen als leerstukgericht onderzoek.
Tot slot is certificeren van vermogen als beheerfiguur getoetst aan de elementen die het moet bevatten om gebruikt te kunnen worden als het motief voor beheer ‘continuïteit van vermogen’ is.2 Daarvoor zijn verschillende leerstukken uit het verbintenissenrecht, goederenrecht, ondernemingsrecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht gebruikt. Het onderzoek richt zich hier op toepassing van het recht op de beheerstructuur certificering van vermogen. Naast literatuuronderzoek is bij dit deel van het onderzoek gebruikgemaakt van jurisprudentie-onderzoek. Dat laatste heeft met name plaatsgevonden op onderdelen waarvoor geen literatuur voorhanden was.
In dit deel van het onderzoek komen veel rechtsgebieden en verschillende leerstukken samen. Het is niet mogelijk om ten aanzien van alle relevante rechtsgebieden en leerstukken een uitputtend literatuuronderzoek te verrichten. Dat is een te omvangrijke opgave. Om die reden is gekozen om systematisch literatuuronderzoek te verrichten aan de hand van de verschillende relevante handboeken, dissertaties, preadviezen en de Parlementaire Geschiedenis. Daarbij is de sneeuwbalmethode toegepast voor het verkrijgen van nadere literatuur bij relevante elementen. Pas op het moment dat op specifieke onderdelen geen informatie in de genoemde bronnen kon worden gevonden, is verder gezocht naar literatuur en jurisprudentie in de beschikbare elektronische databases. Voor één onderdeel is wel geprobeerd uitputtend literatuuronderzoek te verrichten. Dit betreft de reacties op de door Meijers voorgestelde regelgeving rondom Titel 3.6 BW en het fiduciaverbod. Er is geprobeerd om de reacties die in de periode tussen 1954 en 1992 zijn verschenen in kaart te brengen. Dit uitputtende literatuuronderzoek is niet eerder uitgevoerd en geeft inzicht in de uiteenlopende ideeën over wetgeving over beheer.
Ten aanzien van de gebruikte jurisprudentie in dit onderzoek wordt nog opgemerkt dat zoveel mogelijk gebruik is gemaakt van jurisprudentie van de Hoge Raad. Op sommige punten ontbreekt het echter aan uitspraken van de Hoge Raad. In dat geval is ook gebruikgemaakt van uitspraken van lagere rechters. Dit is onder andere het geval bij certificaathoudersovereenkomsten.
Certificering van vermogen krijgt inhoudelijk vorm in de administratievoorwaarden en de statuten van de stak. Er is tot op heden nog geen empirisch onderzoek verricht naar de inhoud van deze documenten.3 Om een indruk te krijgen van de inhoud van de statuten van de stak en de administratievoorwaarden zijn voor dit onderzoek een aantal statuten van de stak en administratievoorwaarden opgevraagd bij diverse notariskantoren. Er is specifiek gevraagd om documenten die worden gebruikt bij certificering van aandelen. Dit is gedaan, omdat er in de literatuur de meeste aandacht is voor de certificering van aandelen. Bij het opvragen zijn de volgende randvoorwaarden geschetst:
Het moet gaan om statuten en administratievoorwaarden die ingezet zouden kunnen worden voor een midden- en kleinbedrijf;
Het moet gaan om statuten en administratievoorwaarden die gebruikt kunnen worden bij een familiebedrijf; en
Het moet gaan om statuten en administratievoorwaarden die meer regel dan uitzondering zijn. Oftewel, waarin bepalingen zijn opgenomen die met enige regelmaat worden gebruikt en niet dat ene zeer uitzonderlijke geval dat ooit wellicht aan de orde is geweest.
Bij het opvragen is zoveel mogelijk landelijk te werk gegaan, door in elke provincie notariskantoren te benaderen. Er zijn zowel bij kleinere als grotere notariskantoren stukken opgevraagd. Voor het overige zijn de kantoren willekeurig gekozen. In totaal zijn er vijftien sets van statuten van de stak en administratievoorwaarden verkregen. Alle statuten en administratievoorwaarden zijn in dezelfde lay-out gezet en genummerd, zodat een specifieke akte niet meer te herleiden is naar een specifiek kantoor.
Deze dataset heeft niet tot doel om algemene conclusies te trekken ten aanzien van de inhoud van statuten van de stak en administratievoorwaarden. Wel zal hier en daar in het onderzoek geciteerd worden uit de statuten en/of de administratievoorwaarden om te laten zien hoe bepaalde leerstukken zijn uitgewerkt in de statuten van de stak of de administratievoorwaarden.