NJB 2024/2141:Benadeelde partij in een strafzaak. In een strafzaak beperkt de politierechter de benadeelde partij ten onrechte in haar spreekrecht door haar te beletten in te gaan op de bewijsvraag. De verdachte wordt vrijgesproken. De benadeelde partij verlangt dat de officier van justitie hoger beroep instelt opdat de benadeelde bij het uitoefenen van haar spreekrecht in hoger beroep alsnog kan ingaan op de bewijsvraag. De officier van justitie weigert. De benadeelde partij begint een civiel kort geding. Hoge Raad: 1. Spreekrecht en bewijs. Een verklaring die het slachtoffer op grond van art. 51e lid 2 Sv op de terechtzitting aflegt, kan niet worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde. 2. Vervolgingsmonopolie. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de beslissing van het openbaar ministerie om geen hoger beroep in te stellen niet valt binnen de beleidsruimte van het openbaar ministerie en in redelijkheid niet navolgbaar is. Dat oordeel is niet begrijpelijk, nu die beslissing berustte op het oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden was en het hof niet heeft vastgesteld dat dit oordeel onjuist of achterhaald was.