Rechtbank Den Haag 4 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6723.
HR, 11-10-2024, nr. 23/03362
ECLI:NL:HR:2024:1418
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-10-2024
- Zaaknummer
23/03362
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1418, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:745
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1220
ECLI:NL:PHR:2024:745, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1418
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑08‑2023
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2024-0482
NJ 2025/86 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 11‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Strafvordering. Slachtoffer van strafbaar feit vordert in civiel kort geding dat openbaar ministerie wordt gelast hoger beroep in strafzaak in te stellen. Beleidsruimte van het openbaar ministerie. Betekenis van spreekrecht van slachtoffer voor bewezenverklaring van ten laste gelegde feiten.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03362
Datum 11 oktober 2024
ARREST
In de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster] ,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/631373 / KG ZA 22-571 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 juli 2022;
b. het arrest in de zaak 200.314.170/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 juli 2023.
De Staat heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Staat mede door J. Perenboom.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
De advocaten van [verweerster] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerster] heeft een gespannen relatie met haar buurman. Eind april 2020 heeft zij tegen hem aangifte gedaan van belediging en van bedreiging in de periode 1 augustus 2019 tot en met 28 april 2020. Deze zaak is voorwaardelijk geseponeerd. Nadien heeft [verweerster] opnieuw aangifte gedaan van bedreiging door haar buurman in de periode van 1 december 2020 tot en met 28 januari 2021.
(ii) Het openbaar ministerie heeft de buurman vervolgens gedagvaard, waarbij hem de hiervoor onder (i) genoemde feiten ten laste zijn gelegd. [verweerster] heeft zich in de strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en te kennen gegeven dat zij gebruik wil maken van het haar als slachtoffer toekomende spreekrecht. De dag voor de behandeling van de strafzaak heeft de officier van justitie met [verweerster] een telefoongesprek gehad. Tijdens dat gesprek heeft de officier van justitie niet meegedeeld dat zij op de zitting van de volgende dag mogelijk tot vrijspraak zou rekwireren.
(iii) Ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg waren aanwezig: de buurman (als verdachte) en zijn raadsman, [verweerster] , haar dochter en haar advocaat, en de op verzoek van de verdediging als getuige opgeroepen (andere) buurman (hierna: de getuige).
(iv) Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de getuige verklaard dat hij de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd, heeft ingetrokken en ter zitting niet als getuige wenst te verklaren.
(v) De politierechter heeft de dochter van [verweerster] in de gelegenheid gesteld om namens haar moeder het spreekrecht uit te oefenen. In het proces-verbaal van de zitting is daarover te lezen:
“Ik spreek namens mijn moeder. Bij het eerste feit ben ik niet aanwezig geweest. Ik ben wel na de gebeurtenis naar het huis van [de getuige] toegegaan en ik heb mijn moeder daar aangetroffen. Ik kijk naar wat er allemaal gebeurd is, wat er gezegd is en wat er op de videobeelden te zien is. De politierechter merkt op dat de bewijsvraag op het bord van de officier van justitie, de raadsman en uiteindelijk de politierechter ligt. De dochter van het slachtoffer voert aan dat zij meent dat zij onbeperkt spreekrecht heeft. De politierechter verzoekt de dochter van het slachtoffer zich te beperken tot de impact van de tenlastegelegde feiten op haar moeder. Daarop vervolgt de dochter van het slachtoffer: dan
zal ik het anders formuleren. Er wordt door [de buurman] inbreuk gemaakt op mijn moeders persoonlijke vrijheid. Zij vreest elke dag en op elk moment van de dag dat hij zijn bedreigingen uitvoert. Hij vertoont zo een intimiderend gedrag als ik in de straat kom en mijn moeder thuis opzoek. Mijn moeder is heel bang en zij ondergaat hier EMDR-therapie voor. De vrouw die hier zit, die uitgescholden en beledigd wordt door [de buurman], is wel mijn moeder.”
(vi) De officier van justitie heeft vervolgens gerekwireerd tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Na de sluiting van het onderzoek heeft de politierechter direct mondeling uitspraak gedaan en de buurman vrijgesproken. [verweerster] is als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.
(vii) De advocaat van [verweerster] heeft aan de officier van justitie een e-mail gestuurd waarin hij aandacht heeft gevraagd voor het feit dat sinds 1 juli 2016 voor slachtoffers een onbeperkt spreekrecht geldt en dat de beperkingen die vóór die datum golden, daarmee zijn opgeheven. Met name is het sedertdien mogelijk voor slachtoffers om ook te spreken over de mogelijke bewezenverklaring, het strafbare feit, de schuld van de verdachte en de straf, aldus de advocaat van [verweerster] . In zijn e-mail wijst de advocaat van [verweerster] erop dat de wetgever met de nieuwe regeling de positie van het slachtoffer in het strafproces heeft willen versterken. De advocaat van [verweerster] schrijft in zijn e-mail vervolgens:
“Het openbaar ministerie dient de belangen van de maatschappij en in het bijzonder het slachtoffer te waarborgen. De rechten van het slachtoffer in het strafproces dienen door de officier van justitie te worden bewaakt en de officier van justitie dient op te komen voor de belangen van het slachtoffer.
Een dag voor de zitting heeft het slachtoffer, de dochter van het slachtoffer en ondergetekende een telefonisch gesprek gehad. Tijdens het gesprek heeft de officier van justitie zich niet expliciet uitgelaten over de strafeis, maar ook niet gezegd dat zij zou rekwireren tot een integrale vrijspraak.
Tijdens de zitting voelde het slachtoffer zich totaal niet gesteund door de officier van justitie, waarbij zij ook niet heeft kunnen gebruikmaken van een fundamenteel recht, namelijk het onbeperkt spreekrecht. Zij voelt zich in de steek gelaten. Daarmee is het slachtoffer gepasseerd en heeft zij niets kunnen zeggen over de mogelijke bewezenverklaring, de strafbare feiten, de schuld van de verdachte en de straf. Er is geen sprake geweest van een rechtvaardige strafzitting.
(...)
Ik hoop dat u de belangen en rechten van het slachtoffer alsnog wilt waarborgen door onmiddellijk hoger beroep in te stellen, zodat het slachtoffer haar rechten volwaardig kan uitoefenen in hoger beroep. Of de advocaat-generaal eveneens tot vrijspraak zal rekwireren is in deze niet relevant. Het belangrijkste is een rechtvaardig strafproces waarbij het slachtoffer niet worden gepasseerd, maar juist dat de rechten van het slachtoffer serieus worden genomen en worden gewaarborgd.”
(viii) De officier van justitie heeft daarop onder meer geantwoord:
“Bedankt voor uw uitgebreide mail. Het is vervelend om te lezen dat uw cliënt zich in de steek gelaten voelt. Echter is het de taak van het Openbaar Ministerie om het dossier te beoordelen en uiteindelijk na de behandeling op zitting een standpunt in te nemen met betrekking tot het bewijs. Alles overwegende ben ik afgelopen dinsdag tot een integrale vrijspraak gekomen en dit heb ik ook onderbouwd.
De mening dat uw cliënt onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van het spreekrecht deel ik niet. De politierechter heeft ruimte gegeven om de slachtofferverklaring voor te lezen aan de dochter van uw cliënt. Er is door zowel het OM als de Politierechter duidelijk uitgelegd waarom de eis van het OM en het vonnis van de Politierechter een vrijspraak betrof.
Wellicht is het aan uw aandacht ontsnapt maar zowel het OM als de verdediging heeft op de zitting afstand gedaan van hoger beroep. Daarmee is de zaak onherroepelijk geworden.”
(ix) In zijn reactie aan de officier van justitie schrijft de advocaat van [verweerster] dat hij telefonisch contact heeft gehad met de griffier en dat deze hem meermaals heeft bevestigd dat de officier van justitie geen afstand heeft gedaan van hoger beroep en dat de zaak dus, anders dan de officier van justitie meent, nog niet onherroepelijk is. Voorts benadrukt de advocaat van [verweerster] dat zijn cliënte, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft geschreven, geen gebruik heeft mogen maken van het haar toekomende onbeperkte spreekrecht. De advocaat van [verweerster] verzoekt de officier van justitie opnieuw om op te komen voor de rechten van het slachtoffer en daarom hoger beroep in te stellen. De officier van justitie heeft dezelfde dag daarop afwijzend gereageerd met de enkele mededeling per e-mail dat zij niet van haar eerdere standpunt afweek.
(x) Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de officier van justitie ter zitting afstand heeft gedaan van hoger beroep.
2.2
In dit kort geding vordert [verweerster] dat de Staat wordt veroordeeld om (1) tijdig hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter – dat wil zeggen uiterlijk op 5 juli 2022 – en (2) tijdig een schriftuur houdende grieven in te dienen.
Aan haar vordering heeft [verweerster] ten grondslag gelegd, voor zover in cassatie van belang, dat zij als slachtoffer op grond van art. 51e lid 2 Sv onbeperkt spreekrecht heeft, en dat zij ten onrechte in dit recht is beperkt. Aangezien het openbaar ministerie mede de rechten van het slachtoffer dient te waarborgen, handelt het openbaar ministerie onrechtmatig door af te zien van hoger beroep. Daarmee wordt [verweerster] de mogelijkheid ontnomen om alsnog gebruik te maken van de haar toekomende rechten en aldus haar visie aan de rechter kenbaar te maken ten aanzien van de feiten, het bewijs en de strafbaarheid van de verdachte, zo voert [verweerster] aan.
2.3
De voorzieningenrechter1.heeft vordering (1) toegewezen en vordering (2) afgewezen.
2.4
Het openbaar ministerie heeft op 5 juli 2022 hoger beroep ingesteld in de strafzaak.
2.5
In de daaropvolgende week heeft het openbaar ministerie intern overleg gevoerd over de vraag of het hoger beroep zou moeten worden doorgezet dan wel ingetrokken. In dat kader heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie en de advocaat van [verweerster] .
2.6
Op 14 juli 2022 heeft het openbaar ministerie de beslissing genomen om het ingestelde hoger beroep alsnog in te trekken en dus geen schriftuur met grieven in te dienen. De advocaat van [verweerster] is van deze beslissing in kennis gesteld. In haar brief schrijft de officier van justitie, voor zover in cassatie van belang, dat voor de strafbare feiten die ten laste gelegd zijn, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een veroordeling en dat de omstandigheid dat [verweerster] geen onbeperkt gebruik heeft kunnen maken van haar spreekrecht, geen belang is dat het openbaar ministerie zich kan aantrekken ten behoeve van het instellen van hoger beroep.
2.7.1
[verweerster] heeft de Staat daarop opnieuw in kort geding gedagvaard. Inzet van dat kort geding was, kort gezegd, (1) dat het de Staat zou worden verboden om het hoger beroep in te trekken, en (2) dat de Staat zou worden geboden om ten minste twee grieven in te dienen in de strafzaak.
2.7.2
De hiervoor in 2.7.1 vermelde vorderingen zijn afgewezen bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag.2.
2.7.3
Het gerechtshof Den Haag3.heeft het hiervoor in 2.7.2 vermelde vonnis bekrachtigd.
2.8
Het openbaar ministerie heeft het hoger beroep in de strafzaak vervolgens ingetrokken.
2.9
Op uitnodiging van het openbaar ministerie heeft eind juli 2022 een gesprek plaatsgevonden met [verweerster] over de wijze waarop is omgegaan met haar spreekrecht.
2.10.1
Het hof4.heeft het hiervoor in 2.3 vermelde vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
2.10.2
Het hof heeft het volgende vooropgesteld:
“6.1 Nu de Staat overeenkomstig zijn veroordeling in het bestreden vonnis (…) hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak tegen de buurman van [verweerster] , dat hoger beroep vervolgens weer heeft ingetrokken en op dat punt door de voorzieningenrechter zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk is gesteld (…), staat tussen partijen vast dat de Staat alleen nog belang heeft bij vernietiging van het bestreden vonnis (…) vanwege de daarin neergelegde proceskostenveroordeling.
6.2
Ter beoordeling van de vraag of de Staat terecht is veroordeeld in de kosten van het kort geding in eerste aanleg dient het hof te onderzoeken of de vordering van [verweerster] die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht (gedeeltelijk) is toegewezen, met inachtneming van het in appel tussen partijen gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van dit hoger beroep.
6.3
Geen van partijen heeft geklaagd over het door de voorzieningenrechter gehanteerde toetsingskader, voor zover zij daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het openbaar ministerie, gezien zijn plaats en taak in het Nederlandse rechtsbestel en het hem toekomende vervolgingsmonopolie, een grote mate van beleidsruimte geniet en dat afwegingen die het openbaar ministerie maakt in het kader van zijn beslissing om tegen een strafvonnis al dan niet hoger beroep in te stellen in beginsel moeten worden gerespecteerd. De wet voorziet niet in (voorafgaand) rechterlijk toezicht van de burgerlijke rechter op de wijze waarop het openbaar ministerie tot zijn beslissing is gekomen, aldus de voorzieningenrechter. Evenmin zijn partijen opgekomen tegen de overweging dat hoogstens aanleiding kan bestaan tot ingrijpen van de burgerlijke rechter (door middel van een gebod of verbod) indien keuzes die het openbaar ministerie maakt in redelijkheid niet navolgbaar zijn.”
2.10.3
Vervolgens heeft het hof onderzocht of in dit geval grond bestaat om een uitzondering te maken op het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie. Het hof heeft dat onderzoek verricht aan de hand van de door [verweerster] aangevoerde omstandigheden. (rov. 6.5)
Het hof heeft onder meer overwogen dat de door de politierechter tijdens de zitting aan [verweerster] opgelegde beperking van het spreekrecht niet in overeenstemming is met art. 51e lid 2 Sv (rov. 6.11), en dat niet valt uit te sluiten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden en dat het gerechtshof tot een ander oordeel kan komen dan de politierechter. (rov. 6.12)
Voorts heeft het hof erop gewezen dat de wetgever ervoor heeft gekozen dat het slachtoffer geen partij wordt in het strafproces, maar slechts deelnemer, en niet in hoger beroep kan komen van het strafvonnis van de rechtbank, waardoor het slachtoffer wat een hoger beroep betreft afhankelijk is van de officier van justitie. (rov. 6.13) De officier van justitie moet zich bij zijn beslissing om al dan niet in hoger beroep te komen mede het belang van het slachtoffer aantrekken. (rov. 6.14)
Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de inhoud van het spreekrecht – dat volgens het hof mede het recht omvat om bewijselementen aan te voeren – volgt dat het niet alleen bedoeld is om het slachtoffer in staat te stellen de verdachte te confronteren met de gevolgen die het ten laste gelegde feit bij hem teweeg heeft gebracht, maar evenzeer om de beslissing van de strafrechter te beïnvloeden. De enige die ervoor kan zorgen dat de beslissing van de strafrechter op dat punt in hoger beroep kan worden heroverwogen, is de officier van justitie. (rov. 6.16)
Gelet op een en ander was volgens het hof ten tijde van de zitting in eerste aanleg sprake van een zodanig uitzonderlijke situatie dat een in tijd en reikwijdte beperkt ingrijpen van de voorzieningenrechter in de bij de officier van justitie bestaande beslissingsruimte om al dan niet hoger beroep in te stellen tegen de vrijspraak, was gerechtvaardigd, temeer nu de voorzieningenrechter zich ten tijde van het kort geding tevens gesteld zag voor de moeilijkheid dat de termijn waarbinnen dat hoger beroep kon worden ingesteld, één dag na de mondelinge behandeling zou verstrijken. De specifieke omstandigheden van het geval maken volgens het hof de keuze van het openbaar ministerie om geen hoger beroep in te stellen in redelijkheid niet navolgbaar. (rov. 6.17)
Naar het oordeel van het hof is [verweerster] de mogelijkheid ontnomen om binnen de kaders van het Nederlandse strafrechtstelsel invloed uit te oefenen op de uitkomst van het strafgeding dat was ingesteld naar aanleiding van haar aangiftes, wat indruist tegen de rechten die [verweerster] als slachtoffer toekomen. (rov. 6.18)
Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de Staat de kosten van het kort geding in eerste aanleg nodeloos heeft veroorzaakt, nu de door de officier van justitie aanvankelijk gegeven motivering om geen hoger beroep in te stellen, was gebaseerd op onjuiste veronderstellingen en de officier van justitie vervolgens heeft geweigerd een nadere toelichting te verstrekken nadat de advocaat van [verweerster] haar beleefd en onderbouwd op de onjuistheid van de gegeven motivering had gewezen. (rov. 6.21)
3. Beoordeling van het middel
3.1
De onderdelen 1.1-1.4 van het middel nemen het door het hof (in rov. 6.3 van het bestreden arrest; zie hiervoor in 2.10.2) vooropgestelde toetsingskader tot uitgangspunt en klagen dat de toepassing door het hof van dit op zichzelf juist weergegeven toetsingskader in diverse opzichten getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet naar behoren is gemotiveerd.
3.2.1
Onderdeel 1.1 onder (a) keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.16) dat het spreekrecht van het slachtoffer mede het recht inhoudt om bewijselementen aan te voeren, waartoe het hof verwijst naar art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn.5.Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, gelet op de wijze waarop art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn is geïmplementeerd.
3.2.2
Deze klacht slaagt. De mogelijkheid om bewijselementen aan te voeren is in Nederland voorzien in art. 51b lid 2 Sv. Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken documenten die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen.6.Een verklaring die het slachtoffer op grond van art. 51e lid 2 Sv op de terechtzitting aflegt, kan daarentegen niet worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde.7.Het hof heeft dit miskend.
3.3.1
Onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onvoldoende terughoudende toetsing van de beslissing van het openbaar ministerie om geen hoger beroep in de strafzaak in te stellen.
3.3.2
Ook deze klacht treft doel. Volgens het door het hof geschetste toepasselijke toetsingskader (zie hiervoor in 3.1) geniet het openbaar ministerie – gezien zijn plaats en taak in het Nederlandse rechtsbestel en het hem toekomende vervolgingsmonopolie – een grote mate van beleidsruimte en kan de burgerlijke rechter slechts ingrijpen indien keuzes die het openbaar ministerie maakt, in redelijkheid niet navolgbaar zijn. Het oordeel van het hof (in rov. 6.17) komt erop neer dat de beslissing van het openbaar ministerie om geen hoger beroep in de strafzaak in te stellen niet valt binnen de beleidsruimte van het openbaar ministerie en in redelijkheid niet navolgbaar is. Dat oordeel is niet begrijpelijk, nu die beslissing berustte op het oordeel van het openbaar ministerie dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden was om tot een bewezenverklaring te komen (zie hiervoor in 2.2 onder (viii) en 2.6), en het hof niet heeft vastgesteld dat dit oordeel van het openbaar ministerie over het onvoldoende bewijs onjuist of achterhaald was.
3.4
De klacht van onderdeel 1.4 slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.25. De klachten van onderdeel 2, die zich richten tegen het oordeel van het hof dat de Staat de proceskosten nodeloos heeft veroorzaakt, slagen in het voetspoor hiervan.
3.5
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
3.6
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.2 vermelde vorderingen van [verweerster] alsnog moeten worden afgewezen. Niet kan worden gezegd dat de beslissing van het openbaar ministerie om in de hiervoor in 2.1 onder (ii)-(vi) bedoelde strafzaak geen hoger beroep in te stellen, niet valt binnen de beleidsruimte van het openbaar ministerie en – in het licht van de vaststaande feiten en omstandigheden – in redelijkheid niet navolgbaar is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 juli 2023;
- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 4 juli 2022;
- wijst de vorderingen van [verweerster] af;
- veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot:
- in eerste aanleg op € 1.144,--;
- in hoger beroep op € 4.459,43;
- in cassatie op € 986,14 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, T. Kooijmans en T.B. Trotman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 11 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑10‑2024
Rechtbank Den Haag 18 juli 2022: ECLI:NL:RBDHA:2022:7389.
Gerechtshof Den Haag 21 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1375.
Gerechtshof Den Haag 4 juli 2023: ECLI:NL:GHDHA:2023:1220.
Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ, PbEU 2012, L 315/57.
HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2359, rov. 2.3; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, rov. 3.6.1; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1695, rov. 2.6.
Conclusie 12‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Overheidsprivaatrecht. Strafrecht. Procesrecht. Vordering tegen Staat (officier van justitie) tot instellen hoger beroep in strafzaak, opdat slachtoffer alsnog onbeperkt van haar spreekrecht gebruik kan maken. Vervolgingsmonopolie openbaar ministerie. Functie spreekrecht. Nodeloos veroorzaakte proceskosten door laattijdige mededeling van standpunt?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03362
Zitting 12 juli 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
eiser tot cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland
tegen
[verweerster] ,
verweerster in cassatie,
advocaat: J.H.M. van Swaaij
Partijen worden hierna aangeduid als de Staat en [verweerster] .
1. Inleiding
[verweerster] vordert in dit kort geding een bevel aan de Staat (de officier van justitie) om hoger beroep in te stellen in een strafzaak waarin de verdachte is vrijgesproken en zij als slachtoffer gebruik heeft gemaakt van haar wettelijk spreekrecht. De politierechter heeft haar ter zitting in eerste aanleg ten onrechte beperkt in de uitoefening van dat recht en in een hoger beroep wilde zij alsnog onbeperkt van dat recht gebruikmaken. De officier heeft geweigerd om hoger beroep in te stellen omdat er volgens haar onvoldoende bewijs is voor een veroordeling. De voorzieningenrechter heeft de vordering tegen de Staat toegewezen en het hof heeft die beslissing bekrachtigd. In een eerder geëindigd tweede kort geding is een vordering van [verweerster] afgewezen om de Staat te verbieden het hoger beroep dat is ingesteld op grond van het vonnis van de voorzieningenrechter in dit kort geding, weer in te trekken. Het hoger beroep in de strafzaak is dus niet doorgezet. De beslissing van het hof in dit kort geding ziet dan ook alleen op de juistheid van de daarin in eerste aanleg gegeven beslissing.
2. Feiten en procesverloop
Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [verweerster] heeft een gespannen relatie met haar [buurman] (hierna: de buurman). Op 28 april 2020 heeft zij tegen hem aangifte gedaan van belediging en van bedreiging in de periode 1 augustus 2019 tot en met 28 april 2020. Deze zaak is voorwaardelijk geseponeerd. Nadien heeft [verweerster] opnieuw aangifte gedaan van bedreiging door de buurman, betreffende de periode van 1 december 2020 tot en met 28 januari 2021.
(ii) Het openbaar ministerie heeft de buurman vervolgens gedagvaard, waarbij hem genoemde drie feiten ten laste zijn gelegd. [verweerster] heeft zich in de strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en aangegeven dat zij gebruik wenst te maken van het haar als slachtoffer toekomende spreekrecht. Op 20 juni 2023, de dag voor de behandeling van de strafzaak, heeft de officier van justitie met [verweerster] een telefoongesprek gehad. Tijdens dat gesprek heeft de officier van justitie niet meegedeeld dat zij op de zitting van de volgende dag mogelijk tot vrijspraak zou rekwireren.
(iii) Op 21 juni 2022 is de zaak behandeld ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Limburg. Naast de buurman (als verdachte) en zijn raadsman waren [verweerster] , haar dochter, haar raadsman en de op verzoek van de verdediging als getuige opgeroepen (andere) buurman [de getuige] aanwezig (hierna: de getuige).
(iv) Nadat de officier van justitie de zaken had voorgedragen en de verdachte een verklaring had afgelegd heeft de politierechter de getuige binnengeroepen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de getuige verklaard dat hij de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd, heeft ingetrokken en ter zitting niet als getuige wenst te verklaren. Daarna heeft de politierechter, met toestemming van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, de getuige medegedeeld dat zijn tegenwoordigheid niet meer werd vereist, en heeft de getuige de zittingszaal verlaten.
(v) Nadat de verdachte een nadere verklaring had afgelegd heeft de politierechter de dochter van [verweerster] in de gelegenheid gesteld om namens haar moeder het spreekrecht uit te oefenen. In het proces-verbaal van de zitting is daarover te lezen:
“Ik spreek namens mijn moeder. Bij het eerste feit ben ik niet aanwezig geweest. Ik ben wel na de gebeurtenis naar het huis van [de getuige] toegegaan en ik heb mijn moeder daar aangetroffen. Ik kijk naar wat er allemaal gebeurd is, wat er gezegd is en wat er op de videobeelden te zien is. De politierechter merkt op dat de bewijsvraag op het bord van de officier van justitie, de raadsman en uiteindelijk de politierechter ligt. De dochter van het slachtoffer voert aan dat zij meent dat zij onbeperkt spreekrecht heeft. De politierechter verzoekt de dochter van het slachtoffer zich te beperken tot de impact van de tenlastegelegde feiten op haar moeder. Daarop vervolgt de dochter van het slachtoffer: dan zal ik het anders formuleren. Er wordt door [de buurman] inbreuk gemaakt op mijn moeders persoonlijke vrijheid. Zij vreest elke dag en op elk moment van de dag dat hij zijn bedreigingen uitvoert. Hij vertoont zo een intimiderend gedrag als ik in de straat kom en mijn moeder thuis opzoek. Mijn moeder is heel bang en zij ondergaat hier EMDR-therapie voor. De vrouw die hier zit, die uitgescholden en beledigd wordt door [de buurman], is wel mijn moeder.”
(vi) De officier van justitie heeft vervolgens gerekwireerd tot vrijspraak van de drie ten laste gelegde feiten. Na de sluiting van het onderzoek heeft de politierechter direct mondeling uitspraak gedaan en de buurman vrijgesproken. [verweerster] is als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.
(vii) Bij e-mail van 22 juni 2022 heeft de raadsman van [verweerster] aan de griffier van de rechtbank verzocht om toezending van een kopie van het proces-verbaal van de zitting. Op dezelfde dag heeft de raadsman van [verweerster] aan de officier van justitie een e-mail gestuurd waarin hij aandacht heeft gevraagd voor het feit dat sinds 1 juli 2016 voor slachtoffers een onbeperkt spreekrecht geldt en dat de beperkingen die vóór die datum golden daarmee zijn opgeheven. Met name is het sedertdien mogelijk voor slachtoffers om ook te spreken over de mogelijke bewezenverklaring, het strafbare feit, de schuld van de verdachte en de straf, aldus de raadsman van [verweerster] . In zijn e-mail wijst de raadsman van [verweerster] erop dat de wetgever met de nieuwe regeling de positie van het slachtoffer in het strafproces heeft willen versterken. De raadsman van [verweerster] schrijft in zijn e-mail vervolgens:
“Het openbaar ministerie dient de belangen van de maatschappij en in het bijzonder het slachtoffer te waarborgen. De rechten van het slachtoffer in het strafproces dienen door de officier van justitie te worden bewaakt en de officier van justitie dient op te komen voor de belangen van het slachtoffer.
Een dag voor de zitting heeft het slachtoffer, de dochter van het slachtoffer en ondergetekende een telefonisch gesprek gehad. Tijdens het gesprek heeft de officier van justitie zich niet expliciet uitgelaten over de strafeis, maar ook niet gezegd dat zij zou rekwireren tot een integrale vrijspraak.
Tijdens de zitting voelde het slachtoffer zich totaal niet gesteund door de officier van justitie, waarbij zij ook niet heeft kunnen gebruikmaken van een fundamenteel recht, namelijk het onbeperkt spreekrecht. Zij voelt zich in de steek gelaten. Daarmee is het slachtoffer gepasseerd en heeft zij niets kunnen zeggen over de mogelijke bewezenverklaring, de strafbare feiten, de schuld van de verdachte en de straf. Er is geen sprake geweest van een rechtvaardige strafzitting.
(...)
Ik hoop dat u de belangen en rechten van het slachtoffer alsnog wilt waarborgen door onmiddellijk hoger beroep in te stellen, zodat het slachtoffer haar rechten volwaardig kan uitoefenen in hoger beroep. Of de advocaat-generaal eveneens tot vrijspraak zal rekwireren is in deze niet relevant. Het belangrijkste is een rechtvaardig strafproces waarbij het slachtoffer niet worden gepasseerd, maar juist dat de rechten van het slachtoffer serieus worden genomen en worden gewaarborgd.”
(viii) Bij e-mail van 23 juni 2022 heeft de officier van justitie daarop onder meer geantwoord:
“Bedankt voor uw uitgebreide mail. Het is vervelend om te lezen dat uw cliënt zich in de steek gelaten voelt. Echter is het de taak van het Openbaar Ministerie om het dossier te beoordelen en uiteindelijk na de behandeling op zitting een standpunt in te nemen met betrekking tot het bewijs. Alles overwegende ben ik afgelopen dinsdag tot een integrale vrijspraak gekomen en dit heb ik ook onderbouwd.
De mening dat uw cliënt onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van het spreekrecht deel ik niet. De politierechter heeft ruimte gegeven om de slachtofferverklaring voor te lezen aan de dochter van uw cliënt. Er is door zowel het OM als de Politierechter duidelijk uitgelegd waarom de eis van het OM en het vonnis van de Politierechter een vrijspraak betrof.
Wellicht is het aan uw aandacht ontsnapt maar zowel het OM als de verdediging heeft op de zitting afstand gedaan van hoger beroep. Daarmee is de zaak onherroepelijk geworden.”2.
(ix) In zijn reactie van 24 juni 2022 aan de officier van justitie schrijft de raadsman van [verweerster] dat hij telefonisch contact heeft gehad met de griffier en dat deze hem meermaals heeft bevestigd dat de officier van justitie geen afstand heeft gedaan van hoger beroep en dat de zaak dus, anders dan de officier van justitie meent, nog niet onherroepelijk is. In zijn e-mail benadrukt de raadsman van [verweerster] voorts dat zijn cliënte, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft geschreven, geen gebruik heeft mogen maken van het haar toekomende onbeperkte spreekrecht. De raadsman van [verweerster] verzoekt de officier van justitie daarom opnieuw om op te komen voor de rechten van het slachtoffer en daarom hoger beroep in te stellen. De officier van justitie heeft dezelfde dag daarop afwijzend gereageerd met de enkele mededeling per e-mail dat zij niet van haar eerdere standpunt afweek.
(x) Op 30 juni 2022 heeft de raadsman van [verweerster] het proces-verbaal ontvangen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de officier van justitie ter zitting geen afstand heeft gedaan van hoger beroep.
Vordering; oordeel voorzieningenrechter
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 29 juni 2022 heeft [verweerster] de Staat in kort geding gedagvaard voor de Rechtbank Den Haag en gevorderd dat de Staat wordt veroordeeld om (1) tijdig hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de politierechter – dat wil zeggen uiterlijk op 5 juli 2022 – en (2) tijdig een schriftuur houdende grieven in te dienen. Aan haar vordering heeft zij, voor zover in cassatie nog van belang, ten grondslag gelegd dat zij als slachtoffer op grond van art. 51e lid 2 Sv onbeperkt spreekrecht heeft, en dat zij ten onrechte in dit recht is beperkt. Aangezien het openbaar ministerie mede de rechten van het slachtoffer dient te waarborgen, handelt het openbaar ministerie onrechtmatig door af te zien van hoger beroep. Daarmee wordt [verweerster] de mogelijkheid ontnomen om alsnog gebruik te maken van de haar toekomende rechten en aldus haar visie aan de politierechter kenbaar te maken ten aanzien van de feiten, het bewijs en de strafbaarheid van de verdachte.3.
2.3
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 juli 2022 vordering (1) toegewezen en vordering (2) afgewezen.4.De voorzieningenrechter heeft als volgt overwogen:
“4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat sinds 1 juli 2016 artikel 51 Sv het spreekrecht van een benadeelde partij in een strafproces als het onderhavige niet, zoals daarvoor, is beperkt tot een verklaring over de gevolgen die zijn ondervonden als gevolg van het feit waarvoor de verdachte is aangeklaagd. Dit betekent dat ook zaken als bewijsvoering en strafmaat onderwerp van de inbreng van de benadeelde partij kunnen zijn.
4.2.
De Staat heeft erkend dat dit recht tijdens de terechtzitting van de politierechter ten onrechte is beperkt. Daarbij heeft de Staat er echter tevens op gewezen dat het OM een grote mate van beleidsvrijheid toekomt als het gaat om de vraag of hoger beroep dient te worden ingesteld, en dat de wijze waarop van deze beleidsvrijheid gebruik wordt gemaakt slechts marginaal kan worden getoetst. Gelet op de door het OM gevorderde vrijspraak en het belang van de verdachte, dat het OM mede in haar overwegingen dient te betrekken, en in aanmerking genomen dat na de zitting geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, kan het afzien van hoger beroep niet als evident onjuist gebruik van de aan het OM toekomende beleidsvrijheid worden beschouwd, aldus de Staat.
(…)
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, gezien de plaats en de taak van het OM in het Nederlandse rechtsbestel en het vervolgingsmonopolie van het OM, het OM een grote mate van beleidsvrijheid geniet. De wet voorziet niet in (voorafgaand) rechterlijk toezicht door de burgerlijke rechter op de wijze waarop het OM beslist tot het instellen dan wel afzien van hoger beroep. Afwegingen die het OM daarbij maakt zullen dan ook in beginsel moeten worden gerespecteerd. Voor de voorzieningenrechter bestaat hoogstens aanleiding tot ingrijpen (door het geven van een gebod of verbod) indien keuzes die het OM maakt in redelijkheid niet navolgbaar zijn, althans niet begrijpelijk zijn gemotiveerd.
4.5.
In het hier aan de orde zijnde geval doet die uitzonderlijke situatie zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor. Er kan namelijk, gelet op de onder 2.6 weergegeven motivering van het afzien van hoger beroep [zie hiervoor in deze conclusie in 2.1 onder (viii)], gerede twijfel bestaan over de door het OM ter zake gemaakte afweging. In die motivering wordt immers gesteld dat er geen beperking van het spreekrecht van de benadeelde heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel is terug te lezen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Ook wordt het afzien van hoger beroep gemotiveerd met de stelling dat het OM ter zitting reeds afstand van dat recht heeft gedaan, terwijl daarvan uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt.
4.6.
Nu daarmee vast staat dat sprake is van een beslissing van het OM die is gebaseerd op evident onjuiste feitelijke gronden, is daarmee tevens sprake van een besluit dat in redelijkheid niet navolgbaar is. De stelling van de Staat dat ook een afweging die zou zijn gebaseerd op juiste feitelijke gronden tot de conclusie zou hebben geleid dat moet worden afgezien van het instellen van hoger beroep volgt de voorzieningenrechter voorshands niet. (…)
4.7.
Met het voorgaande is niet gezegd dat een afweging op juiste gronden in alle gevallen zal moeten leiden tot het instellen van hoger beroep. Gelet op de fatale termijn voor het instellen van appel zal de voorzieningenrechter, ter zekerstelling van de rechten van [eiseres] , de vordering echter toch toewijzen. Het OM kan, desgewenst na verder overleg met [eiseres] , een nadere inhoudelijke afweging maken op juiste feitelijke gronden en vervolgens bezien of zij het hoger beroep wenst te handhaven en van grieven wil dienen of het alsnog wil intrekken.
(…)
4.9.
De Staat zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding (…)”
Feiten na vonnis voorzieningenrechter5.
2.4
Het openbaar ministerie heeft op 5 juli 2022 hoger beroep ingesteld in de strafzaak.
2.5
In de daarop volgende week heeft het openbaar ministerie in verband met de juist hiervoor aangehaalde rov. 4.7 van het vonnis van de voorzieningenrechter intern overleg gevoerd over de vraag of het hoger beroep zou moeten worden doorgezet of zou moeten worden ingetrokken. In dat kader heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie en de advocaat van [verweerster] .
2.6
Op 14 juli 2022 heeft het openbaar ministerie de beslissing genomen om het ingestelde hoger beroep alsnog in te trekken en dus geen schriftuur met grieven in te dienen. De advocaat van [verweerster] is bij brief van 15 juli 2022 van deze beslissing in kennis gesteld. In die brief schrijft de officier van justitie, voor zover van belang, dat voor de strafbare feiten die tenlastegelegd zijn, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een veroordeling en dat de omstandigheid dat [verweerster] geen onbeperkt gebruik heeft kunnen maken van haar spreekrecht, geen belang is dat het openbaar ministerie zich kan aantrekken ten behoeve van het instellen van hoger beroep.
2.7
[verweerster] heeft de Staat daarop opnieuw in kort geding gedagvaard. Inzet van dat kort geding was, kort gezegd, (1) dat het de Staat zou worden verboden om het hoger beroep in te trekken en (2) dat de Staat zou worden geboden om ten minste twee grieven in te dienen in de strafzaak.
2.8
Deze vorderingen zijn bij (mondeling) vonnis van de voorzieningenrechter van 18 juli 2022 afgewezen.6.Het hof heeft dit vonnis bij (mondeling uitgesproken) arrest van 21 juli 2022 bekrachtigd.7.Het hof heeft overwogen:
“3.3 Het hof acht de door [verweerster] genoemde omstandigheden niet van dien aard dat de civiele rechter gerechtigd zou zijn om het vervolgingsmonopolie van het OM te doorbreken. Het hof ziet geen grond om aan te nemen dat dit monopolie zo gebruikt wordt dat de Staat fundamentele rechten van [verweerster] schendt door het hoger beroep in de strafzaak niet door te zetten. Het hof weegt hierbij mee dat het slachtoffer wel deelnemer áán maar geen procespartij is ín de strafzaak (zij kan niet worden veroordeeld). Het hof ziet geen grond om het slachtoffer in afwijking van de wet als procespartij aan te merken. Voorts heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen om de benadeelde partij geen recht van hoger beroep toe te kennen (behoudens hoger beroep bij hele of gedeeltelijke afwijzing van de – civiele – vordering van de benadeelde partij, waarvan hier geen sprake is omdat er niet-ontvankelijkheid na vrijspraak was). De wetgever heeft het ook niet goed gevonden dat de benadeelde partij zelf getuigen aanbrengt (art. 334 lid 1 Sv) of aan getuigen vragen stelt over iets anders dan haar schadevergoedingsvordering (art. 334 lid 2 Sv). De benadeelde partij/het slachtoffer kan haar vordering wel in een civiele zaak voor een onafhankelijke rechter brengen en daar al haar standpunten naar voren brengen en getuigen (laten) horen en ondervragen (voor zover dat voor een eerlijke berechting nodig is). (…)”
2.9
Het openbaar ministerie heeft het hoger beroep in de strafzaak vervolgens ingetrokken.
2.10
Op uitnodiging van het openbaar ministerie heeft op 25 juli 2022 een gesprek plaatsgevonden met [verweerster] over de wijze waarop is omgegaan met haar spreekrecht.
Vervolg procesverloop; oordeel hof
2.11
De Staat is van het vonnis van de voorzieningenrechter van 4 juli 2022 in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Den Haag. Bij arrest van 4 juli 2023 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.8.Het hof heeft in zijn arrest allereerst overwogen:
“6.1 Nu de Staat overeenkomstig zijn veroordeling in het besteden vonnis (KG-I) hoger beroep heeft ingesteld in de strafzaak tegen de buurman van [verweerster] , dat hoger beroep vervolgens weer heeft ingetrokken en op dat punt door de voorzieningenrechter zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk is gesteld (KG-II), staat tussen partijen vast dat de Staat alleen nog belang heeft bij vernietiging van het bestreden vonnis in KG-I vanwege de daarin neergelegde proceskostenveroordeling.
6.2
Ter beoordeling van de vraag of de Staat terecht is veroordeeld in de kosten van het kort geding in eerste aanleg dient het hof te onderzoeken of de vordering van [verweerster] die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht (gedeeltelijk) is toegewezen, met inachtneming van het in appel tussen partijen gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van dit hoger beroep.
6.3
Geen van partijen heeft geklaagd over het door de voorzieningenrechter gehanteerde toetsingskader, voor zover zij daarbij tot uitgangspunt heeft genomen dat het openbaar ministerie, gezien zijn plaats en taak in het Nederlandse rechtsbestel en het hem toekomende vervolgingsmonopolie, een grote mate van beleidsruimte geniet en dat afwegingen die het openbaar ministerie maakt in het kader van zijn beslissing om tegen een strafvonnis al dan niet hoger beroep in te stellen in beginsel moeten worden gerespecteerd. De wet voorziet niet in (voorafgaand) rechterlijk toezicht van de burgerlijke rechter op de wijze waarop het openbaar ministerie tot zijn beslissing is gekomen, aldus de voorzieningenrechter. Evenmin zijn partijen opgekomen tegen de overweging dat hoogstens aanleiding kan bestaan tot ingrijpen van de burgerlijke rechter (door middel van een gebod of verbod) indien keuzes die het openbaar ministerie maakt in redelijkheid niet navolgbaar zijn.”
2.12
Vervolgens heeft het hof onderzocht of in dit geval grond bestond om een uitzondering te maken op het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie. Dat heeft het gedaan aan de hand van een tiental naar zijn vaststelling door [verweerster] aangevoerde omstandigheden die het opsomt in rov. 6.5 onder (a)-(j).
De belangrijkste daarvan zijn blijkens zijn daarop volgende overwegingen dat de door de politierechter tijdens de zitting aan [verweerster] opgelegde beperking van het spreekrecht niet in overeenstemming is met art. 51e lid 2 Sv (onder a), dat het niet is uit te sluiten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander standpunt van het openbaar ministerie en een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden (onder b), en dat het niet uit te sluiten is dat [verweerster] de onduidelijkheid die was ontstaan ten gevolge van de verklaring van de niet beëdigde (essentiële) getuige door middel van haar onbeperkte spreekrecht had kunnen wegnemen (onder d).
Het hof wijst onder meer op de herkansingsfunctie van het hoger beroep (rov. 6.12). Voorts wijst het hof erop dat de Nederlandse wetgever ervoor heeft gekozen dat het slachtoffer geen partij wordt in het strafproces, maar slechts deelnemer, en niet in hoger beroep kan komen van het strafvonnis van de rechtbank, waardoor het slachtoffer wat een hoger beroep betreft afhankelijk is van de officier van justitie (rov. 6.13). Voorts neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van het spreekrecht – dat volgens het hof mede het recht om bewijselementen aan te voeren omvat – volgt dat dat het niet alleen bedoeld is om het slachtoffer in staat te stellen de verdachte te confronteren met de gevolgen die het ten laste gelegde feit bij hem teweeg heeft gebracht, maar even zozeer om de beslissing van de strafrechter te beïnvloeden. De enige die ervoor kan zorgen dat de beslissing van de strafrechter op dat punt in hoger beroep kan worden heroverwogen, is de officier van justitie, aldus het hof (rov. 6.16).
Gelet op een en ander was volgens het hof ten tijde van de zitting in eerste aanleg sprake van een zodanig uitzonderlijke situatie dat een in tijd en reikwijdte beperkt ingrijpen van de voorzieningenrechter in de bij de officier van justitie bestaande beslisruimte om al dan niet hoger beroep in te stellen tegen de vrijspraak was gerechtvaardigd, temeer nu de voorzieningenrechter zich ten tijde van het kort geding tevens gesteld zag voor de moeilijkheid dat de termijn waarbinnen dat hoger beroep kon worden ingesteld één dag na de mondelinge behandeling zou verstrijken (rov. 6.17).
Het hof vat zijn oordeel in rov. 6.18 samen met onder meer de overwegingen dat [verweerster] de mogelijkheid is ontnomen om binnen de kaders van het Nederlandse strafrechtstelsel invloed uit te oefenen op de uitkomst van het strafgeding dat was ingesteld naar aanleiding van haar aangiftes en dat dit indruist tegen de rechten die [verweerster] als slachtoffer op grond van de in het Wetboek van Strafvordering toekomen.
2.13
Het hof heeft een tweede grond voor zijn beslissing gegeven, namelijk dat de Staat de kosten van het kort geding in eerste aanleg nodeloos heeft veroorzaakt, nu de door de officier van justitie aanvankelijk gegeven motivering om geen hoger beroep in te stellen was gebaseerd op onjuiste veronderstellingen en de officier van justitie vervolgens heeft geweigerd een nadere toelichting te verstrekken nadat de raadsman van [verweerster] haar beleefd en onderbouwd op de onjuistheid van de gegeven motivering had gewezen (rov. 6.21).
Cassatieberoep
2.14
De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.9.[verweerster] heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen. Partijen hebben de zaak schriftelijk laten toelichten en afgezien van re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel van de Staat bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof dat in dit geval grond bestond om een uitzondering te maken op het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie. Het betoogt met name dat het hof heeft miskend dat de uitoefening van het spreekrecht door het slachtoffer niet strekt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit en dat de uitoefening van dat recht dus niet tot een andere uitkomst van het hoger beroep had kunnen leiden. Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de Staat in eerste aanleg terecht is veroordeeld in de proceskosten, nu de Staat die kosten nodeloos veroorzaakt heeft. Het onderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat de officier van justitie in haar e-mail van 23 juni 2022 aanstonds duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht af te zien van hoger beroep omdat onvoldoende bewijs bestaat voor de ten laste gelegde feiten en deze grond de beslissing om af te zien van hoger beroep zelfstandig kan dragen.
3.2
Het belang van de zaak is om de door het hof in rov. 6.1 genoemde reden (hiervoor in 2.11 aangehaald) beperkt tot de kostenveroordeling in eerste aanleg. Dat is natuurlijk een relatief zeer beperkt bedrag. In de procesinleiding in cassatie vermeldt de Staat dat zijn cassatieberoep dan ook is ingegeven door een ander belang, namelijk de mogelijke precedentwerking van het arrest van het hof. De Staat vreest dat het arrest bij andere slachtoffers tot een onjuist beeld leidt van hun positie en rechten in het strafproces en dat dit aanleiding zal geven tot onnodige kort gedingen tegen de Staat.10.
De rol van het slachtoffer in het strafproces
3.3
Het slachtoffer kan in verschillende hoedanigheden een rol spelen in het strafproces. Het slachtoffer kan aangifte doen of, in geval van een klachtdelict, een klacht indienen. Het slachtoffer kan optreden als getuige, zich voegen als benadeelde partij en als zodanig schadevergoeding verlangen, tijdens het onderzoek ter terechtzitting het spreekrecht uitoefenen en, als geen (verdere) vervolging plaatsvindt, gebruikmaken van de mogelijkheid van beklag over niet of niet-verdere vervolging.
De positie van het slachtoffer in het strafproces is in de loop der tijd aanmerkelijk verstevigd. Waar slachtoffers vroeger slechts een beperkte mogelijkheid hadden om zich in het strafproces te voegen als benadeelde partij, kent het Wetboek van Strafvordering sinds 2011 een afzonderlijke titel die is gewijd aan het slachtoffer (Eerste Boek, Titel IIIA, art. 51a-51h Sv).11.Die titel is ingevoerd bij de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces.12.Die wet is tot stand gekomen mede naar aanleiding van een Europees Kaderbesluit over de status van het slachtoffer in de strafprocedure.13.
Met de implementatie van de ook door het hof in deze zaak genoemde Richtlijn 2012/29/EU (de Slachtofferrichtlijn), is de zelfstandige positie van het slachtoffer in het strafproces nog verder versterkt.14.Deze richtlijn is geïmplementeerd bij Wet van 8 maart 2017.15.De richtlijn heeft tot doel ervoor te zorgen dat slachtoffers van strafbare feiten passende informatie, ondersteuning en bescherming krijgen en aan de strafprocedure kunnen deelnemen (art. 1 lid 1 eerste volzin Slachtofferrichtlijn). De richtlijn voorziet in een minimumharmonisatie (overweging 11 van de considerans van de richtlijn). De lidstaten mogen dus een hoger niveau van bescherming bieden.
3.4
In deze zaak gaat het om het spreekrecht van het slachtoffer en zijn recht om bewijs aan te dragen tegen de verdachte. Het spreekrecht is ingevoerd in 2005.16.Het was aanvankelijk beperkt tot de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht (art. 302 Sv oud, later art. 51e lid 1 Sv oud). Zoals het hof vermeldt in rov. 6.7, is het spreekrecht bij Wet van 14 april 2016 aldus gewijzigd dat geen beperking meer geldt voor het spreekrecht (art. 51e lid 2 Sv).17.Blijkens de vaststaande feiten heeft de politierechter dat in de zaak van [verweerster] miskend (zie hiervoor in 2.1 onder (v)). Het spreekrecht geldt wel uitsluitend bij de tenlastelegging van bepaalde zwarte delicten (nu opgesomd in art. 51e lid 1 Sv).
Het recht van het slachtoffer om bewijs aan te dragen is sinds de hiervoor genoemde Wet van 17 december 2009 geregeld in art. 51b lid 2 Sv, dat bepaalt dat het slachtoffer aan de officier van justitie kan verzoeken om stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte, aan het dossier toe te voegen.
3.5
Gedachte bij het spreekrecht van het slachtoffer is van begin af aan geweest om het slachtoffer de mogelijkheid te geven om zich in de strafzaak uit te spreken, zonder bloot te staan aan ondervraging door rechter, openbaar ministerie of verdediging. Zo is in de toelichting op de eerste regeling van het spreekrecht in art. 302 Sv opgemerkt:
“Naar aanleiding van de adviezen van de Raad van State, de NVVR en de NOVA heeft ondergetekende ervoor gekozen het slachtoffer of de nabestaande, die van het spreekrecht gebruik maakt, een eigenstandige wettelijke positie te geven en niet de formele positie van getuige. De adviesorganen hebben ondergetekende overtuigd dat wanneer het slachtoffer formeel als getuige optreedt en als getuige beëdigd zou worden, het slachtoffer tevens blootgesteld wordt aan het ondervragingsrecht van het openbaar ministerie en de verdediging, hetgeen mogelijk nadelige consequenties voor het slachtoffer zou hebben.”18.
3.6
Overeenkomstig deze opzet heeft de Hoge Raad in arresten uit 2011, 2012 en 2014 beslist dat de slachtofferverklaring niet voor het bewijs in de strafzaak gebruikt kan worden.19.In het arrest uit 2011 wordt daarover overwogen:
“2.3 Ten tijde van de behandeling van de zaak door het Hof was het slachtoffer van een delict op grond van het toen geldende art. 302 Sv bevoegd op de terechtzitting een mondelinge verklaring af te leggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij hem heeft teweeggebracht. Thans is het slachtoffer daartoe op grond van art. 51e Sv bevoegd. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal, moet worden aangenomen dat het slachtoffer alsdan niet optreedt als getuige en dat de door hem in dat verband afgelegde verklaring door de rechter niet kan worden gebruikt voor het bewijs van het tenlastegelegde. Dat laatste heeft ook te gelden voor een eventueel aan de rechter overgelegd afschrift van die mondelinge verklaring.”20.
En in het arrest uit 2012:
“3.6.1. Blijkens de wetsgeschiedenis (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 13), heeft de wetgever de voor- en nadelen van het spreekrecht van slachtoffers zorgvuldig onder ogen gezien en een mogelijkheid geschapen voor het afleggen van een verklaring door een beperkte categorie van nauw betrokkenen teneinde het perspectief van het slachtoffer in het strafproces aan de orde te kunnen laten komen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde feit bij hem heeft teweeggebracht, ook zonder dat van deze wordt gevergd dienaangaande als getuige — met de daaraan verbonden processuele gevolgen — te verklaren.
De wetgever heeft hierbij onder ogen gezien dat de rechter de ter terechtzitting afgelegde verklaring van degene aan wie het spreekrecht is toegekend (en die niet tevens als getuige heeft verklaard) niet voor het bewijs van het tenlastegelegde mag bezigen (vgl. HR 11 oktober 2011, LJN BR2359).”
En in het arrest uit 2014:
“Vooropgesteld moet worden dat blijkens de wetsgeschiedenis, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6, geen beëdiging van het slachtoffer als getuige is vereist als hem vragen worden gesteld die uitsluitend betrekking hebben op diens verklaring omtrent de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad, doch als getuige hij wel dient te worden beëdigd bij vragen die mogelijk samenhangen met de beantwoording van de vragen van de art. 348 en 350 Sv.”21.
3.7
Bij het laten vervallen in 2016 van de hiervoor genoemde beperking van het spreekrecht tot de gevolgen die het tenlastegelegde feit voor het slachtoffer heeft, heeft de wetgever het bestaande stelsel voor het overige willen handhaven. Aanvankelijk was de gedachte bij het ontwerp van die wijziging om het stelsel te herzien en het slachtoffer een adviesrecht te geven met betrekking tot de punten die worden opgesomd in de art. 348 en 350 Sv, maar die gedachte heeft de regering laten varen na diverse negatieve adviezen, onder meer van de Raad van State. De kritiek kwam er kort gezegd op neer dat het slachtoffer daarmee te zeer een procespartij wordt in de strafzaak, met alle bezwaren van dien.22.
Zoals het hof aanhaalt in rov. 6.8, zijn in de toelichting op het ontwerp van de wijziging, in overeenstemming met een en ander, de volgende uitgangspunten voor het spreekrecht geformuleerd:
“a) de uitbreiding van het spreekrecht vindt plaats binnen de context van de huidige regeling van het onderzoek op de terechtzitting, in het bijzonder het gesloten stelsel van informanten;
b) voor zover het gaat om een verwoording van de ervaringen van het slachtoffer, geldt dat hij in beginsel geen vragen heeft te dulden en dat deze verklaring niet voor weerlegging vatbaar is. De bestaande situatie dat een slachtoffer dat gebruik maakt van het spreekrecht niet wordt beëdigd en dat het slachtoffer dat een belastende verklaring aflegt, wel als getuige wordt beëdigd, blijft gehandhaafd.
c) het slachtoffer blijft procesdeelnemer en wordt geen zelfstandige procespartij. Hij wordt geen Nebenklager. Het vervolgingsmonopolie blijft bij het OM.”23.
Met het hier onder (a) genoemde ‘gesloten stelsel van informanten’ is bedoeld dat al het materiaal waarvan de strafrechter bij zijn beslissing in de strafzaak kennisneemt, vooraf bekend is aan partijen en ter discussie kan worden gesteld op de zitting. Voor de slachtofferverklaring geldt een uitzondering hierop, blijkens een uitlating elders in de toelichting. Blijkens die uitlating geldt die uitzondering niet – zoals ook blijkt uit uitgangspunt (b) – als het slachtoffer als getuige wordt gehoord.24.
De Slachtofferrichtlijn
3.8
De Slachtofferrichtlijn, waarnaar het hof diverse malen voor zijn oordeel verwijst, heeft in het voorgaande geen wijziging gebracht. De implementatie van die richtlijn heeft dan ook niet tot een wijziging geleid van het spreekrecht en van het recht van het slachtoffer om bewijs aan te dragen.
Mede blijkens overweging 20 van de considerans van de Slachtofferrichtlijn zijn de lidstaten in beginsel vrij om de precieze rol van het slachtoffer in hun strafrechtstelsel te bepalen. Art. 10-17 Slachtofferrichtlijn regelt de rechten van het slachtoffer op deelname aan de strafprocedure. Dat zijn dus de rechten die het slachtoffer ten minste moeten toekomen (zie hiervoor in 3.3 laatste alinea). Voor deze zaak is alleen art. 10 Slachtofferrichtlijn relevant. Art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn – waarnaar het hof in rov. 6.16 en 6.18 verwijst – bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren. Art. 10 lid 2 Slachtofferrichtlijn houdt in dat de procedurevoorschriften op grond waarvan het slachtoffer tijdens de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren, worden bepaald door het nationale recht. Overweging 41 van de considerans van de Slachtofferrichtlijn vermeldt hierover dat het recht van het slachtoffer te worden gehoord moet worden geacht te zijn verleend indien hem wordt toegestaan schriftelijke verklaringen of toelichtingen te verstrekken. Omtrent het recht om bewijselementen aan te voeren, bevat de richtlijn buiten art. 10 geen uitlatingen.
3.9
Naar het oordeel van de wetgever voldeed de Nederlandse wetgeving al aan de verplichtingen van art. 10 lid 1 van de Slachtofferrichtlijn. Daarvoor is in de toelichting op de hiervoor in 3.3 genoemde implementatiewet van 8 maart 2017 verwezen naar de hiervoor in 3.4 tweede alinea genoemde mogelijkheid die het slachtoffer op grond van art. 51b lid 2 Sv heeft om de officier van justitie te verzoeken documenten die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte aan het dossier toe te voegen, en naar het feit dat het slachtoffer op initiatief van het openbaar ministerie, de rechter-commissaris of de rechter als getuige kan worden gehoord als het slachtoffer wordt gedagvaard als getuige (cursivering toegevoegd). De toelichting vermeldt hierover:
“3 Onderwerpen uit de richtlijn die reeds in de Nederlandse regelgeving of rechtspraktijk zijn voorzien
3.1
Recht te worden gehoord
Artikel 10 van de richtlijn betreft het recht te worden gehoord. De lidstaten zorgen ervoor dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren. Overweging (41) van de richtlijn zegt hierover: «Het recht van het slachtoffer te worden gehoord moet worden geacht te zijn verleend indien hem wordt toegestaan schriftelijke verklaringen of toelichtingen te verstrekken».
In Nederland wordt al aan de verplichting van artikel 10 voldaan. De mogelijkheid om bewijselementen aan te voeren is in Nederland voorzien in art. 51b, tweede lid Sv. Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken documenten die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen. Het horen van het slachtoffer kan op initiatief van het openbaar ministerie, de rechter-commissaris of de rechter plaatsvinden indien het slachtoffer wordt gedagvaard als getuige.”25.
3.10
Naar hieruit volgt, heeft de wetgever het spreekrecht van het slachtoffer ex art. 51e lid 2 Sv niet gezien als een uitwerking van het recht van art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn om bewijselementen aan te voeren, welk recht, anders dan het spreekrecht van art. 51e lid 2 Sv, niet is beperkt tot bepaalde zwaardere misdrijven. Dat is dus anders dan het hof art. 51e lid 2 Sv heeft uitgelegd, blijkens rov. 6.16 en 6.18. De Staat wijst hierop terecht in subonderdeel 1.1 onder a.
Van spreekrecht naar getuigenverklaring
3.11
Zoals uit het voorgaande volgt, kan de uitoefening van het spreekrecht wel ertoe leiden dat het slachtoffer als getuige wordt gehoord, namelijk als de inhoud van de slachtofferverklaring daartoe aanleiding geeft, omdat deze (nieuwe) relevante gegevens bevat voor de strafzaak. In de toelichting op de hiervoor in 3.7 genoemde wijziging – waarnaar het hof in rov. 6.8 (voetnoot 4) verwijst – is die mogelijkheid – die in de arresten van de Hoge Raad staan vermeld die hiervoor in 3.6 zijn aangehaald – uitdrukkelijk genoemd.26.Mogelijk heeft het hof zich bij zijn oordeel door het bestaan van die mogelijkheid laten leiden. De beslissing over het horen van het slachtoffer als getuige is echter, zoals hiervoor in 3.9 al (gecursiveerd) tot uitdrukking gebracht, aan de rechter (al dan niet op verzoek van de verdediging of het openbaar ministerie). Het betreft dus geen recht of aanspraak van het slachtoffer. Het gaat uitsluitend om een mogelijk feitelijk gevolg van zijn verklaring in het geval dat deze een bepaalde, relevante inhoud mocht hebben.
Het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie
3.12
Het recht om strafbare feiten te vervolgen berust uitsluitend bij het openbaar ministerie (art. 9 Sv). De wetgever heeft het vervolgingsmonopolie bewust bij het openbaar ministerie onder gebracht als een onpartijdige en onafhankelijke instantie die onderdeel is van de rechterlijke macht en die een verantwoord gebruik maakt van het vervolgingsrecht, waarvan de enkele uitoefening voor een verdachte al vergaande gevolgen kan hebben.27.De beslissing omtrent de vervolging is dus niet aan het slachtoffer. Die heeft bij de vervolging geen taak (ook niet als ‘Nebenklager’, zoals hiervoor in 3.7 bleek).
De vervolgingstaak van het openbaar ministerie is nader uitgewerkt in de art. 167 en 242 Sv, die bepalen dat het openbaar ministerie tot vervolging overgaat indien het naar aanleiding van het opsporingsonderzoek respectievelijk het voorbereidende onderzoek van oordeel is dat (verdere) vervolging moet plaatvinden. De vervolgingsbeslissing bevat een haalbaarheids- en een opportuniteitscomponent. De haalbaarheidscomponent brengt mee dat de officier van justitie als het ware anticipeert op het oordeel van de rechter over de punten van het rechterlijk beslissingsschema van de art. 348 en 350 Sv, dus, kort gezegd, nagaat of een veroordeling haalbaar is.28.
De beslissing over de wenselijkheid van de vervolging betreft de opportuniteitscomponent. Op gronden aan het algemeen belang ontleend (zie de art. 167 lid 2 en 242 lid 2 Sv) kan het openbaar ministerie afzien van vervolging. Het opportuniteitsbeginsel stelt het openbaar ministerie in staat om een vervolgingsbeleid te voeren.29.
Genoemde twee componenten van de vervolgingsbeslissing kunnen niet volledig van elkaar worden gescheiden. Niet uitgesloten is dat het openbaar ministerie tot vervolging overgaat om redenen van algemeen belang, terwijl het meent dat een veroordeling er niet echt in zit. De vervolgingsbeslissing is dan gebaseerd op de nevenfuncties van een strafproces, zoals de zuiverende werking van het strafproces. Een basisvoorwaarde voor een vervolging is echter dat wel ten minste sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.30.
3.13
De vervolgingsbeslissing berust dus als gezegd uitsluitend bij het openbaar ministerie. Art. 12 Sv bevat hierop echter een belangrijk correctiemiddel. Die bepaling geeft een rechtstreeks belanghebbende de mogelijkheid om zich bij het gerechtshof te beklagen over het achterwege blijven van de vervolging van een strafbaar feit. De wetgever heeft belanghebbenden niet uitsluitend afhankelijk willen laten zijn van het openbaar ministerie.31.In de beklagprocedure vindt, gelet op de aan het openbaar ministerie toekomende beleids- en beoordelingsvrijheid bij de vervolging, een marginale toetsing plaats van de beslissing van het openbaar ministerie.32.Overweegt het hof vervolging te bevelen dan moet het degene horen wiens vervolging wordt verlangd (art. 12e lid 2 Sv). Gelet op de gevolgen die een vervolging heeft voor diegene, ligt die bepaling nogal voor de hand.
3.14
Buiten het kader van art. 12 Sv is de mogelijkheid tot toetsing van de vervolgingsbeslissing zeer beperkt. In een arrest uit 2012 overweegt de Hoge Raad daarover:
“In art. 167, eerste lid, Sv is — zoals het Hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen — aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur — dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging — om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen.”33.
3.15
Art. 12 Sv ziet op de beslissing om al dan niet te vervolgen en heeft geen betrekking op de beslissing van het openbaar ministerie om, na een eenmaal aangevangen vervolging, al dan niet een rechtsmiddel in te stellen tegen een verkregen uitspraak. Ook die beslissing is uitsluitend aan het openbaar ministerie. Het slachtoffer heeft net zo min de mogelijkheid om tegen een uitspraak van de strafrechter een rechtsmiddel in te stellen, als hij zelf de vervolging kan instellen. De art. 421 lid 4 en 437 lid 3 Sv geven uitsluitend de benadeelde partij die zich overeenkomstig art. 51g Sv in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, de mogelijkheid tegen het deel van de uitspraak waarbij haar vordering is afgewezen, in hoger beroep te komen bij de civiele rechter van het gerechtshof, en, als het gaat om een uitspraak in hoger beroep, om cassatieberoep in te stellen, wat betreft die vordering.
3.16
Het openbaar ministerie dient bij zijn beslissingen mede te letten op de belangen van het slachtoffer, als belangen die daarbij relevant zijn. Het ligt echter bepaald voor de hand, gelet op genoemde ratio van het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie, om de toetsing van de beslissing over de aanwending van een rechtsmiddel door het openbaar ministerie even beperkt te doen zijn als die van de beslissing tot vervolging volgens het hiervoor in 3.14 aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2012.34.De voorzieningenrechter (in rov. 4.4 van haar vonnis) en het hof (in rov. 6.3) zijn dan ook terecht van deze beperkte maatstaf uitgegaan, waarvan de juistheid in cassatie niet wordt bestreden. Zoals het hof terecht in het kopje boven rov. 6.5 tot uitdrukking heeft gebracht, kan dus alleen in een (zeer) uitzonderlijk geval worden gedacht aan een verplichting van het openbaar ministerie jegens het slachtoffer tot het instellen van een rechtsmiddel.
3.17
Overigens is voor deze zaak nog van belang dat ook voor het aanwenden van een rechtsmiddel in het strafproces geldt dat een partij – dus ook het openbaar ministerie – daarbij belang moeten hebben. Blijkt dat belang te ontbreken dan is degene die het rechtsmiddel aanwendt, niet-ontvankelijk daarin.35.
De onderhavige weigering om hoger beroep in te stellen
3.18
De officier van justitie heeft in dit geval geweigerd om hoger beroep in te stellen (en later om dit door te zetten) wegens het niet aanwezig zijn van voldoende bewijs om tot een veroordeling te komen. Dit staat al te lezen in de eerste alinea van de hiervoor in 2.1 onder (viii) genoemde e-mail van 23 juni 2022 van de officier van justitie en lag ook – zachtjes uitgedrukt – bepaald voor de hand nadat zij ter zitting bij de politierechter had gerekwireerd tot vrijspraak (waarnaar zij dan ook in de e-mail van 23 juni 2022 verwijst). Deze grond voor de weigering om hoger beroep in te stellen is ook in de eerste aanleg van deze procedure door de Staat aangevoerd36.en door de voorzieningenrechter in haar vonnis vastgesteld (in rov. 4.2, hiervoor weergegeven in 2.3), maar – nogal opvallend – in het geheel niet besproken. Die grond heeft de officier van justitie vervolgens ook genoemd voor het intrekken van het op bevel van de voorzieningenrechter ingestelde hoger beroep (zie onder meer hiervoor in 2.6). In het tweede, inmiddels onherroepelijk geëindigde kort geding heeft deze weigeringsgrond de (marginale) toets doorstaan (zie hiervoor in 2.8). De redenen die de officier van justitie had om niet voldoende bewijs aanwezig te achten, zijn door haar uiteengezet op de zitting van de politierechter en terug te lezen in het proces-verbaal van die zitting. Die redenen komen erop neer – kort en in mijn woorden gezegd – dat het bewijs er evident niet in zit.37.
3.19
Het niet aanwezig zijn van voldoende bewijs is onmiskenbaar een goede grond om van hoger beroep af te zien. De Staat heeft in deze procedure erop gewezen dat [verweerster] niet aanvoert dat het standpunt van de officier van justitie over het bewijs onjuist is, althans [verweerster] op geen enkele wijze onderbouwt dat dit standpunt onjuist zou zijn.38.Deze herhaalde opmerking van de Staat is volgens mij juist. Nergens in de processtukken ben ik een uiteenzetting van de kant van [verweerster] tegengekomen dat en waarom het bewijs er wél in zou zitten. Verder dan de door het hof in rov. 6.5 onder (b) en (d) genoemde, verder niet nader toegelichte of onderbouwde stellingen – dat het niet is uit te sluiten (i) dat het onbeperkt uitoefenen van het spreekrecht tot een ander standpunt van het openbaar ministerie en een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden en (ii) dat [verweerster] de onduidelijkheid die was ontstaan ten gevolge van de verklaring van de niet beëdigde (essentiële) getuige door middel van haar onbeperkte spreekrecht had kunnen wegnemen – is [verweerster] niet gekomen. Deze stellingen werpen geen ander licht op het (aanwezige) bewijs, zowel omdat geheel onduidelijk waarom het onbeperkt uitoefenen van het spreekrecht alsnog tot het bewijs zou hebben kunnen leiden van de ten last gelegde feiten, mede gelet op hetgeen de officier van justitie daarover ter zitting bij de politierechter heeft opgemerkt (wat zou dat hebben toegevoegd?), als omdat de uitoefening van spreekrecht als gezegd niet als bewijs in de strafzaak gebruikt kan worden.
Die stellingen waren daarop bovendien ook niet gericht, zoals al blijkt uit de formulering ervan, die slechts inhoudt dat de onbeperkte uitoefening van het spreekrecht wellicht tot een andere beslissing van de politierechter had kunnen leiden. Dat behoeft ook geen verwondering te wekken. Het gaat [verweerster] in deze zaak erom dat de politierechter haar ten onrechte niet volledig van haar spreekrecht gebruik heeft laten maken en dat zij vindt dat dit verzuim – waartegen naar haar mening de officier van justitie aanstonds ter zitting van de politierechter had moeten optreden – moet worden hersteld door het instellen van een hoger beroep, waarin zij alsnog onbeperkt haar spreekrecht kan uitoefenen (zie de hiervoor in 2.2 weergegeven grondslag van de vordering).
3.20
In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof onhoudbaar. De uitoefening van het spreekrecht kon als zodanig niet tot een andere beslissing in hoger beroep leiden, nu de slachtofferverklaring niet voor het bewijs gebruikt mag worden (zie hiervoor in 3.5-3.7 en 3.10). Niet is aangevoerd dat het oordeel over het bewijs van het openbaar ministerie (en van de politierechter) onjuist was of dat sprake was of zou zijn van nieuw bewijs (ook niet langs de hiervoor in 3.11 genoemde weg). Het hof stelt dat (dan) ook niet vast. Dat zo zijnde valt niet in te zien dat de officier van justitie niet tot haar beslissing heeft kunnen komen om geen hoger beroep in te stellen. Veeleer rijst de vraag of de officier van justitie wel belang bij haar hoger beroep zou hebben gehad. Gelet op de aard en de plaats van het spreekrecht, lijkt immers niet gezegd te kunnen te worden dat de enkele mogelijkheid om het spreekrecht te kunnen uitoefenen door het slachtoffer, een zelfstandig belang oplevert bij een hoger beroep door het openbaar ministerie in de strafzaak. Het spreekrecht loopt immers in feite vooruit op een veroordeling. Het is, anders dan het hof blijkens zijn overwegingen heeft gemeend, geen middel om tot een veroordeling te komen. Het gebruik van het middel van de vervolging of het voorzetten van de vervolging door het aanwenden van een rechtsmiddel enkel opdat het slachtoffer gebruik kan maken van het spreekrecht – wat [verweerster] in dit kort geding verlangt en in cassatie als haar recht als slachtoffer bepleit39.– is dan ook op zijn minst genomen discutabel te noemen. Het openbaar ministerie is tot een en ander in elk geval niet gehouden te achten.40.
Bespreking onderdeel 1
3.21
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen de overwegingen van het hof (i) dat [verweerster] ter onderbouwing van haar vordering onder meer heeft aangevoerd dat niet is uit te sluiten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander standpunt van het openbaar ministerie en een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden (rov. 6.5 onder (b)), en dat niet is uit te sluiten dat [verweerster] de onduidelijkheid die was ontstaan ten gevolge van de verklaring van de niet beëdigde (essentiële) getuige door middel van haar onbeperkte spreekrecht had kunnen wegnemen (rov. 6.5 onder (d)), (ii) dat de Staat deze stellingen niet (gemotiveerd) heeft weersproken (rov. 6.6), (iii) dat [verweerster] (in hoger beroep) heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden (rov. 6.12) en (iv) dat het spreekrecht mede het recht inhoudt om bewijselementen aan te voeren (rov. 6.16).
Subonderdeel 1.1 klaagt onder (a) dat het oordeel van het hof dat het spreekrecht mede het recht inhoudt om bewijselementen aan te voeren, onjuist is, omdat het spreekrecht niet mede dat recht inhoudt, noch op grond van art. 51e lid 2 Sv, noch op grond van art. 10 Slachtofferrichtlijn, waarnaar het hof voor zijn oordeel verwijst.
Subonderdeel 1.1 betoogt onder (b) dat als het hof heeft geoordeeld dat [verweerster] ten onrechte is beperkt in de uitoefening van het in art. 51b lid 2 Sv neergelegde recht om stukken aan het dossier te laten toevoegen (wat wel een uitwerking vormt van art. 10 Slachtofferrichtlijn), het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat [verweerster] dit niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
Subonderdeel 1.1 voert onder (c) aan dat als het hof ervan is uitgegaan dat een (volledige) ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring van [verweerster] als zodanig tot bewijs had kunnen dienen, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een slachtofferverklaring geen bewijs oplevert in het strafproces.
Subonderdeel 1.1 onder (d) klaagt dat in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is dat het hof heeft vastgesteld dat de Staat niet gemotiveerd heeft betwist dat niet is uit te sluiten dat het onbeperkt uitoefenen van het spreekrecht tot een ander standpunt van het openbaar ministerie en een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden. De Staat heeft volgens het subonderdeel gemotiveerd aangevoerd dat de processtukken onvoldoende duidelijkheid bieden voor een bewezenverklaring van strafbare feiten, dat het openbaar ministerie in het licht daarvan niet op goede gronden kan betogen waarom verdere vervolging zou zijn aangewezen, en dat het openbaar ministerie daarom ervan uitgaat dat het in appel niet-ontvankelijk zou worden verklaard, zodat aan het spreekrecht van [verweerster] dan niet eens wordt toegekomen. Voorts heeft de Staat volgens het subonderdeel aangevoerd dat de redenen waarom volgens [verweerster] in de strafzaak hoger beroep zou moeten worden ingesteld, niet kunnen leiden tot een andere uitkomst dan een niet-ontvankelijkverklaring of vrijspraak, nu [verweerster] niet, althans onvoldoende, heeft aangevoerd dat de verdachte ten onrechte is vrijgesproken.
Subonderdeel 1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat het enkele feit dat “niet is uitgesloten” dat de onbeperkte uitoefening van het spreekrecht tot een andere uitkomst van de strafzaak had kunnen leiden, zijn beslissing niet kan dragen nu daarvoor als eis valt te stellen dat (ten minste) verdedigbaar is dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring in hoger beroep.
3.22
Deze klachten zijn op grond van het voorgaande alle gegrond. Wat betreft de klacht onder (b) van subonderdeel 1.1 kan nog worden opgemerkt dat [verweerster] inderdaad niet heeft aangevoerd dat zij is beperkt in de uitoefening van het recht om bewijselementen aan te voeren zoals dat recht is uitgewerkt in art. 51b lid 2 Sv.
3.23
Subonderdeel 1.3 berust op de veronderstelling dat het hof in rov. 6.18 heeft geoordeeld dat dat de officier van justitie gehouden is om het slachtoffer (desgevraagd) vooraf te informeren over de inhoud of strekking van het requisitoir. Dat oordeel valt echter niet in rov. 6.18 te lezen. Het subonderdeel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest van het hof.
3.24
Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof in rov. 6.18 ten onrechte gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden (i) dat de officier van justitie bij de e-mail van 23 juni 2022 in strijd met de waarheid aan [verweerster] heeft medegedeeld dat van een spreekrechtbeperking geen sprake is geweest op de zitting en dat hoger beroep niet meer mogelijk was (omdat zij ter zitting al afstand zou hebben gedaan van hoger beroep), en (ii) dat zij na de onderbouwde betwisting van de juistheid van die mededelingen door de advocaat van [verweerster] heeft nagelaten een nadere inhoudelijke motivering te geven van haar beslissing om geen hoger beroep in te stellen. Het subonderdeel voert aan dat (de Staat erop heeft gewezen dat) de officier van justitie in de e-mail van 23 juni 2022 aanstonds al heeft medegedeeld dat zij afziet van hoger beroep, omdat zij ter zitting “tot een integrale vrijspraak is gekomen en dit (…) ook [heeft] onderbouwd” en dat deze mededeling haar beslissing om geen hoger beroep in te stellen zelfstandig kan dragen.
3.25
Gelet op het voorgaande is ook dit subonderdeel gegrond. De officier van justitie heeft onmiskenbaar in de e-mail van 23 juni 2022 al medegedeeld dat zij afziet van hoger beroep wegens het twee dagen eerder door haar ter zitting uiteengezette gebrek aan bewijs (zie hiervoor in 3.18) en als gezegd kan die grond haar beslissing zonder meer dragen. De Staat heeft inderdaad op een en ander gewezen, (onder meer) op de plaats in de stukken die het subonderdeel vermeldt.
Bespreking onderdeel 2
3.26
Onderdeel 2 richt zich tegen de tweede dragende grond die het hof voor zijn beslissing heeft gegeven, namelijk dat de Staat (in elk geval) in eerste aanleg terecht is veroordeeld in de proceskosten omdat de Staat die kosten nodeloos heeft veroorzaakt. Het hof heeft dit oordeel in rov. 6.21 gebaseerd op de overweging dat de aanvankelijk door de officier van justitie gegeven motivering om geen hoger beroep in te stellen was gebaseerd op onjuiste veronderstellingen en de officier van justitie vervolgens heeft geweigerd om een nadere toelichting te verstrekken nadat de raadsman van [verweerster] haar beleefd en onderbouwd op de onjuistheid van de gegeven motivering had gewezen. [verweerster] had daardoor geen andere keuze dan dit kort geding aan te spannen, aldus het hof.
Het onderdeel voert aan dat het hof met deze overwegingen heeft miskend dat de officier van justitie aanstonds al in haar e-mail van 23 juni 2022 duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht af te zien van hoger beroep omdat onvoldoende bewijs bestaat voor de ten laste gelegde feiten en dat deze grond haar beslissing om af te zien van hoger beroep zelfstandig kan dragen.
3.27
Uit het voorgaande volgt dat ook dit onderdeel slaagt.
Slotsom
3.28
De slotsom is dat beide onderdelen slagen. Het arrest van het hof kan daarom niet in stand blijven.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑07‑2024
Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 2.1-2.7 van het vonnis van de voorzieningenrechter en rov. 3.1-3.11 van het arrest van het hof. De door het hof weergegeven feiten worden hier enigszins verkort weergegeven, omdat niet alles in cassatie nog van belang is.
Het hof geeft de inhoud van de e-mail verkort weer in rov. 3.9. Gelet op het belang in cassatie wordt de inhoud van de e-mail hier iets uitvoeriger weergegeven (zie voor de volledige tekst rov. 2.6 van het vonnis van de voorzieningenrechter). De e-mail is overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding van deze procedure.
Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen in rov. 3.2 van het vonnis van de voorzieningenrechter en in rov. 4.1 van het arrest van het hof.
Rb. Den Haag 4 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:6723.
Vgl. voor de feiten die onder dit kopje worden vermeld, de vaststellingen in rov. 4.3-4.9 van het arrest van het hof.
Rb. Den Haag 18 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7389.
Hof Den Haag 21 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1375, NJF 2022/291.
Hof Den Haag 4 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1220, NJF 2023/324.
De procesinleiding is op 29 augustus 2023 ingediend bij de Hoge Raad.
Procesinleiding in cassatie van de Staat p. 3.
Vgl. voor e.e.a. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 71-72, met verdere verwijzingen.
Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, Stb. 2010, 1 (in werking getreden op 1 januari 2011, Stb. 2010, 291).
Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, nr. 2001/220/JBZ (PbEG L 82/1).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.
Wet van 8 maart 2017 houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), Stb. 2017/90 (in werking getreden op 1 april 2017, Stb. 2017, 128).
Wet van 21 juni 2004 tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden), Stb. 2004, 382 (in werking getreden op 1 januari 2005, Stb. 2004, 582).
Wet van 14 april 2016 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter aanvulling van het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden in het strafproces en wijziging van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter uitbreiding van de mogelijkheid van uitkering aan nabestaanden, Stb. 2016, 160.
Kamerstukken II 2001–2002, 27 632, nr. 5 (mvt), p. 9.
HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2359, NJ 2011/558, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.3, HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1149, NJ 2012/367, m.nt. C.P.M. Cleiren, rov. 3.6.1, en HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:1695, RvdW 2014/999, rov. 2.6. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 91.
Uit het vervolg van de overweging blijkt dat een vooraf afgelegde schriftelijke slachtofferverklaring wel bewijs kan opleveren, omdat dit valt in de bewijscategorie ‘schriftelijk bescheid’. Deze uitzondering speelt in deze zaak geen rol en laat ik daarom verder onbesproken.
Zie uitvoerig het nader rapport, Kamerstukken II 2014/15, 34082, nr. 4. Zie voorts de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2014/15, 34082, nr. 3, p. 11-13.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 34082, nr. 3, p. 8.
Vgl. nader over de taak en rol van het openbaar ministerie bij de vervolging van strafbare feiten bijv. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 49-51 en 123-124.
Zie voor e.e.a. bijv. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 627.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 627, en WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., art. 167 Sv, aant. 6 (bijgewerkt tot en met 1 maart 2010). Zie ook G.J.M. Corstens, Waarborgen rondom het vervolgingsbeleid, IJmuiden: Vermande 1974, p. 34-36.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 658 e.v.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 666-667.
HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt. T.M.C.J. Schalken, rov. 2.4. Vgl. ook HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1313, NJ 1999/554, m.nt. T.M. Schalken, rov. 3.3. Zie hierover ook J G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 58 e.v.
De Staat bestrijdt in dit kort geding niet dat de beslissing over het instellen van hoger beroep ter toetsing aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd als restrechter. Dat lijkt me terecht, nu het slachtoffer elders geen rechtsingang heeft om deze beslissing aan de orde te stellen, het slachtoffer een zwaarwegend belang erbij kan hebben dat een rechtsmiddel wordt ingesteld, en het openbaar ministerie, als gezegd, mede op dat belang moet letten.
Zie HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9649, NJ 1994/306, m.nt. Th.W. van Veen, rov. 5.1 en 5.2, HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0652, NJ 1997/411, rov. 5.2 en 5.3, en HR 18 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5386, NJ 2008/398, rov. 3.3. Zie hierover ook bijv. J. Hielkema, T&C Strafvordering, commentaar op art. 404 Sv. Vgl. voorts HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1764, NJ 2023/169, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.1.
Pleitnota van zijn advocaat onder 4.4.
Zie p. 4 laatste alinea van het proces-verbaal van de zitting, dat is overgelegd als productie 3 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
Zie m.n. onder 4.4 en 4.5 van de pleitnota van zijn advocaat in eerste aanleg en onder 4.3.2 en 4.3.3 van zijn memorie van grieven (waarnaar in subonderdeel 1.1 onder (d) van het middel van de Staat wordt verwezen).
Zie de namens haar gegeven schriftelijke toelichting.
Zie in deze zin L.J. Bergsma, ‘Ongewenste ontwikkeling: het ten laste leggen van een strafbaar feit met als doel het creëren van spreekrecht voor nabestaanden’, TvSO 2021/17048 over Rb. Amsterdam 22 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2598, waarin de officier van justitie het subsidiair tenlastegelegde slechts ten laste had gelegd zodat de nabestaanden spreekrecht hadden.
Beroepschrift 29‑08‑2023
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 29 augustus 2023 |
Uiterste verschijndatum verweerder: | 5 oktober 2023 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Partijen en advocaten
Eiser tot cassatie
Naam: | DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) |
Zetel: | Den Haag |
Advocaat bij de Hoge Raad: | mr. G.C. Nieuwland, die door eiser als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC DEN HAAG |
Verweerster in cassatie
Naam: | [verweerster] |
Woonplaats: | [woonplaats] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. S. Ikiz |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Advocatenkantoor Ikiz Courtoisstraat 30 6217 VT MAASTRICHT |
Bestreden uitspraak
Instantie: | Gerechtshof Den Haag |
Datum: | 4 juli 2023 |
Zaaknummer: | 200.314.170/01 |
Middel van cassatie
Het hof heeft het recht geschonden en/of vormen verzuimd waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof heeft geoordeeld als vermeld in het bestreden arrest, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding
Relevante achtergrond1.
In deze zaak heeft de civiele (kortgeding)rechter ingegrepen in een beslissing van het Openbaar Ministerie om geen hoger beroep in te stellen in een strafzaak.
De strafzaak draaide om een verdenking van bedreiging en belediging, welke feiten zouden zijn gepleegd in het kader van een burenruzie. Nadat het Openbaar Ministerie op een zitting bij de politierechter bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs tot vrijspraak had gerekwireerd, is de verdachte door de politierechter vrijgesproken.
[verweerster], die in het kader van de strafzaak had te gelden als slachtoffer van de feiten waarvan de verdachte werd verdacht, is tijdens de zitting bij de politierechter beperkt in de uitoefening van haar spreekrecht. Zij heeft het Openbaar Ministerie (met name) om die reden verzocht hoger beroep in te stellen. Daaraan heeft het Openbaar Ministerie geen gehoor gegeven. Ter onderbouwing van de beslissing om af te zien van hoger beroep heeft de officier van justitie (meteen) erop gewezen (i) dat zij tot een integrale vrijspraak had gerekwireerd. Daarnaast heeft de officier van justitie erop gewezen (ii) dat zij vond dat de politierechter voldoende ruimte had gelaten voor de uitoefening van het spreekrecht en (iii) dat het Openbaar Ministerie ter zitting reeds afstand had gedaan van de mogelijkheid van hoger beroep.
Uit het na deze beslissing verschenen proces-verbaal bleek echter niet dat het Openbaar Ministerie afstand had gedaan van hoger beroep en bleek wel dat [verweerster] was beperkt in de uitoefening van haar spreekrecht.
Daarop heeft [verweerster] het onderhavige kort geding geëntameerd, met als inzet onder meer een gebod tot het instellen van hoger beroep. Ter zitting heeft de Staat toegelicht waarom het Openbaar Ministerie blijft bij zijn beslissing, namelijk omdat het onvoldoende wettig en overtuigend bewijs ziet voor een veroordeling, reden waarom reeds tot vrijspraak was gerekwireerd. De Staat heeft verder toegelicht dat het gegeven dat (anders dan de officier van justitie aanvankelijk veronderstelde) geen afstand was gedaan van hoger beroep, daaraan niet afdoet, evenmin als de omstandigheid dat het spreekrecht mogelijk ten onrechte is beperkt.
De voorzieningenrechter heeft de Staat geboden hoger beroep in te stellen in de betrokken strafzaak. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Aanleiding voor en kern van het cassatieberoep
De Staat heeft moeite met de wijze waarop de civiele (kortgeding)rechter aldus heeft ingegrepen in een strafrechtelijke procedure. Door het Openbaar Ministerie voor te schrijven hoger beroep in te stellen, is de civiele rechter in de visie van de Staat ten onrechte op de stoel van het Openbaar Ministerie gaan zitten. Weliswaar heeft het hof in rov. 6.3 van zijn arrest het juiste toetsingskader vooropgesteld, maar bij de toepassing daarvan heeft het blijk gegeven van een onvoldoende terughoudende opstelling. Bovendien heeft het hof bij die toepassing op diverse fronten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de positie en rechten van het slachtoffer in het strafproces alsmede zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.
De Staat vreest dat bij slachtoffers in andere zaken op basis van het (principieel gemotiveerde) arrest van het hof een onjuist beeld zal ontstaan omtrent die positie en rechten, en dat dit tot onnodige discussies — en mogelijke nieuwe korte gedingen — tussen het Openbaar Ministerie en slachtoffers aanleiding kan geven. Het is met name hierom dat de Staat het van belang vindt deze zaak voor te leggen aan uw Raad.
Daarbij realiseert de Staat zich dat het formeel-juridische belang (in de zin van art. 3:303 BW) zich beperkt tot de ten laste van de Staat uitgesproken kostenveroordeling. Ook realiseert de Staat zich dat reeds in hoger beroep het belang daartoe was beperkt2. en dat het hof zijn beslissing dat de Staat daarin terecht is veroordeeld, heeft voorzien van twee zelfstandig dragende gronden. Die beslissing steunt immers niet alleen op (I) het oordeel dat de voorzieningenrechter volgens het hof3. terecht evenbedoeld gebod heeft uitgesproken. Daarnaast oordeelt het hof (II) dat de Staat — ook als de vorderingen in eerste aanleg hadden moeten worden afgewezen — terecht is veroordeeld in de kosten van het geding, nu hij die kosten nodeloos zou hebben veroorzaakt.
Voorts is het Openbaar Ministerie zich terdege bewust van de taak en verantwoordelijkheid die het heeft bij het verwezenlijken van de in het Wetboek van Strafvordering (ter implementatie van de Slachtofferrichtlijn4.) neergelegde rechten van het slachtoffer.5. Het Openbaar Ministerie heeft, meer in het algemeen, oog voor de belangen van het slachtoffer en betrekt die vanzelfsprekend bij zijn beslissingen.
Het zij benadrukt dat het Openbaar Ministerie het in dit licht ongelukkig acht dat de politierechter [verweerster] heeft beperkt in de uitoefening van haar spreekrecht.
Mede gelet op de hierna aan de orde te stellen inhoud van het spreekrecht, kan dat gegeven6. in de visie van de Staat evenwel niet rechtvaardigen dat het Openbaar Ministerie wordt gedwongen hoger beroep in te stellen, althans niet in een situatie waarin de verdachte conform het requisitoir is vrijgesproken en het Openbaar Ministerie dus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een veroordeling aanwezig acht.7. Door dat toch te doen, is het hof niet alleen te zeer getreden in de beslissingsruimte van het Openbaar Ministerie, maar heeft het ook onvoldoende oog gehad voor de belangen en rechten van de verdachte (die erop mag rekenen niet te worden geconfronteerd met een hoger beroep van het Openbaar Ministerie in een geval waarin datzelfde Openbaar Ministerie (op goede gronden) meent dat er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling).
Het Openbaar Ministerie meent, met andere woorden, dat weliswaar gewicht toekomt aan de belangen van slachtoffers, maar dat in het strafproces de bewijsvraag vooropstaat. Het hof heeft daar volgens de Staat onvoldoende oog voor gehad. Dat heeft geresulteerd in een onaanvaardbare inmenging in een beslissing van het Openbaar Ministerie en daarmee in de rechtsgang bij de strafrechter.
Wanneer het Openbaar Ministerie tot de overtuiging komt dat onvoldoende bewijs bestaat voor een veroordeling (in hoger beroep) — en geen sprake is van duidelijke contra-indicaties dienaangaande — kan (een bevel tot) (verdere) vervolging (waaronder het instellen van hoger beroep) niet aan de orde zijn. Van dergelijke contra-indicaties is in deze zaak niet gebleken. Het hof heeft alleen aangenomen dat ‘niet is uit te sluiten’ dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht en/of het alsnog beëdigen van een getuige tot een ander resultaat had geleid.8. Dat is (in een geval als dit) zonder meer onvoldoende. Dat oordeel berust, als reeds aangestipt, bovendien op een onjuiste rechtsopvatting omtrent de inhoud van het spreekrecht.
Voorbehoud aanvulling cassatiemiddel
De Staat behoudt zich het recht voor tot aanvulling van het cassatiemiddel op basis van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. De Staat heeft dit proces-verbaal opgevraagd maar thans nog niet ontvangen.
Klachten
1. Grond (I) — ‘voorziening terecht getroffen’
In rov. 6.3 van het arrest heeft het hof het toepasselijke toetsingskader juist weergegeven. Dat kader komt in de kern erop neer dat het Openbaar Ministerie ter zake van beslissingen om tegen een strafvonnis al dan niet hoger beroep in te stellen een grote beleidsruimte geniet, dat de wet niet voorziet in rechterlijk toezicht op dergelijke beslissingen, en dat (de afwegingen over) die beslissingen in beginsel moeten worden gerespecteerd. Voor ingrijpen door de burgerlijke rechter kan (daarom) hoogstens aanleiding bestaan indien keuzes die het Openbaar Ministerie maakt in redelijkheid niet navolgbaar zijn (of, anders gezegd, indien geen redelijk denkend ambtenaar van het Openbaar Ministerie tot de desbetreffende beslissing kon komen). Ingrijpen kan dus, zoals het hof onderkent,9. alleen plaatsvinden in uitzonderlijke gevallen.
In rov. 6.5 tot en met rov. 6.19 heeft het hof vervolgens beoordeeld of zich in casu een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet, dat grond geeft voor de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel (het uitgesproken gebod). Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord op basis van een reeks — deels juridische en deels feitelijke — omstandigheden. Deze toepassing van het op zichzelf juist weergegeven toetsingskader getuigt in meerdere opzichten van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet naar behoren gemotiveerd.
1.1
Het hof overweegt in rov. 6.5 dat [verweerster] ter onderbouwing van haar vordering onder meer heeft aangevoerd: b) dat niet is uit te sluiten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander standpunt van het Openbaar Ministerie (kennelijk: dan het vorderen van vrijspraak) en een ander oordeel van de politierechter (kennelijk: dan een vrijspraak) had kunnen leiden, en d) dat niet is uit te sluiten dat [verweerster] de onduidelijkheid die was ontstaan ten gevolge van de verklaring van de niet beëdigde getuige door middel van haar spreekrecht had kunnen wegnemen. In rov. 6.6 oordeelt het hof dat de Staat deze stellingen niet (gemotiveerd) heeft weersproken. In rov. 6.12 overweegt het hof (nogmaals) dat [verweerster] (in hoger beroep) heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het uitoefenen van het onbeperkte spreekrecht tot een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden. Uit de context van deze overweging volgt dat het hof van oordeel is dat [verweerster] zulks terecht heeft aangevoerd; het hof heeft de bedoelde stellingen dus omarmd. In rov. 6.16 oordeelt het hof — onder verwijzing naar art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn10. — (bovendien) dat het spreekrecht mede het recht inhoudt om bewijselementen aan te voeren.
Hieruit volgt dat het hof van oordeel is dat [verweerster] in het kader van een onbelemmerde uitoefening van haar spreekrecht het recht had gehad om bewijs aan te dragen voor de aan de verdachte tenlastegelegde feiten en dat de uitoefening van het spreekrecht (aldus) een wezenlijke bijdrage had kunnen leveren aan de beantwoording van de vraag of voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de tenlastegelegde feiten bestaat.11. Deze — rechtens onjuiste — aanname van het hof vormt een cruciale bouwsteen voor het oordeel dat zich een uitzonderlijk geval voordoet als hiervoor bedoeld.
- (a)
Het oordeel dat het spreekrecht van het slachtoffer mede inhoudt het recht om bewijselementen aan te voeren (als bedoeld in art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn) is rechtens onjuist. Art. 10 lid 1 Slachtofferrichtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure (a) kan worden gehoord en (b) bewijselementen kan aanvoeren. Het achter (b) bedoelde recht is (uitsluitend) neergelegd (geïmplementeerd) in art. 51b lid 2 Sv (‘Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen.’), en niet tevens in art. 51e lid 2 Sv, waarin het spreekrecht is neergelegd (‘Het slachtoffer kan op de terechtzitting een verklaring afleggen.’).12.
- (b)
Indien het hof heeft geoordeeld dat [verweerster] ten onrechte is beperkt in de uitoefening van het in art. 51b lid 2 Sv neergelegde recht, is het hof (in strijd met art. 24 Rv) buiten de door partijen getrokken grenzen van rechtsstrijd getreden. [verweerster] heeft immers niet gesteld dat zij is beperkt in de uitoefening van dat recht (doordat de officier van justitie ten onrechte zou hebben geweigerd om door [verweerster] aangedragen stukken te voegen13.).
- (c)
Indien het hof ervan is uitgegaan dat een (volledige) ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring van [verweerster] als zodanig tot bewijs had kunnen dienen, getuigt dat ook van een onjuiste rechtsopvatting. Een slachtofferverklaring ex art. 51e lid 2 Sv vormt immers geen wettig bewijsmiddel in het strafproces en mag niet worden gebezigd voor het motiveren van de einduitspraken in de zin van art. 350 Sv, in het bijzonder niet ten aanzien van het bewijs.14.
- (d)
Voorts is onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat de Staat niet (gemotiveerd) heeft betwist dat niet is uit te sluiten dat het onbeperkt uitoefenen van het spreekrecht tot een ander standpunt van het Openbaar Ministerie en een ander oordeel van de politierechter had kunnen leiden. De Staat heeft immers gesteld dat er in de strafzaak welbeschouwd slechts verklaringen liggen van [verweerster] (in de vorm van aangiften), en voor wat betreft het tweede tenlastegelegde feit een verklaring van een getuige (de heer [getuige]). Daaraan heeft de Staat toegevoegd dat deze processtukken onvoldoende duidelijkheid bieden voor een bewezenverklaring van strafbare feiten, dat het Openbaar Ministerie in het licht daarvan niet op goede gronden kan betogen waarom verdere vervolging zou zijn aangewezen, dat het Openbaar Ministerie daarom ervan uitgaat dat het in appel niet-ontvankelijk zou worden verklaard, zodat aan het spreekrecht van [verweerster] dan niet eens wordt toegekomen. Voorts heeft de Staat aangevoerd dat de redenen waarom volgens [verweerster] in de strafzaak hoger beroep zou moeten worden ingesteld, niet kunnen leiden tot een andere uitkomst dan niet-ontvankelijkverklaring of vrijspraak, nu [verweerster] niet, althans onvoldoende heeft aangevoerd dat [verdachte] (de verdachte) ten onrechte is vrijgesproken.15. Mede gelet op de hiervoor bedoelde inhoud van het spreekrecht en het gegeven dat een slachtofferverklaring ex art. 51e lid 2 Sv geen bewijsmiddel is, ligt in deze stellingen onmiskenbaar een (voldoende gemotiveerde) betwisting besloten van evenbedoelde stelling van [verweerster].
Gegrondbevinding van één of meer van deze klachten vitieert de door het hof bereikte conclusie dat zich in casu een uitzonderlijk geval voordoet dat grond geeft voor de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel. Ook echter indien het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent (kort gezegd) de inhoud van het spreekrecht en/of de bewijswaarde van een slachtofferverklaring16. (dan wel indien de oordelen dienaangaande niet dragend zouden worden geacht), kan die conclusie niet in stand blijven. In dat geval heeft het hof miskend dat bij de beslissing van het Openbaar Ministerie om hoger beroep in te stellen in een strafrechtelijke procedure voorop moet staan of ten minste verdedigbaar is dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring (dus dat reële aanknopingspunten voor verdere vervolging bestaan) en dat daarzonder, mede gelet op de belangen van de verdachte, hoger beroep (in beginsel) niet aan de orde kan zijn. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat de beschikbare bewijsmiddelen meebrengen dat aan die essentiële voorwaarde is voldaan.
1.2
Hier komt nog bij dat het oordeel van het hof dat ‘niet is uitgesloten’ dat de onbeperkte uitoefening van het spreekrecht dan wel het beëdigen van de in rov. 6.5 achter c) bedoelde getuige, tot een andere uitkomst van de strafzaak had kunnen leiden (een bewezenverklaring), alsmede de betekenis die het hof daaraan klaarblijkelijk toekent bij de beoordeling of zich een uitzonderlijk geval voordoet dat grond geeft voor de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel, blijk geeft van een onvoldoende terughoudende en/of anderszins rechtens onjuiste toetsing van de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen hoger beroep in te stellen. Voor ingrijpen door de civiele rechter in een geval als het onderhavige zal immers ten minste (als ondergrens) vereist zijn dat verdedigbaar is dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring17. (dus dat reële aanknopingspunten voor verdere vervolging bestaan). Het hof heeft dit blijkens het genoemde oordeel (ook in dit verband) miskend en ook om die reden getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting.
Een en ander klemt temeer in het licht van het, door de Staat gestelde,18. gegeven dat [verweerster] ook niet concreet heeft toegelicht welke bewijsmiddelen in hoger beroep in een bewezenverklaring zouden hebben kunnen resulteren.
1.3
Aan de door het hof bereikte conclusie dat zich in casu een uitzonderlijk geval voordoet dat grond geeft voor de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel, heeft het hof blijkens rov. 6.18 mede ten grondslag gelegd dat de officier van justitie zonder vooroverleg met [verweerster] en anders dan [verweerster] op basis van het de dag daarvoor gevoerde telefoongesprek had mogen verwachten, tot vrijspraak heeft gerekwireerd, en dat dit indruist tegen de rechten die [verweerster] als slachtoffer op grond van de in het Wetboek van Strafvordering omgezette bepalingen uit de Slachtofferrichtlijn toekomt.
Indien het hof hiermee heeft geoordeeld dat de officier van justitie (in een procedure bij de politierechter) is gehouden om voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting het slachtoffer (desgevraagd) te informeren over de inhoud en/of strekking van het requisitoir, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijke verplichting volgt immers niet uit (een richtlijnconform uitgelegd) art. 51ac Sv, waarin het informatierecht van het slachtoffer is neergelegd, of enige andere regeling inzake de rechten van slachtoffers.19. Een dergelijke verplichting zou zich overigens ook niet goed verdragen met het gegeven dat de officier van justitie mede op basis van het onderzoek ter terechtzitting tot (inhoud en strekking van) zijn requisitoir dient te komen (vgl. art. 311 Sv).
1.4
Aan de door het hof bereikte conclusie dat zich in casu een uitzonderlijk geval voordoet dat grond geeft voor de door de voorzieningenrechter getroffen maatregel, heeft het hof blijkens rov. 6.18 voorts ten grondslag gelegd dat de officier van justitie (i) na afloop van de zitting in strijd met de waarheid aan [verweerster] — bij e-mail van 23 juni 2022 -20. heeft meegedeeld dat van een spreekrechtbeperking geen sprake is geweest en dat hoger beroep niet meer mogelijk was en (ii) na de onderbouwde betwisting van de juistheid daarvan door de advocaat van [verweerster] heeft nagelaten een nadere inhoudelijke motivering te geven van haar beslissing om geen hoger beroep in te stellen. Het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans is onbegrijpelijk dat het hof relevant gewicht aan deze omstandigheden heeft toegekend gelet op het, door de Staat gestelde,21. gegeven dat de officier van justitie reeds in dezelfde e-mail eveneens heeft meegedeeld dat zij afziet van hoger beroep omdat zij ter zitting ‘tot een integrale vrijspraak [is] gekomen en dit (…) ook [heeft] onderbouwd’, welke reden de beslissing om geen hoger beroep in te stellen (vanzelfsprekend) zelfstandig kan dragen en waaraan de onjuiste aannames omtrent de uitoefening van het spreekrecht en het doen van afstand van hoger beroep (naar voor een ieder kenbaar moet zijn) geen afbreuk kunnen doen.
2. Grond (II) — ‘kosten nodeloos veroorzaakt’
Het hof heeft zijn beslissing dat de Staat terecht is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg, voorzien van een tweede grond. In rov. 6.21 oordeelt het hof dat de Staat — ook als alle vorderingen van [verweerster] in eerste aanleg hadden moeten worden afgewezen — terecht is veroordeeld in de kosten van het geding, nu hij die kosten nodeloos zou hebben veroorzaakt. Redengevend daarvoor is volgens het hof dat de door de officier van justitie tot de mondelinge behandeling van het kort geding — in haar e-mail van 23 juni 2022 — gegeven motivering was gebaseerd op onjuiste veronderstellingen en die officier van justitie vervolgens had geweigerd om een nadere toelichting te verstrekken nadat de raadsman van [verweerster] haar op die onjuistheid had gewezen. Daarom zou [verweerster] geen andere keuze hebben gehad dan het door haar aangekondigde kort geding te handhaven.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans is ontoereikend gemotiveerd gelet op het, door de Staat gestelde,22. gegeven dat de officier van justitie reeds in dezelfde e-mail eveneens heeft meegedeeld dat zij afziet van hoger beroep omdat zij ter zitting ‘tot een integrale vrijspraak [is] gekomen en dit (…) ook [heeft] onderbouwd’, welke reden de beslissing om geen hoger beroep in te stellen (vanzelfsprekend) zelfstandig kan dragen en waaraan de onjuiste aannames omtrent de uitoefening van het spreekrecht en het doen van afstand van hoger beroep (naar voor een ieder kenbaar moet zijn) geen afbreuk kunnen doen. [verweerster] kon dus reeds op basis van de in de e-mail van 23 juni 2022 gegeven motivering (en niettegenstaande de inhoud van het nadien verschenen proces-verbaal) concluderen dat en waarom een hoger beroep niet aan de orde zou zijn.
Op grond van dit middel
vordert de Staat vernietiging van het bestreden arrest met zodanige verdere beslissing als uw Raad passend acht, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑08‑2023
zie voor het navolgende: rov. 3.1 tot en met 3.11 van het bestreden arrest en de hierna in het kader van de klachten opgenomen vindplaatsen in de gedingstukken.
Zie rov. 6.1 van het bestreden arrest.
Toetsend op de in rov. 6.2 bedoelde wijze.
Voluit: Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ.
Die verder zijn uitgewerkt in onderliggende ministeriële regelingen en de Aanwijzing slachtofferrechten van het College van procureurs-generaal.
Evenmin als overige omstandigheden van het geval.
En overigens ook meteen aan het slachtoffer is meegedeeld dat dit een van de redenen is om niet in hoger beroep te gaan, zoals hierna aan de orde komt.
En zulks bovendien op basis van een nauwelijks uitgewerkt betoog van [verweerster] te dier zake.
Zie: rov. 6.4, eerste volzin; het tussenkopje boven rov. 6.5; rov. 6.12 en 6.17, eerste volzin (‘een zodanig uitzonderlijke situatie’).
Waarnaar het hof ook reeds verwijst in rov. 6.9 van het bestreden arrest.
Vgl. ook het slot van rov. 6.12, laatste volzin.
Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 236, nr. 3 (MvT), p. 37.
Zie HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011: BR 2359; HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012: BR 1149; Kamerstukken II 2014/15, 34 082, nr. 6, p. 14.
Zie voor deze stellingen memorie van grieven, nr. 4.3.2–4.3.3.
Maar (niettegenstaande de door het hof gehanteerde bewoordingen) is uitgegaan van de hiervoor achter (a) en (c) door de Staat bedoelde rechtsopvatting.
Overigens zal zulks voor ingrijpen doorgaans niet voldoende zijn, nu het Openbaar Ministerie in veel gevallen op andere gronden (bijvoorbeeld van opportuniteit) in redelijkheid tot de beslissing kan komen om toch geen hoger beroep in te stellen.
Zie memorie van grieven, nr. 4.3.3.
Aangehaald in rov. 3.9 van het bestreden arrest.
Zie memorie van grieven, nr. 2.4. Zie voor de betrokken e-mail productie 4 bij inleidende dagvaarding.
Zie memorie van grieven, nr. 2.4. Zie voor de betrokken e-mail productie 4 bij inleidende dagvaarding.