Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.8.4:5.8.4 Slotopmerkingen
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.8.4
5.8.4 Slotopmerkingen
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446101:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit geldt derhalve ook voor de Nederlandse situatie. Indien de hoofdprocedure in Nederland wordt geopend en de procedure eindigt door een akkoord, blijven de niet-voldane gedeelten van de vorderingen over als natuurlijke verbintenissen (zie par. 6.8). Verhaal door schuldeisers op goederen van de schuldenaar is nadien niet langer mogelijk.
HR 31 mei 1996, NJ 1998, 108, nt. ThMdB; JOR 1996/75, nt. Veder (Coppoolse/De Vleeschmeesters BV).
In gelijke zin Kortmann/Veder, WPNR 2000/6421, p. 769.
Art. 17 lid 1 jo. art. 3 lid 1 IVO.
Art. 3 lid 2 IVO.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor zijn de belangrijkste gevolgen van de insolventieverordening voor het Nederlandse faillissementsrecht uiteengezet, in de gevallen dat een hoofdprocedure of een territoriale procedure door een akkoord worden beëindigd. Indien het recht dat van toepassing is op de hoofdprocedure bepaalt dat voor schuldeisers na afloop van de hoofdprocedure ter zake van het onvoldaan gebleven deel van hun vorderingen alleen natuurlijke verbintenissen overblijven, kunnen schuldeisers hun restantvorderingen niet langer verhalen op goederen van de schuldenaar,1 derhalve ook niet op goederen van de schuldenaar in andere lidstaten. Voor de inwerkingtreding van de insolventie verordening lag dit anders. Toen gold immers de regel dat rechtsgevolgen die aan een in het buitenland uitgesproken faillissement waren verbonden, in Nederland niet konden worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane schuldeisers zich niet meer konden verhalen op na afloop van het faillissement in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de schuldenaar.2 Naar huidig recht dient hen daarentegen ieder verhaal op in Nederland gelegen goederen te worden ontzegd.3
De gebondenheid van schuldeisers aan een akkoord dat is tot stand gekomen in een buitenlandse hoofdprocedure, wordt beheerst door de lex con-cursus. Zo kan het voorkomen dat het recht van de lidstaat waar de hoofdprocedure is geopend, bepaalt dat concurrente-, preferente- en zelfs zekerheidsschuldeisers aan een akkoord zijn gebonden. Voor zekerheidsschuldeisers betekent een akkoord tot stand gekomen in een hoofdprocedure volgens de regels van bijvoorbeeld het Duitse recht, echter niet dat hun bevoorrechte posities hierdoor verloren zijn gegaan. Op grond van art. 5 lid 1 IVO blijven de 'zakelijke' rechten van laatstgenoemden immers onaangetast.
Door aan een geopende hoofdinsolventieprocedure universele werking4 toe te kennen, kan de Nederlandse Faillissementswet buiten werking worden gesteld, indien de hoofdprocedure in een andere lidstaat wordt geopend. De artt. 138 e.v. Fw betreffende het akkoord vinden dan geen toepassing. Zoals hiervoor uiteengezet, kan een in een andere lidstaat geopende hoofdprocedure met zich brengen dat schuldeisers in deze procedure een slechtere positie innemen dan zij in een in Nederland uitgesproken faillissement zouden hebben gehad. Hierin kan slechts verandering worden gebracht indien in Nederland een territoriale procedure wordt geopend. Het in Nederland uitgesproken territoriale faillissement wordt dan immers afgewikkeld overeenkomstig de regels van het Nederlandse faillissementsrecht. Wanneer een territoriale procedure als bedoeld in art. 3 lid 2 IVO is geopend, kan aan de hoofdprocedure geen universele werking meer worden toegekend (art. 17 lid 1 slot IVO). Een secundaire procedure kan echter slechts worden geopend voor zover de schuldenaar beschikt over een in Nederland gelegen vestiging.5