Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.3.1
4.2.3.1 De integrale adviesopdracht
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701990:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
‘Alle’ is enigszins gechargeerd aangezien onteigeningsdeskundigen zich niet uitlaten over de kostenverdeling.
Sluysmans spreekt in dit kader van een ‘rompvonnis’: Sluysmans 2011, p. 193. Zie ook: Schuite 2022.
Schuite, EeR 2020/6, p. 219.
Scheltema & Storm 2008, § 6.6.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 314; Hugenholtz & Heemskerk 2018, p. 154; Scheltema & Storm 2008, § 6.6; Sluysmans 2011, p. 180.
Rb. Roermond 23 maart 2005, ECLI:NL:RBROE:2005:AT2618.
Rb. Midden-Nederland 9 december 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5335.
Rb. Gelderland 5 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:3280.
In verband hiermee speelt ook een rol dat de ‘normale’ civiele rechter – anders dan de onteigeningsrechter – moet blijven binnen de grenzen van de rechtsstrijd zoals die door partijen is getrokken. De onderzoeksvragen van de rechter moeten zich binnen het afgebakende partijdebat bevinden (art. 24 jo. art. 149 lid 1 Rv). Zie hierover ook: Scheltema & Storm 2008, § 6.6; De Groot 2008, § 4.6.3 en § 4.7.3.
Zie in dezelfde zin: Sluysmans 2011, p. 180; Scheltema & Storm 2008, § 6.6; Schuite, EeR 2020/6, p. 219-221.
Rb. Limburg 11 januari 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:97, r.o. 2.12.
HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8398, NJ 1991/1.
Zie voor een zeldzame uitzondering: Rb. Overijssel 5 februari 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1116. In de literatuur is men het er in algemene zin over eens dat het stellen van rechtsvragen aan deskundigen ook zoveel mogelijk moet worden vermeden: De Groot 2008, § 4.7.3; Asser Procesrecht 2017, nr. 179; De Bock 2011, p. 291-292.
Concl. A-G F.F. Langemeijer, ECLI:NL:HR:2019:272, bij HR 22 februari 2019; Giard, TvPP 2017/1 p. 6.
Zo is bijvoorbeeld een medisch causaal verband niet per definitie op een lijn te stellen met een juridisch causaal verband.
In dit verband wordt wel gesproken van ‘verloren deskundigen’ (Slijk & Husson, EeR 2008/6, p. 191) of ‘dwalende’ deskundigen (Giard, EeR 2014/3).
HR 8 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX3171, NJ 2006/493.
De Bock 2011, § 7.8; Van, TVP 2003, nr. 4, p. 105; Giard, EeR 2013/2.
De Bock 2011, § 7.8 Giard, EeR 2013/2; Van, TVP 2003, nr. 4; Giard, EeR 2013/4.
Beenders, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 194, aant. 4 (online, bijgewerkt 1 januari 2022).
Zie daarover uitgebreid mijn artikel in Expertise en Recht: Schuite, EeR 2020/6.
Toen de Hoge Raad in 1864 de poorten van de volledige schadeloosstelling opende, betekende dit een belangrijke verandering voor het werk van onteigeningsdeskundigen. Zij konden vanaf dat moment niet langer volstaan met het inbrengen van een stukje bijzondere (taxatie)expertise, maar dienden ook bij de zoektocht naar de juridisch relevante schadeposten het voortouw te nemen (uitgebreid § 3.3). Het werd hun taak om de rechter een integraal advies te verstrekken. Dat wil zeggen een advies dat alle vragen beantwoordt die de rechter ook moet beantwoorden.1 In de uitoefening van die adviestaak treden onteigeningsdeskundigen ook in de toepassing en interpretatie van rechtsregels. Zij verrichten in belangrijke mate het (juridische) voorwerk op basis waarvan de rechter vonnis wijst.2 Met het voorgaande hangt samen dat in het onteigeningsrecht geen specifieke rechterlijke onderzoeksvraag aan de orde is.3 De enige taak die deskundigen meekrijgen, is hun wettelijke taak om ‘de schadeloosstellingen te begroten’ (art. 27 Onteigeningswet). Deskundigen weten op basis van hun – vaak jarenlange – kennis en ervaring wat er van hen wordt verwacht en gaan zelfstandig aan de slag. Partijen worden ook niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over die rechterlijke onderzoeksvraag (of beter gezegd, het ontbreken daarvan).4 Het integrale karakter van de adviestaak beschreef ik ook reeds in § 2.2.6.
Dit beeld is anders bij de ‘normale’ deskundige in civiele zaken. De rechter gelast doorgaans alleen een deskundigenbericht wanneer er voor de vaststelling of beoordeling van bepaalde feiten speciale vakkennis nodig is waarover de rechter zelf niet beschikt.5 Dat ontbrekende stukje expertise wordt dan bij de deskundige ingewonnen. De rechter formuleert – eventueel na voorafgaand overleg met partijen – een of meerdere onderzoeksvragen waarover deskundigen dienen te rapporteren.6 Aan deskundigen wordt bijvoorbeeld gevraagd of er een medische onderbouwing voor geuite whiplashklachten is,7 of er sprake was van een stoornis van de geestvermogens bij een erflater,8 of naar de stabiliteit en breukvastheid van een zomereik.9 Aan de ‘normale’ civiele deskundige wordt niet gevraagd om ook juridische gevolgtrekkingen aan de onderzoeksbevindingen te verbinden. De juridische kwalificatie van de feiten behoort tot de exclusieve taak van de rechter. Anders dan onteigeningsdeskundigen leveren ‘normale’ deskundigen in civiele zaken dus geen integraal advies, vooruitlopend op het rechterlijk oordeel.10 Hun taak is veeleer beperkt tot het leveren van een specifiek stukje kennis dat de rechter mist.11 Dit beeld wordt treffend weergegeven in een schadeloosstellingsvonnis van de rechtbank Limburg:
“Vooropgesteld wordt dat er een significant verschil bestaat tussen de activiteiten van een “normale” door de rechtbank ingeschakelde deskundige en de deskundigen in onteigeningszaken. De taak van de onteigeningsdeskundigen gaat namelijk verder dan de taak van deskundigen in “normale” civiele zaken, omdat de onteigeningdeskundigen niet enkel gevraagd wordt op basis van hun deskundigheid feiten te vergaren en te interpreteren maar daar ook - in het kader van hun advies - reeds juridische gevolgtrekkingen uit te maken.”12
Zoals al beschreven in § 4.2.2.3 kan het ook buiten onteigeningszaken overigens wel voorkomen dat de rechter advies inwint omtrent juridische vragen. In de zeldzame gevallen dat dit gebeurt, zullen dat voornamelijk juridische toepassings- of interpretatievragen zijn (zoals wat er naar Nederlands recht onder ‘indijking’ moet worden verstaan, zie hiervoor in § 4.2.2.3).13 Rechtsvragen worden in het ‘normale’ civiele recht eigenlijk nooit aan deskundigen voorgelegd.14 Daarbij merk ik wel op dat het onderscheid tussen rechtsvragen en andere juridische vragen in de praktijk niet altijd even duidelijk is. Met name in het (medische) aansprakelijkheidsrecht komt het wel voor dat aan de deskundige zogenaamd juridisch-normatieve vragen worden gesteld. Gedacht kan worden aan de vraag of voldaan is aan de maatstaf van een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam arts’.15
Uit dat laatste kan al voorzichtig worden afgeleid dat het voor de ‘normale’ civiele rechter niet altijd eenvoudig is om de deskundige met de juiste onderzoeksvraag te belasten. Vakspecialistische deskundigen zijn doorgaans niet thuis in het juridisch jargon en de rechter ontbreekt het vaak aan de benodigde vakspecialistische kennis om de onderzoeksvraag goed in te bedden. Ook kan het voorkomen dat aan ogenschijnlijk evidente begrippen in en buiten rechte een andere betekenis toekomt. Dat geldt niet alleen voor de eerdergenoemde juridisch-normatieve begrippen, maar bijvoorbeeld ook voor een begrip als ‘causaliteit’.16 Andersom is een juridische procedure voor veel vakspecialistische deskundigen een terra incognita.17 Het arrest Timans/Architectenburo Haarsma laat treffend zien hoe een bij vakgenoten hoog aangeschreven deskundige volledig de weg kwijt kan raken door kennelijke onbekendheid met de juridische context waarin zijn advies wordt gevraagd.18 In de casus die ten grondslag lag aan dat arrest werd van de deskundige gevraagd om te beoordelen of er sprake was van een ‘oorspronkelijk karakter’ en een ‘persoonlijke stempel’ van een architect in het kader van een auteursrechtelijk geschil. Voor de beantwoording van die vraag hanteerde de deskundige evenwel geen auteursrechtelijke uniciteitstoets, maar een kwaliteitstoets op basis van door hem zelf opgestelde (welstands)criteria. Het deskundigenadvies werd onbruikbaar geacht voor de beantwoording van de onderzoeksvraag.
Om te voorkomen dat deskundigenrapporten niet beantwoorden aan de verwachtingen, is de formulering van de onderzoeksvraag een zeer belangrijke, maar ook precaire aangelegenheid.19 In de literatuur worden wel voorstellen gedaan om mogelijke problemen bij de formulering van de onderzoeksvraag te mitigeren.20 Daarvan krijgt het voorafgaand overleg met partijen in de praktijk de meeste navolging.21
Als gezegd, speelt bovenstaande problematiek niet of nauwelijks in het onteigeningsrecht. Door de integrale adviestaak is een specifieke onderzoeksvraag immers niet aan de orde. In zijn algemeenheid vindt er in het onteigeningsrecht geen – of in veel mindere mate – een ‘domeinwissel’ plaats tussen de juridische wereld en de vakspecialistische wereld. De vaak jarenlange ervaring en juridische kennis van onteigeningsdeskundigen, maken dat zij thuis zijn in de juridische procesgang en het bijbehorend jargon. In het onteigeningsrecht spreken rechter en deskundigen, om het zo maar te noemen, dezelfde ‘taal’.22