Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.3.2
4.2.3.2 De inquisitoire adviesopdracht
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701989:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 mei 1956, NJ 1956/488 (Bakker/Genemuiden). Zie ook: Thorbecke 1880, p. 181-182. Recentelijk herhaald door de wetgever: Kamerstukken II 2018/19, 35133, 3, p. 120-121.
Rb. Overijssel 8 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4540. Deze vrijheid geldt in het verlengde ook voor de onteigeningsrechter: HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349, NJ 2013/489 (Amersfoort/Arntzen).
Rb. Den Haag 29 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7337.
Zie in algemene zin over de partijautonomie: Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 49-60.
De Groot 2008, § 4.6.3 en § 4.7.3.
Scheltema & Storm 2008, § 6.6.
HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:444; HR 15 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2174.
De Groot 2008, § 6.4.1.1.
De adviesopdracht van onteigeningsdeskundigen is niet alleen integraal, maar ook inquisitoir. Dat wil zeggen dat de deskundigen zelfstandig op zoek moeten naar de relevante feiten en omstandigheden, ook buiten hetgeen door partijen is aangevoerd (zie ook § 2.2.6). Het inquisitoire karakter van de adviestaak is een voortvloeisel uit de plicht van de onteigeningsrechter om de schadeloosstelling zelfstandig (ambtshalve) vast te stellen.1 De onteigeningsrechter kan buiten de ‘vorderingen’ (de eis, het aanbod en/of het verweer) van partijen treden indien dat nodig is met het oog op een volledige schadeloosstelling. Daarmee hangt samen dat onteigeningsdeskundigen vrij zijn om de waarderingsmethode(s) te kiezen die naar hen oordeel het best past respectievelijk passen bij het bereiken van een volledige schadeloosstelling.2 Voorts zijn zij vrij om te bepalen op welke wijze zij hun onderzoek willen vormgeven en hoe, dus op welke wijze, zij hun advies onderbouwen.3
Ook op dit punt verschilt het onteigeningsrecht van het ‘commune’ civiele recht. In het ‘commune’ civiele recht bepalen partijen waarover wordt geprocedeerd. Zij begrenzen – met hun ‘vorderingen’ – de omvang van de rechtsstrijd. De rechter mag die grenzen in beginsel niet overschrijden. De ‘normale’ civiele rechter mag bijvoorbeeld niet een hoger bedrag aan schadevergoeding toekennen dan is gevorderd (hetgeen de onteigeningsrechter nadrukkelijk wel mag). Dit beginsel van partijautonomie (of rechterlijke lijdelijkheid) komt tot uitdrukking in verschillende (wettelijke) regels. Zo mag de rechter niet ambtshalve de rechtsfeiten aanvullen (art. 24 Rv) en moet hij feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist, als vaststaand beschouwen (art. 149 lid 1 Rv).4
De regels van partijautonomie werken door in de adviesopdracht aan en werkzaamheden van ‘normale’ deskundigen. De rechter is bij de verlening van de adviesopdracht gebonden aan de rechtsstrijd zoals die door partijen is afgebakend. Voor de deskundigen is die opdracht leidend.5 Anders dan onteigeningsdeskundigen mogen ‘normale’ deskundigen de grenzen van de rechtsstrijd dus niet overschrijden door zelf op zoek te gaan naar nog andere schadeposten dan door verzoeker/eiser aan zijn vordering of verzoek ten grondslag zijn gelegd.6
Met betrekking tot de controle van de rechter op het feitenonderzoek geldt dat – net als onteigeningsdeskundigen – ook ‘normale’ deskundigen het onderzoek dikwijls zelfstandig zullen verrichten.7 Binnen de grenzen van de adviesopdracht hebben ook zij de vrijheid om hun onderzoek op de wijze te verrichten die hun het beste voorkomt.8 Een en ander betekent dat de facto ook de ‘normale’ civiele rechter meestal buiten beeld is vanaf de start van het deskundigenonderzoek totdat het (definitieve) advies ter griffie is gedeponeerd.9