BA 2019/169
Intrekking horecavergunning wegens slecht levensgedrag, onschuldpresumptie, zeer ruime discretionaire bevoegdheid.
RvS 10-04-2019, ECLI:NL:RVS:2019:1099
- Instantie
Raad van State
- Datum
10 april 2019
- Zaaknummer
201805026/1/A3
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Staatsrecht / Decentralisatie
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Horecarecht / Drank- en horecavergunning
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2019:1099, Uitspraak, Raad van State, 10‑04‑2019
- Wetingang
Art. 6 lid 1 en 2 en art. 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); art. 8 lid 1 en 27 lid 1 Drank- en Horecawet (DHW); art. 4 Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (Besluit); art. 30c en 30e lid 1 Wet op de kansspelen (Wok); 2:28 lid 5 Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV)
Essentie
Intrekking horecavergunning wegens slecht levensgedrag, onschuldpresumptie, zeer ruime discretionaire bevoegdheid.
Samenvatting
In juli 2015 heeft de burgemeester meegedeeld de horecavergunningen voor [het restaurant] in te trekken omdat appellant verscheidene keren is veroordeeld wegens rijden onder invloed. Voor zover de besluiten moeten worden beschouwd als een inmenging in het recht op privacy of het familie- en gezinsleven, vindt deze haar rechtvaardiging in een beperkingsgrond van art. 8 lid 2 EVRM, te weten het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Voorts is deze beperking bij wet voorzien en niet in strijd met ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.