Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.2.1
6.2.1 Inleiding: discriminatie door reciprociteitstoetsen
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS462832:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast kent de Berner Conventie nog een — zeldzaam toegepaste — retorsiebepaling in art. 6 lid 1, eerste volzin, die eveneens een uitzondering op het non-discriminatiebeginsel vormt. Over deze uitzondering, zie par. 6.3.6.
Zie par. 5.2.2.
De materiële-reciprociteitstoets in het Verdrag van Parijs is overigens geen uitzondering op het non-discriminatiebeginsel, maar een voorwaarde voor een bevoordelende behandeling; dit komt verder ter sprake in par. 6.4.
Zie par. 4.1.2 en par. 4.2.2 onder (b).
Uiteraard kan een land zelfstandig de gewenste uitbreiding van de bescherming verwezenlijken in zijn nationale wet. Daarmee is echter geen Uniebrede vooruitgang geboekt. Bovendien wordt veelal als nadeel ervaren dat 'het buitenland' ingevolge het non-discriminatiebeginsel van die uitbreiding meeprofiteert zonder dat daar iets tegen over staat.
Vgl. Verkade in (alinea 3 van) zijn annotatie onder HR 26 mei 2000, NJ2000, 671 (Cassina/Jacobs). Cynisch over deze hoop Drexl 1990, p. 153, die stelt dat wat men in eigen land niet krijgt, ook niet snel in het buitenland wordt verwacht.
De vraag naar de wenselijkheid van de materiële-reciprociteitstoetsen komt nog aan de orde in par. 8.2.2. Het onderhavige hoofdstuk 6 betreft het geldende recht.
Over de TRIPs-Overeenkomst, zie alinea 14 hiervoor.
Art. 3 lid 2 voegt hier nog een anti-misbruik bepaling aan toe, die in de praktijk van de materiële-reciprociteitstoetsen weinig te betekenen heeft. Voorts zondert de meestbegunstigingsclausule van art. 4 onder meer de Berner materiële-reciprociteitstoetsen uit (onder b). Dat is, vanuit de gedachte in art. 3 dat deze toetsen worden gesauveerd, logisch. Zonder dat voorbehoud zou immers, zodra de toepassing van een materiële-reciprociteitstoets achterwege wordt gelaten vis-à-vis auteurs uit één ander WTO-land, die vrijstelling ook moeten worden verleend aan auteurs uit alle andere WTO-landen. Aangezien een overgrote meerderheid van de Berner Unielanden is aangesloten bij de (WTO en dus ook bij de) TRIPs-Overeenkomst, zou de speelruimte voor de Berner materiële-reciprociteitstoetsen zonder dit voorbehoud vergaand worden gemarginaliseerd. Dit laatste doet zich in beginsel wél voor in het kader van de materiële-reciprociteitstoetsen in het Verdrag van Parijs en de Schikking van Madrid omdat zij in art. 4 niet worden uitgezonderd (althans niet uitdrukkelijk: uitzondering lijkt mogelijk via de bepaling onder d). Bij de materiële-reciprociteitstoets in de Schikking van Madrid kan het probleem zich echter niet voordoen, omdat deze toets verplicht moet worden toegepast. Over de materiële-reciprociteitstoets in het Verdrag van Parijs, zie par. 6.4.
780. Uitzonderingen voornamelijk materiële reciprociteit. Het vreemdelingen-rechtelijke uitgangspunt van de verdragen is, als gezegd, het non-discriminatiebeginsel. Op dit uitgangspunt maken de verdragen zelf enkele specifieke uitzonderingen, waardoor zij discriminatie toestaan: discriminatie door middel van materiële-reciprociteitstoetsen.1 De (door de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling) toepasselijk verklaarde lex loci protectionis mag een vreemd element in een bepaald opzicht discrimineren aan de hand van deze materiële-reciprociteitstoetsen. Het gaat hier dus om vreemdelingenrecht in de derde fase — de materieelrechtelijke fase — van de driefasen-structuur' .2 Het is met name de Berner Conventie die dergelijke uitzonderingen op haar non-discriminatiebeginsel maakt. Het Verdrag van Parijs en de Schikking van Madrid kennen ieder slechts één materiële-reciprociteitstoets.3
781. Ratio. Waarom laten de verdragen deze inbreuken op het fundamentele nondiscriminatiebeginsel toe? In het geval van de Schikking van Madrid is een specifieke reden aanwijsbaar. Aan haar reciprociteitstoets liggen oorspronkelijk negentiende-eeuwse opvattingen over het 'personeel statuut' en de accessoriteit van het merk ten grondslag, terwijl zij bij de laatste herziening van deze Schikking in 1957 is gehandhaafd om een andere reden, namelijk het behoud van de mogelijkheid van een `central attack' .4 In de andere gevallen is sprake van een verlegenheidsoplossing om de patstelling te doorbreken die ontstaat wanneer sommige landen eenvormig intellectuele-eigendomsrecht (ius conventionis) in het verdrag wensen op te nemen of uit te breiden, terwijl andere landen zich daartegen verzetten.5 Een materiële-reciprociteitstoets biedt in dergelijke gevallen een compromisoplossing. Het verdrag neemt de omstreden regeling op, maar maakt haar niet dwingend en laat een materiële-reciprociteitstoets toe. Zo worden de achterblijvers niet gedwongen om in de regeling mee te gaan, terwijl ook de landen in de kopgroep tevreden kunnen zijn: zij kunnen de desbetreffende bescherming in hun nationale wet verwezenlijken zonder haar gratis te moeten uitdelen, terwijl tegelijkertijd in het verdrag de wenselijke koers is uitgezet. Aldus wordt voor de desbetreffende kwestie een 'verdrag van twee snelheden' gecreëerd. De hoop is dat de achterblijvende landen — door binnenlandse druk — op den duur zullen bijtrekken, zodat de desbetreffende regeling kan stollen tot dwingend ius conventionis en de materiële-reciprociteitstoets kan worden afgeschaft.6 Aldus bezien is de materiële-reciprociteitstoets een tijdelijk remedie terwille van het hogere doel. Niettemin zijn de materiële-reciprociteitstoetsen hardnekkig: de verdragen hebben in hun lange geschiedenis nog niet de afschaffing van een materiële-reciprociteitstoets mogen meemaken.7
782. TRIPs-Overeenkomst. Ook de in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (`WTO') totstandgekomen TRIPs-Overeenkomst van 15 april 1994, die onder meer verplicht tot naleving van het Verdrag van Parijs en de Berner Conventie, is niet aangegrepen om de materiële-reciprociteitstoetsen af te schaffen.8 Integeneel, zij bestendigt hen Immers, artikel 3 lid 1 van de TRIPs-Overeenkomst verbiedt weliswaar discriminatie, maar maakt daarbij een voorbehoud voor de uitzonderingen die door een aantal verdragen — waaronder de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs — worden toegelaten.9
783. Andere non-discriminatiebeginselen. Wel hebben de materiële-reciprociteitstoetsen aan belang ingeboet door non-discriminatiebeginselen in andere regelingen. Met name het Europese non-discriminatiebeginsel, zo zal in dit hoofdstuk blijken, is in dit verband van belang.