Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.3.3.1.1
6.3.3.1.1 Het eerste argument: de wil van de stichting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232245:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Groenewald 2001, p. 81. Deze gedachte is niet in strijd met artikel 2:5 BW. Die bepaling stelt een rechtspersoon immers (slechts) op vermogensrechtelijk gebied gelijk met een natuurlijk persoon.
HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, NJ 2009/318, m.nt. P. van Schilfgaarde. In deze casus probeerde X een woning waarvan hij feitelijk gebruiker was en waarvan de aankoop door hem geïnitieerd was buiten de verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeisers te brengen, door deze woning juridisch in een stichting onder te brengen en economisch in een andere stichting. In maatschappelijk opzicht was het de eigen woning van X. Het bestuur van de stichtingen werd aanvankelijk gevoerd door X, later door zijn partner.
Oogmerk is ‘dat wat men wil bereiken’, Asser/Vranken Algemeen deel*** 2005/97.
Uit de jurisprudentie blijkt dat degene die beheerst niet gelijk gesteld dient te worden met de bestuurder(s), zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 15 februari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9142, JOR 2012/372, m.nt. I. Spinath.
De zogenoemde ‘wilsvertrouwensleer’ van artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW, zie hierover Asser/Sieburgh 6-III 2018/122-139.
Kamerstukken I 1988-1989, 17496(a), nr 45, p. 7; Asser/Sieburgh 6-III 2018/99; Jac. Hijma, ‘Testament en rechtshandeling’, in: S.C.J.J. Kortmann (red.), Yin-Yang: bundel opstellen, op 12 mei 2000 aangeboden aan prof. mr. M.J.A. Van Mourik ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum als hoogleraar (Van Mourik-bundel), Deventer: Kluwer 2000, p. 93 e.v. Voor een lastbevoordeling zal dit ook gelden.
C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss. Nijmegen, Onderneming en Recht nr. 89), Deventer: Wolters Kluwer 2016/2.4.1.3.
Het eerste en belangrijkste argument tegen de mogelijkheid tot verwerping van een begunstiging van de erflater door de ‘eigen’ stichting heeft van doen met de wil van de stichting.
Rechtspersonen kunnen niet volledig worden gelijkgesteld met natuurlijke personen, zij beschikken slechts over een beperkte wilsvrijheid.1Rechtspersonen worden beperkt door hun doel en zijn voor hun ideeën, uitlatingen en handelingen afhankelijk van natuurlijke personen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2009,2blijkt dat het ongeoorloofde oogmerk3van degene die de stichting beheerst geldt als ongeoorloofd oogmerk van de stichting. Voor geoorloofde oogmerken zal dit ook gelden. Voor wie met mij wil aannemen dat de erflater/oprichter de stichting beheerst ̶ hij heeft immers de statuten, waaronder het doel, vastgesteld en heeft voorzien in het eerste bestuur4̶ is het oogmerk van de erflater/oprichter het oogmerk van de door hem opgerichte stichting. Als het bestuur zonder zwaarwegende argumenten makingen verwerpt, handelt het bestuur tegen het oogmerk van de stichting. Oogmerk en wil hebben hier een gelijke betekenis: dat wat men wil bereiken, ofwel de ‘bedoeling’. De bedoeling van de bij dode opgerichte stichting blijkt uit de uiterste wilsbeschikkingen die door de erflater zijn opgenomen in zijn uiterste wil. Eén van die bedoelingen is dat de bij dode opgerichte stichting erfgenaam, legataris of lastbevoordeelde zal zijn (zie ten aanzien van de wil ook 2.2.2.4.1). Bij verwerping van een begunstiging komen de wil van de stichting en de verklaring van die wil door het bestuur niet met elkaar overeen. Het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil leidt in beginsel tot nietigheid van de rechtshandeling. Dit is slechts anders als een beroep gedaan zou kunnen worden op artikel 3:35 BW.5 Het eenzijdig ongerichte karakter van de rechtshandeling tot verwerping van een nalatenschap door een erfgenaam6 maakt dat niet wordt toegekomen aan het opgewekte vertrouwen uit artikel 3:35 BW, dat immers alleen geldt voor eenzijdig gerichte rechtshandelingen. Voor legaten ligt het iets anders. De verwerping van een legaat is een eenzijdige gerichte rechtshandeling.7Artikel 3:35 BW is daarom wél van toepassing. Echter, omdat de erfgenamen over dezelfde informatie beschikken als de bestuurders van de stichting (de uiterste wil met de daarin opgenomen uiterste wilsbeschikkingen), zullen de erfgenamen geen gerechtvaardigd vertrouwen in de verwerping van het legaat mogen stellen.