Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.2.2.5
7.2.2.5 Genoegdoeningsfunctie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575215:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Lindenbergh 1998, p. 38-39.
Zie uitgebreider Lindenbergh 1998, p. 44.
Lindenbergh 2008, p. 13-14.
Lindenbergh 2008, p. 14. Bij de vergoeding van immateriële schade is er voor erkenning (de gevoelsmatige component van het recht) plaats in het schadebegrip als zodanig, nu het geschokte rechtsgevoel van de gelaedeerde als element van immateriële schade kan worden gekwalificeerd. Zie Lindenbergh 1998, p. 41-42.
Lindenbergh 2008, p. 14. Denk ook aan de rechterlijke bevoegdheid tot matiging in de zin van art. 6:109 BW. Toepassing van deze rechterlijke bevoegdheid ligt minder in de lijn der verwachtingen in geval de mate van schuld van de laedens groter is. De ernst van de normschending lijkt ook een rol te spelen bij het bewijs van causaal verband en bij de vaststelling en begroting van de schade. Zie Lindenbergh 2008, p. 14; Lindenbergh 2007, p. 23 e.v.
Genoegdoening wordt wel als een ander doel of functie van schadevergoeding gezien. De genoegdoeningsfunctie kan vanuit drie betekenissen worden bezien.1 In de eerste betekenis wordt genoegdoening gebruikt ter aanduiding van de maatregel als zodanig (een genoegdoening). Genoegdoening is in deze betekenis een sanctie als blijk van erkenning door het recht van de waarde van het geschonden belang in het algemeen. In de tweede betekenis wordt genoegdoening gebruikt vanuit het perspectief van genoegdoening aan de gelaedeerde. In deze betekenis gaat het om het voldoende doen om de benadeelde schadeloos te stellen. In de derde betekenis wordt genoegdoening gebruikt vanuit het perspectief van genoegdoening door de laedens. In deze betekenis gaat het om boetedoening door de laedens ten behoeve van de benadeelde.2
Genoegdoening speelt in het bijzonder een rol bij de verbintenis tot vergoeding van immateriële schade. Genoegdoening kan echter ook bij de vergoeding van vermogensschade nog een zekere rol spelen. Lindenbergh plaatst genoegdoening in het verlengde van de gedachte van rechtshandhaving.3 Het recht geeft erkenning aan het feit dat een ander verantwoordelijk is voor het toebrengen van nadeel. Genoegdoening kan in deze zin ook bij het opzettelijk of met een hoge mate van schuld overtreden van de mededingingsregels van belang zijn, á is er bij de vergoeding van vermogensschade voor genoegdoening geen plaats in het schadebegrip als zodanig.4 Op verschillende plaatsen in afdeling 6.1.10 van het BW is zichtbaar dat de mate van schuld van belang is voor de hoogte van de schadevergoeding. Denk aan de door Lindenbergh gegeven voorbeelden zoals de toerekening van gevolgen in de zin van artikel 6:98 BW, de toerekening van voordelen in de zin van artikel 6:100 BW, de toerekening van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW en de toerekening bij de verdeling van de interne draagplicht in de zin van artikel 6:102 Bw.5