Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.2.1
8.2.1 Vrijheden en beperkingen bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372106:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 oktober 2002, NJ 2002/556, JOR 2002/214 m.nt. van den Ingh (Zwagerman II), HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. Maeijer (ATR Leasing), HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. Maeijer, JOR 2007/238 m.nt. Bartman bij JOR 2007/239 (Versatel II).
Zie bijvoorbeeld Geerts (Diss.), par. 3.3.2 en 3.7.5, Veenstra (Diss.) par. 3.3.1.2., Croiset van Uchelen 2010b, par. 2, Compendium 2013, par. 95.3 en Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 800.
Zie respectievelijk hoofdtukken 9, 10 en 11.
Zie respectievelijk hoofstukken 5, 6 en 7.
In de rechtspraak1 en literatuur2 wordt vaak benadrukt dat de ondernemingskamer een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van welke (onmiddellijke) voorzieningen zij treft. Zoals echter uit de navolgende paragrafen en hoofdstukken blijkt, gelden er wel degelijk restricties ten aanzien van welke (onmiddellijke) voorzieningen de ondernemingskamer kan treffen. Zo legt par. 8.2.2 uit dat de ondernemingskamer slechts met het oog op het realiseren van bepaalde doelstellingen (onmiddellijke) voorzieningen mag treffen. De vrijheid van de ondernemingskamer bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen ziet slechts op de wijze waarop deze doelstellingen worden gerealiseerd. Ook een aantal partijperikelen is van invloed op de (onmiddellijke) voorzieningen die de ondernemingskamer in voorkomende gevallen kan treffen (par. 8.7).
Elders in dit onderzoek komen ook andere factoren aan bod die de vrijheid van de ondernemingskamer bij het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen beperken. Zo dienen (onmiddellijke) voorzieningen proportioneel te zijn waarbij ook het subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen en is er maar beperkte ruimte om af te wijken van dwingend recht en overeenkomsten.3 Daarnaast vloeit een aantal beperkingen voort uit art. 1 EP, art. 11 EVRM en het EU-recht.4