Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.6.4
IV.6.4 De pandhouder en de vruchtgebruiker
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS376165:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hamers (1996), p. 209-211. Art. 3:229 BW vormde de basis voor de afdracht aan de pandhouder. Het restant (na voldoening van de vordering) was dan op grond van art. 3:255 jo. 3:253 BW voor de ex-aandeelhouder. Van der Grinten vond (in het Handboek (1992), nr. 357) dat de pandhouder slechts recht had op het bedrag van de vordering.
Hamers (1996), p. 211-212. Hij vond dat de wetgever onvoldoende mogelijkheid hield met de positie van de pandhouder. Volgens mij valt dit wel mee. De pandhouder (en ook de vruchtgebruiker) hebben voldoende bescherming van hun beperkte recht op grond van het algemeen burgerlijk recht.
Zie Schwarz (2008), p. 30-31.
De houder van een pandrecht op de aandelen en degene ten wiens behoeve een vruchtgebruik op de aandelen is gevestigd, kunnen op de verschillende manieren bij de geschillenregelingprocedure betrokken raken. De eerste is in de positie van gedaagde. Op grond van art. 2:342 BW is hun uitstoting mogelijk wanneer ze het stemrecht op de aandelen hebben en met hun stemgedrag het belang van de vennootschap schaden (zie § IV.5). Daarnaast kunnen de aandelen waarop het beperkte recht rust, de inzet van de uitstotings- of uittredingsprocedure vormen. Door het verbod van art. 2:338 lid 1 BW (waarover § VI.3.3) kan de gedaagde zijn aandelen niet verpanden of daarop een vruchtgebruik vestigen.
Komen de aandelen waarop het pandrecht of het vruchtgebruik rust door de uitstoting in handen van de eisende aandeelhouder, dan verkrijgt deze niet de onbezwaarde eigendom. Het pandrecht verwordt in die situatie tot een derdenpand. De verkrijgende aandeelhouder blijft in onzekerheid, want indien de oude aandeelhouder de vordering ten behoeve waarvan het pandrecht was gevestigd niet tijdig aflost, mag de pandhouder zijn rechten uitwinnen. Hamers voorzag 'grote problemen' en oordeelde dat de onbezwaarde overdracht nodig is. De prijs van de aandelen komt de pandhouder toe.1 Dit geldt volgens hem zowel voor de pandhouder met en zonder stemrecht.
Bij de uittreding bevat de pandakte wellicht de afspraak dat de aandeelhouder slechts met toestemming van de pandhouder mag uittreden en overdragen. Zo niet, dan behoort ook hier de onbezwaarde eigendom als bescherming voor de pandhouder en de aandeelhouder te gelden, aldus Hamers.2
De ideeën van Hamers deel ik niet. De geschillenregeling mag mijns inziens niet de regels voor de beperkt gerechtigden al te eenvoudig doorkruisen. Ik zie geen nadeel voor de pandhouder indien het pand een derdenpand wordt. De eisende aandeelhouder in de uitstotingsprocedure zal in verband met dit pandrecht ook niet het volle pond voor de aandelen betalen. Het uitwinrisico heeft een prijsdrukkend effect. De uittredende aandeelhouder krijgt op zijn beurt niet de hoofdprijs voor zijn bezwaarde aandelen, omdat er een beperkt recht op rust. Wil hij dit niet, dan is het aan hem het vruchtgebruik te beëindigen of het pandrecht met het aflossen van de vordering teniet te laten gaan. Een ingewikkelde regeling voor een eventueel aanwezige pandhouder of vruchtgebruiker hoort niet thuis in de geschillenregeling.
De pandhouder of de vruchtgebruiker met stemrecht op de meerderheid van de aandelen kan het de minderheidsaandeelhouder knap lastig maken. Schwarz refereerde aan een bank die als stemgerechtigde pandhouder een krachtige eigen koers vaarde en zich niet alles gelegen liet liggen aan de rechten en belangen van de minderheidsaandeelhouder.3 Deze minderheidsaandeelhouder zit dan letterlijk klem, want de geschillenregelingprocedures bieden geen vluchtroute. De vordering van art. 2:342 BW slaagt niet omdat daarvoor het belang van de vennootschap door de stemgerechtigde pandhouder moet worden geschaad. In casu waren de rechten en belangen van de minderheidsaandeelhouder in het geding. Ook art. 2:343 BW biedt geen soelaas, want hierin is de blootaandeelhouder gedaagde. Hij misdoet de minderheidsaandeelhouder niets, mede omdat hij niet het stemrecht heeft. Schwarz pleitte voor aanpassing van de uittredingsprocedure. Een vordering ex art. 2:343 BW moet volgens hem ook tegen een pandhouder of vruchtgebruiker ingesteld kunnen worden. In het wetsvoorstel Flex-BV wordt deze kwestie overigens niet onderkend. De gedragingen van de vennootschap of van de medeaandeelhouders vormen de grond voor de uittreding, zie art. 343 lid 1 Wv Flex-BV.
Mijns inziens ligt de oplossing voor dit uiterst zeldzame en nog nimmer voorgekomen probleem niet in de geschillenregeling. De uitkomst behoort — net als bij het mijns inziens af te schaffen art. 2:342 BW — te worden gezocht in een kort gedingprocedure (zie § IV.5.5). De minderheidsaandeelhouder die meent dat de pandhouder of de vruchtgebruiker hem met het uitgeoefende stemrecht schaadt, kan een verbod op de uitoefening ervan vorderen.