Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/7.2.4:7.2.4 Rechtsvormwijziging van kerkgenootschap
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/7.2.4
7.2.4 Rechtsvormwijziging van kerkgenootschap
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS501463:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bedoeld wordt dwingend recht, ofwel fundamentele dwingendrechtelijke regels, als bijvoorbeeld redelijkheid en billijkheid.
Door de Hoge Raad is op deze bepaling geanticipeerd in HR 15 maart 1985, NI 1986, 191 (Kerkgenootschap Molukse Evangelische Kerk).
J.B. Huizink, Rechtspersonen. Boek 2 BW, Deventer: Kluwer (losbl.), artikel 2 BW, aant. 6.
Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-11, nr. 215.
F.T. Oldenhuis, 'Kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen', WPNR 1983-5660, p. 462.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de hiervoor genoemde uitspraak lijkt voort te vloeien dat artikel 2:18 BW eveneens van toepassing is bij rechtsvormwijziging van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon. Artikel 2:2 BW geeft in de tweede zin een wat onduidelijke bepaling over kerkgenootschappen:
`Zij worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet.1 Met uitzondering van artikel 5 gelden de volgende artikelen van deze titel niet voor hen; overeenkomstige toepassing2 daarvan is geoorloofd, voor zover deze is te vereniging met hun statuut en de aard der onderlinge verhoudingen.'
Deze bepaling is een aanwijzing voor uitleg van het kerkstatuut voor de rechter. Het betekent niet dat een rechter een discretionaire bevoegdheid heeft. Het houdt wel in dat een rechter gehouden is tot analogische interpretatie indien dat onder omstandigheden de aangewezen weg is,3 bijvoorbeeld omdat het kerkelijk statuut geen uitsluitsel biedt.4 Analogische interpretatie vindt een grens daar waar sprake is van strijd met het kerkelijk statuut en de aard van de onderlinge verhoudingen. Kort gezegd geeft deze bepaling een ondergrens en een bovengrens aan wat betreft de toepasselijkheid van de bepaling van artikel 2:18 BW. Dat leidt tot de conclusie dat rechtsvormwijziging van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een kerkgenootschap, op grond van artikel 2:2 BW mogelijk moet zijn naar analogie van artikel 2:18 BW5 (en de overige toepasselijke bepalingen van rechtsvormwijziging bij rechtsvormwijziging in een kapitaalvennootschap) mits te verenigen met statuut en de aard van de onderlinge verhoudingen.
Een vreemde situatie ontstaat indien wel strijd ontstaat met statuut of onderlinge verhoudingen. Geconcludeerd zou dan kunnen worden dat rechtsvormwijziging tot stand komt op basis van regels van kerkrecht die afwijken van de bepalingen van artikel 2:18 BW maar wel tot rechtsvormwijziging van een kerkgenootschap in een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een kerkgenootschap, leidt. Dat kan tot onwenselijke situaties leiden en lijkt ook niet de bedoeling van de wetgever te zijn. Indien het rechtsgevolg naar analogie wordt toegepast, dient de procedure eveneens naar analogie van toepassing te zijn.
Het is daarom wenselijk artikel 2:18 BW te wijzigen in die zin dat de regeling van rechtsvormwijziging expliciet op kerkgenootschappen van toepassing is om tot hetzelfde rechtsgevolg, voortbestaan van de rechtspersoon, te komen. Op die manier wordt op eenvormige wijze invulling gegeven aan de rechtsfiguur rechts-vormwijziging en wordt verwarring in het rechtsverkeer voorkomen.