Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3.5
8.2.3.5 CFC- wetgeving in Nederland?
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399469:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een inhoudelijke analyse van de onder de Richtlijn opgenomen CFC regels verwijs ik naar Redactie Vakstudienieuws, Europese Commissie, Voorstel anti tax avoidance richtlijn, V-N 2016/12.5.
Brief Staatssecretaris van Financiën, 29 april 2016, nr. AFP/2016/394.
Voor een bespreking hiervan verwijs ik naar I.M. de Groot, Concernbepalingen in de Common (Consolidated) Corporate Tax Base, WFR 2017/67, paragraaf 4.
Brief van de staatssecretaris van Financiën, 23 februari 2018, Aanpak belastingontwijking en ontduiking, kenmerk 2018-0000026987, V-N 2018/14.2.
Controlled foreign corporation (CFC)-regels zijn in zijn algemeenheid primair gericht tegen het verschuiven van winsten (en, afhankelijk van de vormgeving van het betreffende belastingstelsel, soms ook tegen uitstel van belastingheffing) via buitenlandse lichamen die onder controle staan van een binnenlands belastingplichtig lichaam. Nederland kent (nog) geen expliciete CFC wetgeving. Wel kan bij een niet-kwalificerende beleggingsdeelneming art. 13a Wet VPB 1969 van toepassing zijn, dat in de uitwerking CFC-kenmerken heeft. Indien een bezit wordt gehouden van tenminste 25% in een vennootschap met tenminste 90% aan laagbelaste beleggingen dan moet dat belang (ieder jaar) op de waarde in het economische verkeer worden gewaardeerd.
CFC-wetgeving is doorgaans van toepassing in landen die een verrekenstelsel (kapitaalexportneutraliteit) hanteren. De CFC-regels zorgen er voor dat uitstel van belastingheffing, door het oppotten van winst in het buitenland, wordt tegengegaan. In principe voegt een CFC-regeling voor landen met een vrijstellingsregime (kapitaalimportneutraliteit) niet veel toe, omdat het niet uitmaakt of de winsten in het buitenland worden opgepot of worden uitgekeerd (de winst is immers toch vrijgesteld). Alleen op het moment dat een winst niet onder de deelnemingsvrijstelling zou vallen zou CFC-wetgeving zinvol zijn.
Op grond van de op 21 juni 2016 aangenomen Antibelastingontwijkingsrichtlijn moet Nederland uiterlijk 1 januari 2019 CFC-wetgeving hebben geïmplementeerd.1 De staatssecretaris is van mening dat art. 13a Wet VPB 1969 het meest te vergelijken is met CFC-wetgeving, maar merkt tevens op dat de in de Richtlijn opgenomen regelgeving wel verder strekt dan de in art. 13a opgenomen herwaarderingsverplichting.2 Op 10 juli 2017 heeft het Ministerie van Financiën een internetconsultatie opengesteld met conceptwetgeving omtrent de Europese richtlijn tegen belastingontwijking. De conceptwetgeving bevat ook CFC-regels. In het consultatiedocument wordt aangegeven dat met het oog op de demissionaire status van het kabinet en de lopende onderhandelingen over een nieuwe regeerakkoord in het conceptwetsvoorstel het implementeren van de minimumnorm als uitgangspunt is genomen. Voor het volgend kabinet wordt hiermee ruimte gelaten om standpunten in te nemen die verder gaan dan de minimumnorm. In het conceptwetsvoorstel is voor dezelfde variant gekozen als in het C(C)CTB-voorstel (zie artikel 59 en 60 CCTB-voorstel).3 Er is gekozen voor de uitwerking van de variant (model A) op basis van bepaalde categorieën voordelen.
Er is op grond van dit conceptwetsvoorstel sprake van een gecontroleerd lichaam als een belastingplichtige een belang van meer dan 50% in een lichaam heeft, en de door dat lichaam over bepaalde “besmette” voordelen daadwerkelijk betaalde vennootschapsbelasting lager is dan de helft van de vennootschapsbelasting die zou zijn geheven als dat lichaam zou zijn onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting.
Als sprake is van een gecontroleerd lichaam dan wordt het positieve saldo aan niet-uitgekeerde besmette voordelen tot de winst van de belastingplichtige gerekend.
De besmette voordelen zijn voordelen uit bepaalde categorieën, zoals rente, royalty’s en dividenden.
De besmette voordelen worden niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige voor zover een gecontroleerd lichaam ter zake waarvan de besmette voordelen worden genoten een wezenlijke economische activiteit uitoefent, ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen.
Ook zijn er in dit conceptwetsvoorstel twee uitzonderingen opgenomen in welk geval geen sprake is van een gecontroleerd lichaam indien de besmette voordelen onder een bepaalde drempel blijven.
Tot slot worden regels voorgesteld die de verrekening van daadwerkelijk betaalde buitenlandse winstbelasting ter zake van de in aanmerking genomen besmette voordelen mogelijk maken.
Er is door de NOB4 mijns inziens terecht forse kritiek geuit op de gekozen CFC-variant. De NOB merkt bijvoorbeeld op dat de voorgestelde CFC-bepaling materieel weinig toevoegt in de bestrijding van belastingontwijking en tegelijkertijd disproportionele complexiteit, onzekerheid en een risico van dubbele belasting oplevert. Deze negatieve effecten treden volgens de NOB voornamelijk op bij een implementatie van model A (het voorgestelde model in het consultatiedocument).
In de brief van 23 februari 2018 gaat de staatssecretaris uitgebeid in op de CFC-regelgeving uit de Antibelastingontwijkingsrichtlijn en de implementatie daarvan in de Nederlandse vennootschapsbelasting.5 De CFC-maatregel zoals opgenomen in ATAD1 bestaat volgens de staatssecretaris grofweg uit drie stappen:
Is er sprake van een laagbelaste gecontroleerde buitenlandse vennootschap (controlled foreign company, CFC)? Dat is het geval als de Nederlandse belastingplichtige een belang heeft van meer dan 50% in het buitenlandse lichaam (wel/niet controle) én de belastingheffing in het land waar het lichaam is gevestigd minder dan de helft bedraagt van de belasting die in Nederland zou zijn geheven als het lichaam in Nederland zou zijn gevestigd.
Bepaling van het inkomen van de CFC dat aan de Nederlandse belastinggrondslag moet worden toegevoegd. Dit kan aan de hand van model A of model B. In model A wordt (zoals hierboven reeds beschreven) het inkomen bepaald door een aantal specifieke inkomenscategorieën (dividend, rente, financial lease, royalty’s etc.). In model B wordt het inkomen bepaald op basis van het arm’s length beginsel. Dit betekent dat onzakelijke transacties binnen een concern worden gecorrigeerd als ware het transacties tussen onafhankelijke partijen.
Bij model A moet als derde stap worden bekeken of er bij de CFC sprake is van een “wezenlijke economische activiteit’’.
Vervolgens geeft de staatssecretaris aan hoe hij de CFC-maatregel in Nederland wil implementeren. De staatssecretaris geeft aan dat model A van toepassing is op lichamen of vaste inrichtingen in landen met een laag statutair tarief (wat dit betekent is niet geconcretiseerd) of landen die zijn opgenomen op de EU-lijst van niet coöperatieve landen én er is geen sprake van een “wezenlijke economische activiteit’’. Van een wezenlijke economische activiteit is in ieder geval sprake als de CFC voldoet aan dezelfde substance-eisen als die, die bij de anti-misbruikregeling bij de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing zijn. De staatssecretaris noemt daarbij expliciet het (sinds 1 januari 2018 geldende) loonkostencriterium en de eigen kantoorruimte. De volledige lijst aan (cumulatieve) substance-eisen is als volgt:
Ten minste de helft van het totaal aantal statutaire en beslissingsbevoegde bestuursleden woont of is feitelijk gevestigd in het land waar het lichaam (de schakelvennootschap) is gevestigd.
De in het land waar het lichaam is gevestigd wonende of gevestigde bestuursleden beschikken over de benodigde professionele kennis.
Het lichaam beschikt over gekwalificeerd personeel.
De bestuursbesluiten worden genomen in het land waar het lichaam is gevestigd.
De belangrijkste bankrekeningen van het lichaam worden aangehouden in het land waar het lichaam is gevestigd.
De boekhouding wordt gevoerd in het land waar het lichaam is gevestigd.
Het lichaam wordt niet (tevens) in een ander land als fiscaal inwoner beschouwd.
Het lichaam voldoet aan een loonkostencriterium van minimaal € 100.000. Het loonkostencriterium van € 100.000 is naar Nederlandse maatstaven. Voor een buitenlandse vennootschap mag worden aangesloten bij de maatstaven aldaar. Voor toetsing van het loonkostencriterium wordt dus rekening gehouden met het welvaartsniveau van de staat waarin de vennootschap is gevestigd. Tevens mag personeel worden ingehuurd binnen het concern, mits sprake is van relevantie.
Het lichaam heeft voor een periode van ten minste 24 maanden een in het land waar het lichaam is gevestigd gelegen eigen kantoorruimte. De 24-maandsperiode mag ook zien op de toekomst.
Model B lijkt niet terug te komen. De staatssecretaris merkt omtrent model B op dat Nederland het arm’s lengthbeginsel al toepast en dat derhalve een verdergaande aanpassing van de Nederlandse wetgeving niet strikt noodzakelijk is om te voldoen aan de op Nederland rustende implementatieverlichting.