Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.6
5.6 Tijdstip werking intrekkingsverklaring
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648893:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verderop in dit hoofdstuk zullen enkele varianten op dit thema aan bod komen.
Dit wordt bepaald door artikel 2:404 BW jo. artikel 18 Handelsregisterwet jo. artikel 17 Handelsregisterwet. Eventueel is een verlenging mogelijk van vijftien dagen, wanneer een schuldeiser kan aantonen dat hij onmogelijk kennis had kunnen nemen van de mededeling, zie Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 440 en Willems 1997, p. 15. Anders Beckman 1995, p. 581 e.v.
Dit is sinds 1 januari 2006 mogelijk geworden door een wijziging van de Handelsregisterwet, Wet van 14 december 2005, Stb. 2005/727.
Anders: Kiersch, die stelt dat de moedervennootschap voor vorderingen die voortvloeien uit rechtshandelingen verricht vóór de intrekking, maar pas opeisbaar worden ná de intrekking, niet aansprakelijk zou kunnen worden gehouden (Kiersch 2007, art. 2:404 BW, aant. 1). Een standpunt dat mij gezien de parlementaire geschiedenis maar ook de huidige stand in de rechtspraak en de literatuur moeilijk verdedigbaar lijkt.
Zie onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 12 mei 2009, JOR 2009/279; Bartman 2002-II en Zwemmer 2010.
Nota naar aanleiding van het eindverslag, Kamerstukken II 1983/84, 16551, nr. 11, p. 15.
Tenzij in de intrekkingsverklaring een latere datum wordt opgenomen,1 heeft een gedeponeerde intrekkingsverklaring onmiddellijke werking. Een datum opnemen die in het verleden ligt, dus voor het moment van deponeren, is niet mogelijk. Is van de deponering van de intrekkingsverklaring mededeling gedaan in de Staatscourant2 of is mededeling gedaan op een daarvoor bestemd deel van website van de Kamer van Koophandel,3 dan vallen schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht na die datum niet meer onder de reikwijdte van de 403-verklaring.
Voor verbintenissen die kwalificeren als schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht voor het intrekkingsmoment, geldt dat de rechtspersoon die de 403verklaring deponeerde nog wel kan worden aangesproken.4 Zo kan zij aansprakelijk worden gehouden voor vorderingen die ontstaan of opeisbaar worden na de intrekking van de 403-verklaring voor zover die voortvloeien uit een duurovereenkomst die werd gesloten vóór de intrekking.5 Bij de invoering van artikel 2:404 BW is in dit kader opgemerkt:
“Intrekking betekent dat geen nieuwe aansprakelijkheid ontstaat zodra jegens schuldeisers een beroep op intrekking kan worden gedaan. (...) Voor schulden die voortvloeien uit voordien aangegane rechtshandelingen blijft de aansprakelijkheid doorlopen. Dit houdt ook in aansprakelijkheid voor nieuwe termijnen van duurcontracten zoals huur, sommige leveranties, arbeidsovereenkomst.”6