Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.4.3
2.4.3 Omgang met informatie van de vennootschap
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971960:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 2:129/239 lid 5 BW voor het bestuur en artikel 2:140/250 lid 2 BW voor de raad van commissarissen.
Zie over de loyaliteitsplicht van de bestuurder Hof Amsterdam (OK) 26 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:539 (Everizone), r.o. 3.4-3.5; alsmede Hof Amsterdam (OK) 15 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:366 (Amethyst), r.o. 3.9; en over de loyaliteitsplicht van de commissaris Hof Amsterdam (OK) 17 mei 2023, ARO 2023/62 (Estro), r.o. 3.22. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 31 augustus 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2006 (Johema), waarin wordt gesproken over “de loyaliteit die hij als indirect bestuurder en 50%-aandeelhouder van Johema c.s. jegens de vennootschappen had te betrachten”.
Zie Van der Korst (diss.) 2007, p. 9, 152-153 en 220.
Artikel 2:9 resp. 2:8 BW. Artikel 49 van het SE-statuut voorziet overigens wel in een functionele geheimhoudingsplicht voor de leden van organen van de SE: “De leden van de organen van de SE mogen, ook nadat zij hun functie hebben beëindigd, geen ruchtbaarheid geven aan de te hunner beschikking staande inlichtingen over de SE waarvan de openbaarmaking de belangen van de vennootschap zou kunnen schaden, behalve in gevallen waarin deze openbaarmaking krachtens de bepalingen van nationaal recht die op naamloze vennootschappen van toepassing zijn of om redenen van algemeen belang verplicht of toegestaan is.”
Vgl. Nederlandse Corporate Governance Code, best practices 4.4.2 en 1.1.5, die zien op de dialoog met aandeelhouders en (andere) stakeholders. De (vrijwillige) dialoog met aandeelhouders valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek (zie par. 1.2.3.3 hiervoor), reden waarom ik volsta met een verwijzing naar de literatuur over dit onderwerp, in het bijzonder Eisma (oratie) 1998; Calkoen 2011; Raaijmakers 2012; Abma e.a. 2017, p. 169 e.v.; en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 207 onder d.
Daaraan zal mijns inziens wel steeds een zakelijk doel ten grondslag moeten liggen; het komt mij niet toelaatbaar voor dat een lid van de vennootschapsleiding informatie van de vennootschap aanwendt om zijn eigen (privé)belangen te behartigen. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars Holding), r.o. 3.17, in welke zaak overigens sprake was van een contractuele geheimhoudingsplicht.
Vgl. Van der Korst (diss.) 2007, p. 221.
Aldus ook Van der Korst (diss.) 2007, p. 153.
De vennootschapsleiding richt zich bij de vervulling van haar taak uitsluitend naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.1 Uit hoofde van hun wettelijke taak, hebben leden van de vennootschapsleiding derhalve een loyaliteitsplicht jegens de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.2 Deze loyaliteitsplicht brengt onder meer mee dat zij vertrouwelijk dienen om te gaan met de informatie van de vennootschap. Van der Korst spreekt in dit verband over een functionele geheimhoudingsplicht.3 De functionele geheimhoudingsplicht staat niet met zoveel woorden in Boek 2 BW, maar volgt voor de NV en de BV uit het vereiste van een behoorlijke taakvervulling en hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.4 Die functionele geheimhoudingsplicht is afgeleid van, en heeft daarmee een gelijke strekking als, het geheimhoudingsrecht van de vennootschap. Anders gezegd, de functionele geheimhoudingsplicht strekt ertoe het geheimhoudingsrecht van de vennootschap te waarborgen.
Het voorgaande brengt mee dat, indien de vennootschap is gehouden tot informatieverstrekking, de vennootschapsleiding daarbij zal moeten nagaan of en, zo ja, in hoeverre het geheimhoudingsrecht van de vennootschap zich daartegen verzet. Vervolgens dient te worden nagegaan of informatieverstrekking in de gegeven omstandigheden is gerechtvaardigd. Dit zal, als gezegd, in de kern steeds neerkomen op een afweging van de betrokken belangen.
Het belang van de vennootschap hoeft zich niet altijd te verzetten tegen informatieverstrekking. De functionele geheimhoudingsplicht staat er mijns inziens niet aan in de weg dat de vennootschapsleiding ook vrijwillig, dus zonder juridische grondslag, kan overgaan tot informatieverstrekking aan derden indien en voor zover zij dit in het belang acht van de vennootschap. Ik denk dan bijvoorbeeld aan gevallen waarin de vennootschap commerciële informatie verstrekt aan een geïnteresseerde potentiële koper of waarin bepaalde informatie wordt gedeeld in het kader van een gedachtewisseling met een aandeelhouder of een andere stakeholder van de vennootschap.5 Bij die afweging zal onder meer relevant zijn met welk doel de informatieverstrekking plaatsvindt,6 de aard van de te verstrekken informatie, de kring waarbinnen de informatie wordt gedeeld en de mate waarin geheimhouding van die informatie (alsnog) kan worden gewaarborgd.7 Het is aan de vennootschapsleiding om deze afweging van geval tot geval te maken. Overigens zal dergelijke informatieverstrekking in een aantal gevallen (vrijwel) steeds geoorloofd zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de verstrekking van informatie van de vennootschap aan haar externe adviseurs.8