Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.2.2:3.4.2.2 De leer van Opzoomer en Land
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.2.2
3.4.2.2 De leer van Opzoomer en Land
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644946:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat er onderscheid te maken viel tussen bestanddelen en bijzaken, was al in de tijd van Diephuis niet onomstreden. Opzoomer, de Utrechtse tegenhanger van Diephuis, was bijvoorbeeld niet gecharmeerd van de categorie “bijzaak”. Hij gebruikte af en toe het woord wel, maar bedoelde daarmee de hulpzaak. Bij de bespreking van art. 563 OBW stelde hij:
“Zichtbaar van hun zelfstandigheid geen oogenblik beroofd, zijn ze toch voor onze gedachten, maar ook voor deze alleen, onzelfstandig. Zoodra we aan hen denken, denken we eerst aan het onroerend goed, waarmee zij in verband staan. Dat is het waarop het aankomt; zij volgen het enkel en behooren er toe. Zij zijn er het toebehooren of de bijzaken, in den engsten en eigenlijken zin dezer woorden, of wel – om ze met een eigen woord aan te duiden – de hulpzaken.”1
De Groningse hoogleraar Land stelde dat er geen verschil was tussen bestanddelen en bijzaken, aangezien beide geen zelfstandige zaken waren.
“Het geheel is voorwerp van rechten; de deelen zelve kunnen dit niet zijn”.2
Als hij sprak over een bijzaak dan bedoelde hij daarmee een bestanddeel van de hoofdzaak waarop geen afzonderlijk zakelijk recht kon rusten. Volgens Land was van belang of de “vereeniging zoo sterk is, dat er van een geheel en van zijn deelen moet worden gesproken en niet eerder zelfstandigheid der zaken mag worden aangenomen”. De verenigde zaken moesten - Land sprak over vereniging der zaken, niet over verbinding van zaken - in het maatschappelijk verkeer (lees: economisch verkeer) een eenheid vormen. Was dat het geval, dan ging de zelfstandigheid van de onderdelen van die eenheid teniet. Vandaar dat Land stelde:
“Van weinig gewicht acht ik de onderscheiding tusschen bijzaken en samenstellende deelen [lees: bestanddelen, JCTF]”.3
Volgens Land kon men het heel goed stellen zonder het begrip “bijzaken”. De in art. 563 OBW genoemde opsomming kon volgens hem vallen onder de noemer hulpzaak. Zo bleven voor Land, naast de zaak zelf, nog slechts twee categorieën over: de bestanddelen en de hulpzaken.
De opvatting van Land en Opzoomer, waarin geen onderscheid gemaakt diende te worden tussen bijzaken en bestanddelen, werd aanvankelijk niet breed gedeeld. Naarmate de tijd vorderde kreeg de opvatting dat in het wettelijke systeem slechts plaats was voor bestanddelen en hulpzaken echter meer en meer bijval, hoewel het begrip “bijzaak” nog veelvuldig in de literatuur werd gebezigd. Halverwege de jaren dertig van de twintigste eeuw beïnvloedde de rechtspraak de discussie met een aantal toonaangevende uitspraken. Zij worden hieronder besproken, omdat zij het begrip “bestanddeel” scherper omgrenzen.