Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.5.2.3.1
2.5.2.3.1 De Grondwet en parlementaire stukken
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633570:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Wet openbare manifestaties van 20 april 1988, Stb. 1988, 157, artikel 10, waarin gesproken wordt van “het belijden van godsdienst of levensovertuiging” en van “godsdienstige of levensbeschouwelijke plechtigheden”.
Bijlage 2 bij NotaGrondrechten in een pluriforme samenleving van 17 mei 2004, Kamerstukken II 2003/04, 29614, nr. 2, p. 31.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 1-5, p. 29en Kamerstukken II 1976/77, 13872, nr. 7, p. 25, te raadplegen via http://www.statengeneraaldigitaal.nl/.
Vermeulen 2000-a, p. 96.
Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 379.
Vermeulen 2000-a, p. 97.
Kortmann 2012, p. 432-435.
Elzinga, De Lange & Hoogers 2014, p. 379, 380.
Philipsen & Vermeulen 2014, p. 29, 30.
Artikel 6 GW waarborgt de vrijheid van levensovertuiging. De Grondwet geeft echter geen definitie of omschrijving van levensovertuiging. De uitleg van dit begrip ligt bij de staatsorganen (bestuur, rechter en de wetgever in de parlementaire geschiedenis van een wet). ‘Levensbeschouwelijk’ wordt in de wetsgeschiedenis beschouwd als het bijvoeglijk naamwoord bij het zelfstandig naamwoord ‘levensovertuiging’, dat in de Grondwet wordt gehanteerd,1 zodat levensbeschouwing en levensovertuiging in de wet als synoniemen gelden.2 Atheïsme, humanisme en vrijmetselarij schaart de (grond)wetgever onder het begrip levensbeschouwing of levensovertuiging.3
Ook in de wetsgeschiedenis van de Grondwet ontbreekt enige omschrijving van het begrip levensbeschouwing. Bij het opnemen van levensovertuiging in de Grondwet van 1983 stelde de regering nadrukkelijk dat godsdienst en levensovertuiging weliswaar zowel naar aard als naar gerichtheid een eigen karakter vertonen maar dat deze verschillen niet van invloed mogen zijn op de waarborging van vrijheid, bescherming en staatsrechtelijke gelijkheid. De nevenschikking met godsdienst in één bepaling (art. 6 GW) in plaats van een afzonderlijke bepaling voor levensovertuiging zou dienen ter afbakening van levensovertuiging ten opzichte van uitingen van gedachten of gevoelens die artikel 7 GW (vrijheid van meningsuiting) bestrijkt. Een te ruime uitleg van levensovertuiging zou leiden tot het onttrekken van diverse uitingen aan de werking van artikel 7 GW en daarmee ‘over het doel heen schieten’. De nevenschikking zou een interpretatief richtsnoer geven.4 Volgens Vermeulen werd hiermee bedoeld dat het begrip ‘levensovertuiging’ vanuit het begrip ‘godsdienst’ uitgelegd moet worden, zodat het moet gaan om een samenhangende levensbeschouwing – zoals humanisme en antroposofie – die onderscheiden moet worden van het uiten van maatschappelijke opvattingen, dat onder artikel 7 GW valt.5 Wat het precieze onderscheid is tussen een uiting van gedachten en gevoelens in de zin van artikel 7 GW en een belijdenis van een niet-religieuze levensovertuiging in de zin van artikel 6 GW, is nog niet duidelijk uit jurisprudentie gebleken.6 De rechter zal volgens Vermeulen echter in dat verband voor een restrictieve uitleg van levensovertuiging kiezen, waarvoor steun te vinden is in de stelling van de regering dat een te ruime interpretatie diverse uitingen aan de werking van artikel 7 GW zou onttrekken en daarmee over het doel heen schieten.7
In de literatuur wordt het standpunt gehuldigd dat het bij een levensovertuiging – conform wat hierboven ook over godsdienstige overtuiging in paragraaf 2.3.2.3.1 is opgemerkt – moet gaan om een coherente levensbeschouwing die de hele levensopvatting overheerst en samenhangt met het geweten. Er moet in ieder geval sprake zijn van een samenstel van principes, regels of tradities en een zekere mate van structuur, historische inbedding en herkenbaarheid. Net als de term ‘godsdienst’ moet de term ‘levensovertuiging’ ruim uitgelegd worden. Het begrip moet meer omvatten dan de traditionele levensbeschouwingen, zodat ook minderheidsovertuigingen daaronder vallen.8 Omdat een niet-religieuze levensovertuiging veelal een meer individueel karakter zal hebben dan een godsdienstige levensovertuiging, zal het voor de rechter lastiger zijn om een niet-religieuze levensovertuiging te identificeren.9
Philipsen & Vermeulen komen tot de volgende definitie van het neutrale, overkoepelende begrip levensovertuiging (als synoniem van levensbeschouwing): “een fundamentele, het leven omvattende visie op het menselijk bestaan, welke een zekere mate van structuur, historische inbedding en herkenbaarheid heeft”.10