Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.4.3.2
10.4.3.2 Uitzonderingen / Bevrijdende betaling
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591897:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Opstall1963, p. 76 en 77, l.k.; HR 24 februari 1933, NJ 1933, p. 645.
Zie hiervoor nr. 468-469.
Zie HR 31 oktober 2003, NJ 2004, 490.
Als de nalatenschap is gebaat, zijn ook de schuldeisers (en de erfgenamen) gebaat ten behoeve van wie de vordering wordt geïnd.
Het bevestig het hiervoor ingenomen stand punt dat bekrachtiging van een betaling aan een inningsonbevoegde in beginsel niet dienstig is aan een goed beheer.
Zie in dit verband bijvoorbeeld art. 3:246 lid 4 BW, art. 3:210 lid 3 BW en art. 3:221 lid 1 BW, in welke gevallen respectievelijk de pandgever, de hoofdgerechtigde en een bewindvoerder in plaats van de beperkt gerechtigde inningsbevoegd wordt. Met het oog op art. 6:34 BW dient hiervan mededeling aan de schuldenaar te worden gedaan. Hetzelfde geldt als in afwijking van de hoofdregel bij vruchtgebruik de hoofdgerechtigde inningsbevoegd is ex art. 3:210 lid 1 BW. Als de schuldenaar niet anders vemeemt, mag hij er op grond van art. 6:34 BW van uit gaan dat de vruchtgebruiker exclusief inningsbevoegd is. Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 656. Zie ook Reehuis 1987, p. 240. Vordert de hoofdgerechtigde nakoming, dan zal de schuldenaar kunnen verlangen dat aan hem de (relevante bedingen uit de) akte van vestiging, de toestemming van de vruchtgebruiker of het vonnis van de kantonrechter of de rechtbank worden getoond op grond waarvan de hoofdgerechtigde inningsbevoegd is. Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 656 en p. 657. Vgl. art. 6:37 jo 3:94lid 4 BW.
Zie T.M., Pari. Gesch. Boek 6, p. 163; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 222. Zie ook HR 14 september 1995, NJ 1996,36.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-l* 2008, nr. 221; Van Opstall1963, p. 76, l.k.; Losbladige Verbintenissenrecht 2008 (R.M.Ch.M. Koot), art. 6:34, aant. 5, met verdere literatuurverwijzingen.
Vgl. daarover o.a. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1164.
Zie voorts de regel van art. 6:15 lid 3 BW: aan de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten heeft gesloten, maar niet wist noch behoefte te weten dat dit recht van die gemeenschap deel uit ging maken. V gl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 131.
Vgl. HR 21 maart 1969, NJ 1969, 304, m.nt. GJS. Zie voor een voorbeeld waarin de bank door een interne communicatiefout alsnog betaalde, de HR 26 januari 2007, RvdW 2007, 132 ( cassatieberoep verworpen ex art. 81 RO). Zie over betaling in weerwil van een derdenbeslag nader, Faber 2009, p. 485 e.v.
Zie HR 28 april2006, NJ 2006, 503 (Huizer q.q./Rabobank), m.nt. P. van Schilfgaarde.
Zie over betaling aan de gefailleerde nader, Wessels 2008, p. 5 e.v.
Zie voor de verklaring van erfrecht, art. 4:188lid 1 sub a, den e BW; en t.a.v. bevrijdende betaling en inning, Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer 2008, nr. 355 en 417.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 225; Kalkman 1994, p. 822 e.v.
582. In een aantal gevallen komt aan een rechtshandeling van de schuldenaar jegens een onbevoegde persoon wel rechtsgevolg toe.
Zo wordt bijvoorbeeld een betaling aan de inningsonbevoegde schuldeiser of derde in een aantal gevallen wel als bevrijdend aangemerkt. Ten eerste, een betaling gedaan aan een ander dan de schuldeiser of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat (art. 6:32 BW). Degene aan wie betaald moet worden, is de inningsbevoegde schuldeiser of de exclusief inningsbevoegde derde, zoals een openbaar pandhouder of vruchtgebruiker, een bewindvoerder, een executeur en een privatieve lasthebber.1 Bij een volmacht is zowel betaling aan de gevolmachtigde als aan de volmachtgever bevrijdend, maar moet alleen aan de volmachtgever, de schuldeiser, worden betaald in de zin van art. 6:32 BW.
Uit art. 6:32 BW volgt naar mijn mening niet dat een betaling steeds bevrijdend is, als de exclusief inningsbevoegde derde de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat.2 De persoon aan wie betaald dient te worden, dient 66k bevoegd te zijn om de betaling aan de ander te bekrachtigen. Een inningsbevoegde derde is niet (zonder meer) bevoegd om een betaling aan de ander te bekrachtigen. De bekrachtiging is een beschikkingshandeling. Aileen een beheersbevoegde derde is bevoegd om te bekrachtigen als dit dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering. In de overige gevallen is voor de bekrachtiging de toestemming van de schuldeiser of de machtiging van de rechter nodig.3 De bekrachtiging van een betaling aan de inningsonbevoegde zal naar mijn mening niet snel dienstig kunnen zijn aan een goed beheer van de vordering.
Ook is de exclusief inningsbevoegde derde in de regel niet degene die door de betaling gebaat dient te worden. Hij int de vordering veelal ten behoeve van een ander. Bijvoorbeeld, de bewindvoerder int de vordering in het belang van de rechthebbende; de deurwaarder neemt betalingen in ontvangst ten behoeve van de beslaglegger. Niet zij, maar degenen die gerechtigd zijn tot de opbrengst van de vordering, dienen in beginsel door de betaling aan de ander gebaat te zijn, wil sprake zijn van een bevrijdende betaling ex art. 6:32 BW. Is de inningsbevoegde derde dezelfde persoon als die tot de opbrengst gerechtigd is, zoals een openbaar pandhouder, dan dient hij door de betaling aan de ander gebaat te zijn, voorzover hij tot de opbrengst gerechtigd is.4 Bij een recht van vruchtgebruik dient de vruchtgebruiker door de betaling van de rentevordering gebaat te zijn en de hoofdgerechtigde door de betaling van de hoofdvordering. Er is geen sprake van een bevrijdende betaling, als de inningsbevoegde persoon aan wie moest worden betaald, door de betaling aan de ander is gebaat (bijvoorbeeld omdat aan hem pro se het bedrag is doorbetaald), maar niet tevens gerechtigd was tot de opbrengst.
Uit art. 6:33 BW volgt ook dat als de rechthebbende door de betaling aan de ander is gebaat, maar inningsonbevoegd was, evenmin sprake kan zijn van een bevrijdende betaling. De inningsbevoegde derde kan op grond van art. 6:33 BW immers nogmaals betaling vorderen. Ook geldt dus dat geen sprake is van een bevrijdende betaling aan een ander, als de gene die gerechtigd was tot de opbrengst, daardoor is gebaat, maar niet tevens degene is aan wie moest worden betaald. Bijvoorbeeld, heeft de ander het bedrag rechtstreeks doorbetaald aan degene wiens vordering onder bewind staat, dan is degene die gerechtigd was tot de opbrengst, daardoor gebaat, maar is voor de schuldenaar (nog) geen sprake van een bevrijdende betaling ex art. 6:32 BW, omdat niet is (door)betaald aan degene aan wie moest worden betaald, namelijk de beheersbevoegde bewindvoerder. Komt het doorbetaalde ten bate van degene die tot de opbrengst gerechtigd was en in de macht van de inningsbevoegde, dan is naar mijn mening wel aan beide eisen voldaan. Bij een vereffening van een nalatenschap en executele is het bijvoorbeeld voldoende als 'de nalatenschap'5 is gebaat, omdat doorbetaald is op een rekening van de erflater en deze rekening beheerd wordt door de vereffenaar dan wel de executeur. In voorkomende gevallen kent art. 6:33 BW derhalve twee vereisten waaraan moet worden voldaan, voordat sprake is van bevrijdende betaling.
Art. 52 lid 3 Fw bevestigt de voorgaande lezing van art. 6:32 BW. Art. 52 lid 3 Fw bepaalt dat de voldoening aan de gefailleerde de schuldenaar tegenover de boedel bevrijdt, voor zover hetgeen door hem voldaan werd, ten bate van de boedel is gekomen. Art. 52 lid 3 Fw (vgl. ook art. 24 Fw) is vergelijkbaar met art. 6:32 BW. Niet de curator, maar de faillissementsboedel dient door de betaling gebaat te zijn. Door betaling aan de boedel, komt het betaalde bovendien in de macht van de curator; de boedel staat immers onder diens beheer (art. 68 Fw). Bekrachtiging van een betaling aan een ander dan de curator zonder dat de boedel daardoor is gebaat, laat zich overigens moeilijk denken. In art. 52 lid 3 Fw is deze mogelijkheid dan ook niet gegeven aan de curator; hij is daartoe niet bevoegd.6
583. Ten tweede, de schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald (art. 6:34lid 1 BW). De schuldenaar kan op grand van deze bepaling bijvoorbeeld bevrijdend betalen als de inningsbevoegdheid van een derde, zoals een openbaar pandhouder, vruchtgebruiker, privatief lasthebber, beheersbevoegde deelgenoot of bewindvoerder, geëindigd is, zonder dat hij dit wist of behoorde te weten.7 Op een betaling aan de pseudogevolmachtigde is art. 6:34 BW niet van toepassing, omdat alleen aan de volmachtgever betaald moet worden in de zin van deze bepaling (vgl. ook art. 6:32 BW hiervoor).8 De schuldenaar kan zich eventueel beroepen op art. 3:61 lid 2 BW (schijn van volmachtverlening) of op art. 3:76 BW (einde van volmacht).9
Art. 6:34 lid 1 BW is ook van toepassing op het geval dat de schuldenaar aan de inningsonbevoegde schuldeiser van de vordering heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat aan de schuldeiser moest worden betaald, en bijvoorbeeld nog niet wist en niet behoorde te weten dat de schuldeiser inningsonbevoegd is geworden. In de regelingen van bewind, lastgeving, derdenbeslag en faillissement komen vergelijkbare bepalingen voor. In deze bepalingen is eveneens de goede trouw van de schuldenaar bepalend voor de vraag of bevrijdend is betaald aan de inningsonbevoegde schuldeiser.10 Bijvoorbeeld, betaalt de schuldenaar aan een inningsonbevoegde schuldeiser(s) wiens vordering onder bewind is gesteld, dan kan het bewind slechts aan hem worden tegengeworpen, zo hij het bewind kende of had behoren te kennen (art. 1:439lid 1 en 4:168 lid 1 eerste zin BW).11 De inningsonbevoegdheid van de privatieve lastgever kan niet aan derden worden tegengeworpen die haar niet kenden noch behoorden te kennen (art. 7:423lid 1 BW).12 Ook bij derdenbeslag en faillissement bestaat ruimte voor de bescherming van goede trouw van de schuldenaar, ook al is deze ruimte beperkt. Immers, het derdenbeslag wordt aan de schuldenaar betekend, en het faillissement wordt in het openbaar uitgesproken en wordt in een openbaar register ingeschreven. Daarmee is het weten of het behoren te weten van de schuldenaar al snel gegeven. Als een betaling is gedaan in weerwil van het beslag, kan de betaling niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen, tenzij de derde-beslagene heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling te voorkomen (art. 475h lid 1 tweede zin Rv). Van bevrijdende betaling is bijvoorbeeld sprake als de derde-beslagene v66r het beslag een betalingsopdracht heeft gegeven en deze onmogelijk nog kan intrekken.13 Het faillissement heeft terugwerkende kracht tot 0.00 uur middemacht van de dag waarop het is uitgesproken. Betaling aan de gefailleerde na de faillietverklaring, maar v66r de bekendmaking daarvan, van een vordering die voor de faillissementsverklaring is ontstaan, bevrijdt de schuldenaar tegenover de boedel, zolang zijn bekendheid met de faillietverklaring niet bewezen wordt (art. 52 lid 1 Fw). Een bank ontleent aan deze bepaling geen bescherming als de gefailleerde een betalingsopdracht aan de bank heeft gegeven na de faillietverklaring, en de bank noch door publicatie van het faillissement, noch op andere wijze op de hoogte was of moest zijn van het faillissement.14 Betaling aan de gefailleerde na de bekendmaking van de faillietverklaring bevrijdt de schuldenaar tegenover de boedel alleen als hij bewijst dat de faillietverklaring in zijn woonplaats langs de weg van de wettelijke aankondiging nog niet bekend kon zijn, behoudens het recht van de curator om aan te tonen, dat zij hem toch bekend was (art. 52 lid 2 Fw).15 Beide regels geven een uitwerking van de regeling van art. 6:34 BW.
Boek 4 BW bevat een regel die de schuldenaar meer bescherming biedt. Een schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was om de betaling te ontvangen, en daarbij is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald (art. 4:187lid 2 BW).16
584. Art. 6:34 BW is van overeenkomstige toepassing op andere handelingen ten aanzien van de vordering, zoals kwijtschelding, schuldvernieuwing en inbetalinggeving.17 De schuldenaar kan zich ook beroepen op de beschermingsbepalingen van bewind (art.1:439lid 1, 4:168lid 1 BW), lastgeving (art. 7:423 BW) en erfrecht (art. 4:187 BW). Art. 53 Fw leent zich minder voor overeenkomstige toepassing. Ook zal art. 6:32 BW zich in voorkomende gevallen voor overeenkomstige toepassing kunnen lenen. Bekrachtiging door de bevoegde persoon kan ook worden gebaseerd op art. 3:58 BW.