Het recours objectif, een herwaardering
Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/1.4:1.4 Twee ideaaltypische modellen
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/1.4
1.4 Twee ideaaltypische modellen
Documentgegevens:
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675426:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook De Poorter & De Graaf 2011, p. 15.
Hierover verder paragraaf 4.2.
Van Buuren 1982, p. 35 en 38. Vgl. Donner 1974, p. 334-335.
Daarover onder meer Banda 1989, p. 26-32. Zie ook Goossens 2018, p. 208 en Brown & Bell 1993, p. 172.
Met dank aan onder meer het proefschrift van Banda uit 1989.
Zie o.a. Polak e.a. 2004, p. 38-39 en De Jong 1988, p. 149-299.
Zie voor een korte blik op de Europese stelsels van bestuursrechtspraak vanuit het perspectief van beide recours bijvoorbeeld Lubach 2003, m.n. p. 245-254.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recours objectif en het recours subjectif zijn ideaaltypen om de rechtsstatelijke functie van de procedure bij de bestuursrechter te karakteriseren. Ze zijn bovenal eendimensionaal. De functie van de procedure wordt in beide recours immers vanuit één perspectief bezien. In het recours objectif is dat het algemene, rechtsstatelijke belang van rechtmatig bestuur. In het recours subjectif is dat het individuele belang van de rechtzoekende bij rechtmatig bestuur. Dat maakt dat het gaat om abstracte denkmodellen, die als basis kunnen fungeren voor de concrete inrichting van allerlei bestuursrechtelijke beroepsprocedures (denk aan vroegere procedures op grond van de Wet Bab en de Wet Arob van 1963 respectievelijk 1976, en de huidige Awb-beroepsprocedure van 1994). Omdat de modellen vooral zijn bedoeld om bestuursrechtelijke beroepsprocedures te analyseren, te karakteriseren en te vergelijken, kunnen de recours fungeren als toetssteen of baken wanneer vragen rijzen ten aanzien van de inrichting van het bestuursprocesrecht.1 Daarvoor worden de modellen ook met name gebruikt.
De recours sluiten elkaar niet zonder meer uit. Ze moeten daarom niet tegenover elkaar worden geplaatst. Het zijn eerder twee hoofden op één kussen. Wanneer een bepaalde bestuursrechtelijke beroepsprocedure aan de hand van deze twee modellen wordt gekenschetst, dan zijn eigenlijk altijd elementen van beiden aanwezig. Dat is ook zo in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure op grond van de huidige Awb.2 Het gaat in de praktijk dan ook niet zozeer om de aan- of afwezigheid van de verschillende recours, maar om meer of minder. Wel wordt doorgaans de nadruk op één van beiden gelegd. Bovendien kunnen de recours elkaar dienen. Zo kan een ‘objectief’ ultra petita gaan de ‘onbezoldigd Rijksverklikker’ dienen wanneer hij een besluit van tafel wil hebben, en kan een vergaande ‘subjectieve’ belangenbescherming uiteindelijk leiden tot de vernietiging van een besluit. Er kan dus sprake zijn van een reflexwerking over en weer.
Verder moet erop worden gewezen dat de functie van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure niet per se samen hoeft te vallen met het belang van de procespartijen bij de procedure. In veel gevallen zal het belang van de eiser zich beperken tot de bescherming van zijn eigen positie. Het belang van het bestuursorgaan zal daarop doorgaans minder sterk zijn gericht. Dat belang richt zich immers vooral op de vraag of het bestreden besluit kan worden gehandhaafd, en of de bestaande jurisprudentie wordt gecontinueerd. De specifieke positie van de eiser is voor bestuursorganen vooral een aanleiding voor de antwoorden op die vragen.3
De recours zoals die hiervoor op hoofdlijnen zijn besproken, zijn afkomstig uit de Franse doctrine van de 19e eeuw.4 Ze zijn in de Nederlandse bestuursrechtelijke literatuur overgenomen en in de 20e eeuw gemeengoed geworden.5 De modellen hebben voor de gedachtevorming over de vormgeving van beroepsprocedures veel invloed in Frankrijk en de omliggende continentale landen.6 In Frankrijk en Duitsland bestaan - in tegenstelling tot in Nederland - zelfs verschillende rechtsgangen, die elk sterk op één van beide recours zijn geënt.7