Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.2.1:2.5.2.1 Voorontwerp van Reinhold Johow (1880)
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.2.1
2.5.2.1 Voorontwerp van Reinhold Johow (1880)
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644834:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schlimpert (2015) p. 25; Eisenhardt (2013), Rn 574.
Johow (1880); Zie hierover ook: Schlimpert (2015), p. 25.
Johow (1880), §6-12, p. 42 en 51; Wieling, JZ/1985, p. 511-518, 514.
Johow (1880), p. 819-822; Wieling, JZ/1985, p. 514.
Johow (1880), p. 822.
Dit was anders dan in het Romeinse en gemene recht, aangezien de gedachte was dat de bezitter door eigen toedoen, namelijk door het bezit van de zaak op te geven, zijn recht is kwijtgeraakt. Een bezitter kreeg geen vordering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voordat het BGB op 1 januari 1900 in werking trad, was het Duitse civiele recht versplinterd. In het Duitse rijk golden bijvoorbeeld het Preuβische Allgemeine Landrecht van 1794, de Code civil van 1804, het gemeine Recht, dat verschillende variaties kende, en het sächsische BGB van 1863.1 Met de Lex Miguel-Lasker werd in 1873 het startsein gegeven om een gezamenlijk Duits burgerlijk wetboek tot stand te brengen. Het voorbereidende deelontwerp voor het zakenrecht werd door de Duitse jurist Reinhold Johow gemaakt.2 Een verbinding van de ene zaak met een andere zaak, waarbij zij een wezenlijk bestanddeel van de andere wordt (“festen Verbindungen”), had in het deelontwerp van Johow tot gevolg dat de eigendom van het bestanddeel geheel en definitief verloren ging.3 Degene die door de verbinding zijn recht had verloren, verkreeg een verrijkingsvordering (Bereicherungsanspruch). Ofschoon Johow een zakelijke actie tegen iedere eigenaar van de samengestelde zaak afwijst,4 kent hij aan de bezitter die zijn recht door natrekking heeft verloren een retentierecht (Zurückbehaltungsrecht) toe, dat hij niet alleen tegen de verrijkte eigenaar kan opwerpen, maar ook tegen diens opvolger onder bijzondere titel en tegen andere zakelijke gerechtigden zoals een pandhouder. De bezitter had bovendien recht op een abgesonderte Befriedigung, hetgeen inhield dat hij ten opzichte van de andere schuldeisers een voorrangspositie had bij het innen van zijn vordering als de eigenaar van de zaak failliet ging.5 Zo bezien had de bezitter in de vorm van het retentierecht een recht met zakelijke werking. Als de bezitter de samengestelde zaak teruggaf aan de eigenaar, dan verkreeg hij volgens Johow een vordering tot betaling van de waarde van de zaak die hij verloren had.6