Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.8:IV.1.8. Quasi-legaten en art. 4:66 BW en art. 4:68 BW
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.8
IV.1.8. Quasi-legaten en art. 4:66 BW en art. 4:68 BW
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS580344:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 4:126 lid 3 BW worden art. 4:66 BW en art. 4:68 BW van overeenkomstige toepassing verklaard.
Art. 4:66 BW geeft waarderingsregels voor de gift in het kader van de legitieme.
De hoofdregel die in lid 1 wordt gegeven, brengt met zich dat ter bepaling van het genoten voordeel het tijdstip van de prestatie, bij het quasi-legaat van art. 4:126 lid 1 BW het moment van overlijden, beslissend is.
Indien een gift terzake des doods wordt gedaan met (eveneens opgeschorte) tegenprestatie (die niet voorkomt dat sprake is van een gift) dan wordt deze op het moment van het sluiten geoormerkt als quasi-legaat. Blijkt later dat de tegenprestatie groter is dan het voordeel dat men geniet, dan blijft het een quasi-legaat. Het voordeel wordt mijns inziens vervolgens op grond van art. 4:126 lid 3 BW juncto art. 4:66 lid 1 BW weggepoetst. Zie ook par. 1.6.2 van dit hoofdstuk alwaar art. 4:121 BW aan de orde kwam.
Voor lid 2 van art. 4:66 BW is het niet aanstonds helder welke functie deze zou kunnen hebben in het kader van de quasi-legaten. De behandeling als legaat impliceert toch al dat als ijkpunt het overlijden wordt genomen?
In art. 4:68 BW worden giften van de erflater aan zijn echtgenoot buiten beschouwing gelaten voor de berekening van de legitieme voor zover zich, ten gevolge van een gemeenschap van goederen of een verrekenbeding/deelgenootschap waarin de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift gehuwd waren, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan. Een vreemde bepaling: er is geen sprake van een schenking of gift indien een verrijking door de aanwezigheid van een (economische) gemeenschap niet aan de orde is. Waarom dan deze nog uitzonderen?1
Lid 3 van art. 4:126 BW verklaart deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de quasi-legaten. Ziet deze verwijzing op alle quasi-legaten of slechts op die quasi-legaten, waarin een koppeling met een schenking/gift wordt gemaakt? Het feit dat in een eerdere fase van het wetgevingsproces2 ook het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 letter a BW behandeld werd als ware het een (als legaat behandelde) gift, zou pleiten voor de opvatting dat art. 4:68 BW ziet op alle quasi-legaten. Hiermee worden de gevolgen van het quasi-legaat, indien sprake is van een gemeenschap van goederen of verrekenbeding/deelgenootschap, geëcarteerd. Ik verwijs nader naar par. 3.5 van dit hoofdstuk.