Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/2.3.4.3
2.3.4.3 Economische machtspositie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576395:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zaak HvJ EG 3 juli 1991, C-62/86 (Akzo), Jur. 1991, p. 1-3359 en HvJ EG 7 oktober 1999, zaak T-228/97 (Irish Sugar), Jur. 1999, p. II-2969. Zie ook HvJ EG 13 februari 1979, zaak 85/76 (Hoffmann-La Roche), Jur. 1979, p. 461. In het arrest Hoffman-LaRoche overwoog het Hof van Justitie (r.o. 41): 'En al moet aan de marktaandelen van markt tot markt een verschillende betekenis worden toegekend, het mag ervoor worden gehouden dat zeer aanzienlijke marktaandelen, uitzonderingsomstandigheden daargelaten, op zichzelf reeds het bewijs van een machtspositie leveren. Terwijl de houders van veel kleinere marktaandelen niet op korte termijn kunnen voldoen aan de vraag van afnemers die zich van de onderneming met de machtspositie zouden willen afwenden, ontleent een onderneming met een zeer aanzienlijk marktaandeel aan de omvang van haar productie en aanbod een marktmacht die anderen op haar aangewezen doet zijn, hetgeen haar op zichzelf reeds, althans voor betrekkelijk lange tijd, de voor een machtspositie kenmerkende onafhankelijkheid van gedrag verzekert.'
HvJ EG 3 juli 1991, C-62/86 (Akzo), Jur. 1991, p. 1-3359.
HvJ EG 13 februari 1979, zaak 85/76 (Hoffmann-La Roche), Jur. 1979, p. 461.
HvJ EG 14 november 1996, zaak C-333/94 P (Tetrapak II), Jur. 1996, p. 1-5951.
Mok wijst erop dat het juist is dat aansluiting is gezocht bij art. 86 (thans art. 82 EG), maar had er mijns inziens terecht de voorkeur aan gegeven om een verwijzende omschrijving in de wet op te nemen. Bijvoorbeeld 'economische machtspositie: machtspositie in de zin van art. 82 van het EG-verdrag, met dien verstande dat als relevante markt de relevante Nederlandse markt of een deel daarvan in aanmerking moet worden genomen'. Men had dan hetzelfde resultaat bereikt met automatische aanpassing aan eventuele toekomstige ontwikkelingen. Zie Mok 2004, p. 312 e.v.
HvJ EG 14 februari 1978, zaak 27/76 (United Brands), Jur. 1978, p. 207, SEW 1978, p. 660, m.nt. H.E. Akyürek-Kievits en M.R. Mok.
HvJ EG 15 december 1994, zaak C-250/92 (Gottrup-Klim), Jur. 1994, p. 1-5641; GvEA EG 7 oktober 1999, zaak T-228/97 (Irish Sugar), Jur. 1999, p. lI-2969. Zie ook Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 670.
Waarbij de omvang van de vereiste investeringen en de tijd die nodig is voor de creatie van productiemogelijkheden een belangrijke rol spelen. Zie Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 670.
HvJ EG 14 februari 1978, zaak 27/76 (United Brands), Jur. 1978, p. 207.
HvJ EG 13 februari 1979, zaak 85/76 (Hoffmann La Roche), Jur. 1979, p. 461, SEW 1979, blz. 521, m.nt. R. Barents. Het ging hier om vitamine B3, dit was slechts één van de betrokken producten.
Zie Beschikking 14 februari 1995 (Mercedes-Benz/Ktissbohrer), IV/M477, PbEG 1995, L 211/1.
Het enkele bezit van intellectuele eigendomsrechten levert op zichzelf nog geen machtspositie op maar kan een relevante factor zijn voor het bestaan van een machtspositie. Zie onder meer HvJ EG 29 februari 1968, zaak 24/67 (Parke-Davis), Jur. 1968, p. 81; HvJ EG 18 februari 1971, zaak 40/70 (Sirena), Jur. 1971, p. 69; HvJ EG 8juni 1971, zaak 78/70 (Deutsche Grammophon), Jur. 1971, p. 487; HvJ EG 15 juni 1976, zaak 51/75 (EMI Records I), Jur. 1976, p. 811 en GvEA EG 10 juli 1990, zaak T-51/89 (Tetra Pak I), Jur. 1990, p. II-309. Zie Kapteyn & VerLoren van Themaat 2003, p. 671 en de daar vermelde rechtspraak.
Zie in deze zin ook Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 114.
Zie Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 114 die wijzen op een verticaal geïntegreerde onderneming als Shell.
HvJ EG 13 februari 1979, zaak 85/76 (Hoffmann la Rochel, Jur. 1979, p. 461, SEW 1979, p. 521, m.nt. R. Barents.
Zie bijvoorbeeld Beschikking 1 april 1992 (Frans-Westafrikaanse rederscomités), PbEG 1992, L 134/1 van 18 mei 1992 en Beschikking 23 december 1992 (CEWAL, COWAC en UKWAL), PbEG 1993, L 34/20 van 10 februari 1993.
HvJ EG 27 april 1994, zaak C-393/92 (AlmeloNsselmij), Jur. 1994, p. 1-1477. Zie ook SEW 1995, p. 529, m.nt. H.M. Gilliams. HvJ EG 31 maart 1998, zaken C-68/94 en C-30/95 (Kali und Salz), Jur. 1998, p. 1-1375. Zie ook TVVS 1998, p. 149 e.v.
Beschikking 2januari 1973 (Europese Suikerindustrie), PbEG 1973, L 140/17 van 26 mei 1973.
HvJ EG 8 juni 1971, zaak 78/70 (Deutsche Grammophon), Jur. 1971, p. 487.
Beschikking 7 december 1988 (Vlakglas II), PbEG 1989, L 33/44 van 4 februari 1989. Zie over een collectieve economische machtspositie uitgebreid Van Gerven c.s. 1997, p. 474-479.
HvJ EG 4 mei 1988, zaak 30/87 (Bodson), Jur. 1988, p. 2479; GvEA EG 10 maart 1992, gev. zaken T-68/89, T-77/89 en T-78/89 (51V), Jur. 1992, p. II-1405; HvJ EG 27 april 1994, zaak C-393/92 (AlmeloNsselmij), Jur. 1994, p.1-1477. Zie ook Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 109- 112; Bellamy & Child 1993, p. 612 e.v.
HvJ EG 27 april 1994, zaak C-393/92 (AlmeloNsselmij), Jur. 1994, p. 1-1477. Zie ook HvJ EG 31 maart 1998, gevoegde zaken C-68/94 en 30/95 (Kali und Salz), Jur. 1998, p. 1-1375 en HvJ EG 16 maart 2000, gevoegde zaken C-395 en 396/96 P (Compagnie Maritime Belge Transports), Jur. 2000, p. 1-1365.
GvEA EG 6 juni 2002, zaak T/342-99 (Airtours), Jur. 2002, p. II-2585. Zie ook Slot, Swaak & Mulder 2007, p. 110-112.
Het GvEA EG overweegt (r.o. 62): 'Zoals verzoekster heeft gesteld en de Commissie in haar memories heeft erkend, moet aan drie voorwaarden worden voldaan voor het ontstaan van een aldus beschreven situatie van collectieve machtspositie: - in de eerste plaats moet elk lid van de oligopolide machtspositie het gedrag van de andere leden kunnen kennen teneinde na te gaan of zij één front vormen. Zoals de Commissie uitdrukkelijk erkent, volstaat het niet dat elk lid van de oligopolide machtspositie zich ervan bewust is dat allen voordeel kunnen halen uit onderling afhankelijk marktgedrag, maar moet hij ook over een middel beschikken om te weten of de andere marktdeelnemers dezelfde strategie volgen en handhaven. De markt moet dus voldoende doorzichtig zijn om elk lid van de oligopolide machtspositie in staat te stellen voldoende nauwkeurig en snel de ontwikkeling van het marktgedrag van elk van de overige leden te kennen;- in de tweede plaats is het noodzakelijk dat de situatie van stilzwijgende coördinatie duurzaam kan worden gehandhaafd, dat wil zeggen er moet een stimulans bestaan om niet van de gemeenschappelijke gedragslijn op de markt af te wijken. Zoals de Commissie opmerkt, kunnen de leden van de oligopolide machtspositie daarvan slechts profiteren wanneer zij zich parallel blijven gedragen. Deze voorwaarde omvat dus het begrip vergeldingsmaatregelen in geval van een gedraging die van de gemeenschappelijke lijn afwijkt. Partijen zijn het erover eens dat een situatie van collectieve machtspositie slechts levensvatbaar is wanneer er sprake is van voldoende factoren met afschrikkende werking om duurzaam een stimulans te vormen om niet van de gemeenschappelijke gedragslijn af te wijken, wat betekent dat elk lid van de oligopolide machtspositie moet beseffen dat, wanneer hij een concurrentieslag ontketent om zijn marktaandeel te vergroten, anderen soortgelijke stappen zullen ondernemen, zodat zijn initiatief hem geen voordeel zal opleveren (...);- in de derde plaats moet de Commissie, om het bestaan van een collectieve machtspositie rechtens voldoende aan te tonen, ook bewijzen dat de waarschijnlijke reactie van de werkelijke en potentiële concurrenten en van consumenten die van de gemeenschappelijke gedragslijn verwachte resultaten niet aan het wankelen brengt.'
HvJ EG 16 maart 2000, gevoegde zaken C-395/96 P en C-396/96 P (Compagnie Maritime Beige Transports), Jur. 2000, p. 1-1365.
Het al dan niet aanwezig zijn van structurele banden speelde een belangrijke rol in HvJ EG 31 maart 1998, gevoegde zaken C-68/94 en C-30/95 (Kali und Salz), Jur. 1998, p. 1-1375.
HvJ EG 16 maart 2000, gevoegde zaken C-395/96 P en C-396/96 P (Compagnie Maritime Beige Transports), Jur. 2000, p. 1-1365.
Als de relevante markt eenmaal in zakelijk en territoriaal opzicht is afgebakend, moet vervolgens worden nagegaan of de onderneming in kwestie op die relevante markt een economische machtspositie inneemt. De marktstructuur is daarbij met name van belang. Aan de hand van de totale hoeveelheid afgezette producten wordt de omvang van de markt in zijn geheel vastgesteld en vervolgens kan het marktaandeel van iedere aanbieder op die markt ook weer op basis van zijn afzet worden berekend.
Als blijkt dat een onderneming op de relevante markt een marktaandeel heeft van meer dan 50 procent, is de kans groot dat er sprake is van een economische machtspositie.1 Marktaandelen van 50 procent of meer zijn als 'zeer aanzienlijk' te beschouwen. Bij een marktaandeel van 51% tot 75% is er vermoedelijk sprake van een machtspositie, maar heeft de onderneming uiteraard de nodige ruimte om tegenbewijs te leveren.2 Indien sprake is van een marktaandeel tussen 76% en 90% wordt uitgegaan van de aanname dat een machtspositie aanwezig is. Het leveren van tegenbewijs is bij dergelijke percentages bijzonder moeilijk.3 Ingeval de onderneming een marktaandeel van meer dan 90% heeft, is feitelijk sprake van een monopolie en is een machtspositie vanzelfsprekend aanwezig.4 Marktaandelen tussen de 25% en 50% kunnen een machtspositie met zich meebrengen. Aanvullend bewijs is dan wel vereist. Indien sprake is van een marktaandeel van onder de 25% is een machtspositie zeer onwaarschijnlijk.
Artikel 1 onder i van de Nederlandse Mededingingswet bevat van het begrip economische machtspositie een definitie, luidende als volgt:
'Positie van een of meer ondernemingen die hen in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen door hen de mogelijkheid te geven zich in belangrijke mate onafhankelijk van hun concurrenten, hun leveranciers, hun afnemers of de eindgebruikers te gedragen.'5
Deze omschrijving (uitgezonderd de verwijzing naar de Nederlandse markt of een deel daarvan, die uiteraard moet worden vervangen door de Europese markt of een deel daarvan) komt overeen met de definitie die het HvJ EG heeft gebruikt in het arrest United Brands en een aantal daarop volgende arresten.6 Zij is de standaardformule geworden die ook het GvEA EG en de Commissie gebruiken.
Het onderzoek naar het bestaan van een machtspositie op de relevante markt is bij een monopolist uiteraard van veel minder groot belang. Het is daarbij van belang te onderkennen dat het begrip economische machtspositie niet samenvalt met dat van een monopolie. In het geval van een monopolie bestaat er uiteraard wel een economische machtspositie. Een houder van een economische machtspositie is echter niet per definitie een monopolist.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de aanname van een machtspositie het resultaat is van verschillende factoren.7 Het marktaandeel is daarbij het belangrijkste gezichtspunt, maar een economische machtspositie kan niet altijd alleen worden afgeleid uit het marktaandeel. Daarom wordt ook naar andere factoren gekeken. Zo wordt bijvoorbeeld gekeken naar het aantal ondernemingen dat op de markt actief is en hun marktpositie, zodat de verhouding van het marktaandeel tot die van andere ondernemingen kan worden vastgesteld. Tevens kan worden gekeken naar de technische en economische kracht, het á dan niet behoren tot grote concerns en de á dan niet aanwezige potentiële concurrentie.8
Het bewijs voor de aanwezigheid van een economische machtspositie is sterker naarmate het verschil tussen de marktaandelen van de grootste en de eerstvolgende concurrent groter is. Zo werd in het arrest United Brands,9waar sprake was van een marktaandeel van 45%, wel een economische machtspositie aanwezig geacht. Dit op grond van het aantal concurrenten en de slagkracht van die concurrenten. In de zaak Hoffmann la Roche werd echter geen economische machtspositie aangenomen bij een marktaandeel van 51%, omdat de sterkste concurrent boven 30% kwam en er geen andere aanwijzingen waren voor een machtspositie.10
Toetredingsdrempels spelen tevens een belangrijke rol. Gedacht kan worden aan de efficiëntie van de aanwezige onderneming en de beschikbaarheid van noodzakelijke en schaarse productiemiddelen of afzetkanalen. Tevens kan worden gedacht aan de noodzaak een vergunning te krijgen (een van de overheid uitgaande belemmering). Het kan zijn dat de toetredingsdrempel zo laag is dat een onderneming die een zeer groot marktaandeel heeft binnen korte termijn met een sterke concurrent te maken krijgt. Als de potentiële concurrentie groot is kan de onderneming met een groot marktaandeel zich ook niet onafhankelijk van concurrenten en afnemers gedragen. Het aannemen van een machtspositie ligt dan niet voor de hand.11 Als de prijs van een aanbieder bijvoorbeeld te hoog wordt, zal een andere aanbieder op korte termijn de markt betreden en het product goedkoper aanbieden.
Bij het bepalen van het wel of niet bestaan van een machtspositie kunnen naast de hiervoor genoemde structuur van de markt en marktaandelen ook andere feiten een rol spelen. Te denken valt aan het bezit van intellectuele eigendomsrechten, de uitgebreidheid van het assortiment producten dat aan dezelfde groep afnemers geleverd kan worden en de uitgebreidheid van het distributienetwerk.12 Daarnaast kan worden gedacht aan de manier waarop een onderneming gestructureerd is. Zo kan het deel uitmaken van een wereldconcern een voordeel zijn door de ruime financiële mogelijkheden. De omvang en financiële slagkracht van de betreffende onderneming spelen dan een rol.13 Tevens kan verticale integratie binnen een concern een voordeel zijn.14 Indien er voldoende aanwijzingen voor een machtspositie zijn, kan zelfs een marktaandeel van 20% voldoende zijn aldus het HvJ EG 15
Niet alleen kan één onderneming een economische machtspositie bezitten, ook meerdere ondernemingen kunnen gezamenlijk een economische machtspositie bezitten. Er is dan sprake van een collectieve economische machtspositie.16 Een klein aantal ondernemingen heeft dan een groot deel van de markt in handen. Het HvJ EG heeft erkend dat een collectieve machtspositie onder het Europeesrechtelijk begrip machtspositie kan vallen. Het komt er volgens het HvJ EG op aan of de ondernemingen samen, met name als gevolg van de tussen hen bestaande correlatiefactoren, één front kunnen vormen op de markt en in aanzienlijke mate onafhankelijk van de andere concurrenten, de klanten en de verbruikers kunnen handelen.17 Een collectieve machtspositie kan bestaan tussen onafhankelijke ondernemingen,18 tussen groepsondernemingen19 en in het kader van een oligopolie.20 Bij de toepassing van artikel 82 EG is zuiver parallel marktgedrag niet zonder meer als machtspositie erkend. Vereist is dat tussen betrokken ondernemingen een zodanige band bestaat dat zij hun optreden kunnen coërdineren.21 Denk aan het gezamenlijk opstellen en gebruiken van dezelfde standaardcontracten.22
De criteria gebruikt voor het bepalen van een machtspositie bij een enkele onderneming worden op dezelfde manier toegepast bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een collectieve machtspositie. In het arrest Airtours heeft het GvEA EG een aantal criteria geformuleerd waarmee kan worden vastgesteld of sprake is van een collectieve machtspositie.23 Zo moet 'elk lid van de oligopolide machtspositie het gedrag van de andere leden kunnen kennen teneinde na te gaan of zij één front vormen'. Vervolgens is het 'noodzakelijk dat de situatie van stilzwijgende coördinatie duurzaam kan worden gehandhaafd, dat wil zeggen er moet een stimulans bestaan om niet van de gemeenschappelijke gedragslijn op de markt af te wijken.' Om het bestaan van een collectieve machtspositie rechtens voldoende aan te tonen, moet ook bewezen worden 'dat de waarschijnlijke reactie van de werkelijke en potentiële concurrenten en van consumenten die van de gemeenschappelijke gedragslijn verwachte resultaten niet aan het wankelen brengt.'24
In CMBT oordeelde het HvJ EG dat — om vast te stellen of er sprake is van een collectieve eenheid — de economische banden of correlaties tussen de betrokken ondernemingen moeten worden onderzocht.25 Daartoe dient te worden nagegaan, of tussen de betrokken ondernemingen economische banden bestaan die hen in staat stellen gezamenlijk op te treden, onafhankelijk van hun concurrenten, hun afnemers en de consumenten. Het HvJ EG oordeelde dat de enkele omstandigheid dat twee of meer ondernemingen met elkaar verbonden zijn door een afspraak in de zin van artikel 81 lid 1 EG op zich geen voldoende grondslag voor die vaststelling vormt. Daarentegen kan de tenuitvoerlegging van een afspraak onbetwistbaar tot gevolg hebben dat de betrokken ondernemingen zich wat hun gedrag op een bepaalde markt betreft zodanig met elkaar hebben verbonden, dat zij op deze markt ten opzichte van hun concurrenten, hun handelspartners en de consumenten als een collectieve eenheid optreden. Volgens het HvJ EG kan een collectieve machtspositie dan ook blijken uit de aard en de bepalingen van een overeenkomst, uit de wijze van tenuitvoerlegging van die overeenkomst en uit de daaruit voortvloeiende (structurele) banden of correlaties tussen ondernemingen.26 Er hoeft volgens het HvJ EG echter geen sprake te zijn van een overeenkomst of van andere juridische banden om te kunnen vaststellen dat er een collectieve machtspositie bestaat. Die vaststelling kan volgens het HvJ EG ook gegrond zijn op andere banden en hangt af van een economische beoordeling, met name een beoordeling van de structuur van de betrokken markt.27