Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.3:7.3 De verhouding tussen het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten ten opzichte van de korte verjaringstermijnen
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/7.3
7.3 De verhouding tussen het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten ten opzichte van de korte verjaringstermijnen
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973562:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De korte verjaringstermijnen dringen het meer rechtsonzekere leerstuk van rechtsverwerking terug. Er zit dus een spanningsveld tussen de korte verjaringstermijnen enerzijds en het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten, wettelijke vormen van rechtsverwerking, anderzijds. Dat roept de vraag op wat de verhouding tussen deze rechtsfiguren is.
In dit boek wordt ten eerste geconcludeerd dat er geen sprake is van onwenselijke samenloop tussen het leerstuk rechtsverwerking en de korte verjaringstermijnen. Anders dan in literatuur is betoogd, kunnen de korte verjaringstermijnen niet als gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking worden beschouwd. Het cruciale verschil tussen beide leerstukken is dat rechtsverwerking als de sanctie op schending van een consistentieplicht moet worden gezien. De korte verjaringstermijnen ontberen een dergelijk plichtkarakter. De consistentieplicht die aan het leerstuk rechtsverwerking ten grondslag ligt kan actie van de schuldeiser verlangen op een specifiek moment. De wetgever heeft er bij de introductie van het nieuwe verjaringsrecht evenwel voor gekozen om vaste drie- of vijfjarige termijnen te hanteren. Het is onverschillig wanneer de schuldeiser binnen die termijn in actie komt.
Een analyse van de rechtspraak over rechtsverwerking onder het nieuwe verjaringsrecht laat bovendien zien dat zich, voor zover in de gepubliceerde rechtspraak is na te gaan, geen gevallen laten uitwijzen waarin de rechter alleen tijdsverloop voldoende acht voor het aannemen van rechtsverwerking binnen een geldende verjaringstermijn. Bovendien vormen de enkele gevallen waarin rechtsverwerking binnen een lopende verjaringstermijn überhaupt werd aangenomen uitzonderlijke situaties, waarbij de verjaringstermijn bijvoorbeeld door een reeks stuitingen fors werd opgerekt, zonder dat de schuldeiser verder enige concrete actie ondernam en als gevolg waarvan de schuldenaar ernstig nadeel heeft ondervonden. Rechtsverwerking biedt op die manier binnen een lopende korte verjaringstermijn slechts als noodventiel uitkomst in situaties waarin de schuldenaar door het verjaringsrecht onvoldoende wordt beschermd. Als het leerstuk rechtsverwerking in die zin terughoudend wordt gehanteerd, is geen sprake van onwenselijke samenloop.
Voorts wordt geconcludeerd dat de wettelijke klachtplichten potentieel de korte verjaringstermijnen de pas af kunnen snijden, maar dat dit in de praktijk niet vaak op problematische wijze lijkt te gebeuren. De mogelijkheid van onwenselijke samenloop laat zich in de eerste plaats verklaren door het feit dat bij de bepaling van het aanvangsmoment van de wettelijke klachtplicht meer ruimte bestaat voor het aannemen van een onderzoeksplicht. Dat verschil is logisch gelet op het Obliegenheit-karakter van de wettelijke klachtplichten. De daaraan ten grondslag liggende consistentieplicht kan meebrengen dat van de schuldeiser wordt verwacht dat hij de ontvangen prestatie op deugdelijkheid onderzoekt. Bij verjaring ontbreekt dit plichtkarakter, zodat in dat verband minder snel een onderzoeksplicht wordt aangenomen. De rechtspraak in feitelijke instanties waarin een beroep op de klachtplicht wordt gehonoreerd bestaat gedeeltelijk uit gevallen waarin een geobjectiveerd aanvangsmoment van de klachttermijn wordt bepaald. Dat is niet problematisch zolang niet te gemakkelijk een onderzoeksplicht wordt aangenomen en serieus wordt onderzocht wat voor nadeel de schuldenaar lijdt als gevolg van het betreffende tijdsverloop. Het beeld van de in dit boek onderzochte rechtspraak is dat in het merendeel van de gevallen de moeite wordt genomen om de nadeelvraag kritisch te onderzoeken.
Er is daarnaast rechtspraak waarin op basis van subjectieve wetenschap een aanvangsmoment van de klachtplicht wordt bepaald en dat beroep vervolgens wordt gehonoreerd op basis van betrekkelijk algemene overwegingen over het door de schuldenaar geleden nadeel in termen van achteruitgang van de bewijspositie. Dit soort algemene, niet concreet vastgestelde bewijsnadelen als gevolg van tijdsverloop zijn weinig onderscheidend ten opzichte van het verjaringsleerstuk. Een dergelijke vorm van samenloop van klachtplicht en korte verjaringstermijn is onwenselijk. Het betreft echter, voor zover op basis van gepubliceerde rechtspraak kan worden nagegaan, weinig gevallen.