Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.1.2
7.1.2 Vergelijking: de ruimere Franse rechtsstrijd
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298624:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 599.
Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 599-602 (nrs. 668-675); Boré & Boré 2008, p. 300 (nr. 64.111). Dit is een bestendige lijn in de jurisprudentie van de Cour de cassation: Cour de cassation 20 november 1984, Le Dalloz 1985, p. 265; Cour de cassation 11 oktober 1977, Le Dalloz 1978, p. 87; Cour de cassation 19 juni 1929, Gaz. Pal. 1929, p. 312; Cour de cassation 3 februari 1904, Le Dalloz 1905, p. 315.
Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 603 (nr. 676). Een ander voorbeeld waarin deze tendens duidelijk zichtbaar is, is de neiging van de Franse rechter om steeds vaker bewijs te verlangen van niet-betwiste stellingen.
Vgl. Cour de cassation 29 november 2001, zk.nr. 99-18559; Cour de cassation 11 mei 2000, zk.nr. 98-18581. Zie tevens: Boré & Boré 2008, p. 301 (nr. 64.120); Couchez 2004, p. 201-202. Deze eis geldt overigens in dezelfde mate voor de feiten die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen, maar ten aanzien van die feiten zal aan het beginsel van hoor en wederhoor wat sneller zijn voldaan.
Vgl. Guinchard, Ferrand & Chainais 2008, p. 604 (nr. 677). Ter illustratie: Cour de cassation 23 september 2004, JCP 2004, IV.3059.
232
In het Franse civiele proces leggen partijen ook gegevens aan hun vordering en verweer ten grondslag. Dit wordt aangeduid als de cause de la demande.1 Het is Franse rechter evenzeer toegestaan om deze gegevens, als zij afdoende zijn bewezen, voor zover daar bewijs van verlangd kan worden, te gebruiken voor zijn eindvonnis. Maar hij hoeft zich, in tegenstelling tot de Nederlandse rechter, niet te beperken tot hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. De Franse rechter mag namelijk alle zich in het dossier bevindende gegevens gebruiken voor zijn eindbeslissing.2 Dat past in de in Frankrijk zichtbare tendens om civiele geschillen steeds meer op basis van de materiële waarheid af te doen, in plaats van op de formele – door partijen aangevoerde – waarheid.3
Er is een belangrijke beperking op deze in artikel 7, lid 2 CPC neergelegde mogelijkheid. Het moet blijkens lid 1 van dat artikel gaan om faits qui (…) sont (…) dans le débat. Partijen moeten dus voldoende gelegenheid hebben gehad om het debat aan te gaan over de gegevens die de rechter voor zijn einduitspraak wil gebruiken.4 Dat betekent voor de rechter dat hij de zaak actief moet leiden. Immers, als hij pas vlak voor zijn einduitspraak bemerkt dat hij delen van het dossier wenst/moet gebruiken waarover partijen het debat niet hebben gevoerd, zal het vanuit het oogpunt van tijd en kosten van de procedure niet efficiënt zijn om partijen daarop te attenderen en hen alsnog in de gelegenheid te stellen om het debat hierover te voeren. Het ligt dan vermoedelijk meer voor de hand dat de rechter die delen niet gebruikt en de zaak afdoet op de formele waarheid zoals partijen deze naar voren hebben gebracht. Datzelfde geldt overigens als de rechter partijen wel tijdig attendeert op de delen uit het dossier die hij zou willen gebruiken voor zijn eindbeslissing, maar partijen het debat daarover niet willen voeren. Het is niet aan de rechter om die keuze voor partijen te maken, tenzij dat zou leiden tot rechtsgevolgen die niet ter vrije beschikking van partijen staan.5 Kortom, het beginsel van partijautonomie wordt ook bij de Franse benadering gewaarborgd.