Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.4.1.
3.4.1. Inleiding
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392005:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik besteed in dit hoofdstuk veel aandacht aan de beursovername, in het bijzonder het openbaar bod. Deze vorm van fusie komt in de praktijk niet heel veel voor, maar is vanuit medezeggenschapsrechtelijke oogpunt zeer interessant.
Richtlijn 2004/25/EG Van het Europees parlement en de raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod. De Dertiende Richtlijn is in het Nederlandse recht geïmplementeerd door middel van wetsvoorstel 30419 Kamerstukken II, 2005-2006, 30419, nr. 2. Voor meer over het openbaar bod verwijs ik naar: M.P. Nieuwe Weme (red), Handboek openbaar bod, Deventer: Kluwer 2008.
Naast de bedrijfsfusie en de juridische fusie kan een fusie of overname bewerkstelligd worden door een overname van de aandelen. Een vennootschap (of natuurlijke persoon) koopt alle (of in ieder geval een meerderheid) van de aandelen van een andere vennootschap en verkrijgt daarmee zeggenschap over deze vennootschap. Een aandelenfusie kan onderhands of op de beurs geschieden. Voor sommige BV’s en NV’s geldt dat overdracht van de aandelen beperkt is door een statutaire blokkeringsregeling. De aandelen van een NV zijn in beginsel vrij overdraagbaar. Wanneer de aandelen van de NV die wordt overgenomen aan de beurs genoteerd zijn, is er sprake van een beursovername. Voor een dergelijke overname gelden specifieke effectenrechtelijke regels. Een bijzondere vorm van de beursovername betreft het openbare bod.1 Een openbaar bod is een aanbod tot overname van de aandelen dat zich niet richt tot bepaalde rechtssubjecten maar tot een breder publiek. In 2004 hebben de Raad en het parlement van de Europese Unie een richtlijn vastgesteld op het terrein van openbare biedingen, hierna de Dertiende Richtlijn genoemd.2
Ten aanzien van de medezeggenschap van werknemers verschilt een aandelenfusie aanzienlijk van een bedrijfsfusie of juridische fusie. Bij de hierboven besproken bedrijfs- en juridische fusie staat de invloed van de werknemersvertegenwoordigers niet ter discussie. Bij een aandelenfusie is dat anders. Ondanks dat het belang van werknemers bij medezeggenschap bij een aandelenfusie net zo groot is als bij een juridische of bedrijfsfusie, doen zich verschillende problemen voor. Zo is bij een aandelenfusie in principe geen sprake van overdracht van zeggenschap over de onderneming, maar worden de aandelen in de rechtspersoon overgedragen. Bovendien wordt het besluit niet genomen door de ondernemer, maar door individuele aandeelhouders. Dit maakt de toepasselijkheid van het adviesrecht ex art. 25 WOR complex. Het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ komt onder druk te staan, nu de zeggenschap uitgeoefend wordt door individuele aandeelhouders en de medezeggenschap gekoppeld is aan de besluitvorming in de onderneming door het bestuur (in de zin van de WOR).
Bij een beursovername is bovendien sprake van spanning tussen het vroegtijdig raadplegen van de werknemers en van de wens zo laat mogelijk ruchtbaarheid te geven aan een overname in verband met concurrentie en koersgevoeligheid. Dit kan gevolgen hebben voor het tijdstip van advisering en/of informatie en raadpleging. Ook rijst de vraag of het raadplegen van werknemersvertegenwoordigers niet in strijd is met regelgeving omtrent (misbruik van) voorwetenschap. In de hierop volgende paragrafen ga ik in op deze problemen en geef ik een overzicht van de rol van werknemersvertegenwoordigers (vakbonden en or) bij een aandelenfusie. Ik besteed specifieke aandacht aan de beursovername via een openbaar bod omdat daarvoor bijzondere medezeggenschapsregels gelden. Ik ga achtereenvolgens in op de vraag of en wanneer er sprake is van overdracht van zeggenschap (paragraaf 3.4.2 tot 3.4.5), op de vraag of de or een adviesrecht heeft en zo ja op welk moment en door wie hij geraadpleegd moet worden (paragraaf 3.4.6), op de medezeggenschapsregeling in het Besluit openbare biedingen (paragraaf 3.4.8) en op het enquêterecht (paragraaf 3.4.9).