Einde inhoudsopgave
Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van richtlijn (EU) 2019/1937 en verordening (EU) 2023/2859
Artikel 3 Definities
Geldend
Geldend vanaf 18-03-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Inwerkingtreding
18-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘onderneming’:
- i)
een rechtspersoon met een van de rechtsvormen vermeld in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2013/34/EU;
- ii)
een rechtspersoon die is opgericht overeenkomstig het recht van een derde land en een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met de in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2013/34/EU genoemde rechtsvormen;
- iii)
een gereglementeerde financiële onderneming, ongeacht haar rechtsvorm, die:
- —
een kredietinstelling is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1);
- —
een beleggingsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (2);
- —
een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerder) is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2011/61/EU, met inbegrip van een beheerder van Europees durfkapitaalfondsen (EuVECA), als bedoeld in Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), een beheerder van Europese sociaalondernemerschapsfondsen (EuSEF), als bedoeld in Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4), en een beheerder van Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (Eltif), als bedoeld in Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad (5);
- —
een beheermaatschappij is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG;
- —
een verzekeringsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 13, punt 1, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (6);
- —
een herverzekeringsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 13, punt 4, van Richtlijn 2009/138/EG;
- —
een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening is die onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/2341 valt overeenkomstig artikel 2 daarvan, tenzij de lidstaat er overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn voor heeft gekozen om die richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op die instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
- —
een centrale tegenpartij is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7);
- —
een centrale effectenbewaarinstelling is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8);
- —
een special purpose vehicle voor een verzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming is waaraan overeenkomstig artikel 211 van Richtlijn 2009/138/EG vergunning is verleend;
- —
een entiteit voor securitisatiedoeleinden is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad (9);
- —
een financiële holding is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 20 van Verordening (EU) nr. 575/2013, een verzekeringsholding is zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt f), van Richtlijn 2009/138/EG of een gemengde financiële holding zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt h), van Richtlijn 2009/138/EG, die deel uitmaakt van een verzekeringsgroep die onderworpen is aan toezicht op het niveau van de groep op grond van artikel 213 van die richtlijn en die niet is vrijgesteld van groepstoezicht op grond van artikel 214, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG;
- —
een betalingsinstelling is, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt d), van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (10);
- —
een instelling voor elektronisch geld is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad (11);
- —
een crowdfundingdienstverlener is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad (12);
- —
- b)
‘negatief milieueffect’: negatief effect voor het milieu dat voortvloeit uit de schending van de in deel I, afdeling 1, punten 15 en 16, en deel II van de bijlage bij deze richtlijn vermelde verbodsbepalingen en verplichtingen, met inachtneming van de nationale wetgeving met betrekking tot de bepalingen van de daarin genoemde instrumenten;
- c)
‘negatief effect op de mensenrechten’: effect op personen als gevolg van:
- i)
- ii)
een schending van een niet in deel I, afdeling 1, van de bijlage bij deze richtlijn vermeld mensenrecht, dat evenwel is opgenomen in de lijst van mensenrechteninstrumenten in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn, op voorwaarde dat:
- —
het mensenrecht kan worden geschonden door een onderneming of juridische entiteit;
- —
de mensenrechtenschending rechtstreeks afbreuk doet aan een wettelijk belang dat wordt beschermd door de in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechteninstrumenten, en
- —
de onderneming redelijkerwijs het risico had kunnen voorzien dat dit mensenrecht zou kunnen worden geschonden, rekening houdend met de omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en de activiteitenketen van de onderneming, de kenmerken van de economische sector en de geografische en operationele context;
- d)
‘negatief effect’: een negatief milieueffect of negatief effect op de mensenrechten;
- e)
‘dochteronderneming’: een rechtspersoon zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Richtlijn 2013/34/EU, en een rechtspersoon via welke de activiteit van een ‘gecontroleerde onderneming’ zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt f), van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) wordt uitgeoefend;
- f)
‘zakenpartner’: een entiteit:
- i)
waarmee de onderneming een commerciële overeenkomst heeft met betrekking tot de activiteiten, producten of diensten van de onderneming of waaraan de onderneming diensten verleent op grond van punt g) (‘directe zakenpartner’), of
- ii)
die geen directe zakenpartner is, maar wel zakelijke activiteiten verricht met betrekking tot de activiteiten, producten of diensten van de onderneming (‘indirecte zakenpartner’);
- g)
‘activiteitenketen’:
- i)
activiteiten van de upstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de productie van goederen of de verrichting van diensten door die onderneming, met inbegrip van het ontwerp, de winning, het betrekken, de vervaardiging, het vervoer, de opslag en de levering van grondstoffen, producten of onderdelen van producten en de ontwikkeling van het product of de dienst, en
- ii)
activiteiten van de downstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de distributie, het vervoer en de opslag van een product van die onderneming, indien de zakenpartners deze activiteiten voor of namens de onderneming uitvoeren, en met uitzondering van de distributie, het vervoer en de opslag van een product dat onderworpen is aan controles op de uitvoer op grond van Verordening (EU) 2021/821 of aan de controles op de uitvoer met betrekking tot wapens, munitie of oorlogsmaterialen, zodra de uitvoer van het product is toegestaan;
- h)
‘verificatie door een onafhankelijke derde partij’: verificatie van de naleving door een onderneming, of delen van haar activiteitenketen, van de mensenrechten- en milieuvoorschriften die voortvloeien uit deze richtlijn, door een deskundige die objectief is, volledig van de onderneming onafhankelijk is, die vrij is van belangenconflicten en van beïnvloeding van buitenaf, die naargelang de aard van het negatieve effect over ervaring en deskundigheid beschikt op het gebied van milieu- of mensenrechtenkwesties, en die verantwoordelijk is voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verificatie;
- i)
- j)
‘initiatief van de sector of van meerdere belanghebbenden’: een combinatie van vrijwillige procedures, instrumenten en mechanismen inzake passende zorgvuldigheid, ontwikkeld en gecontroleerd door regeringen, brancheorganisaties, belanghebbende organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, of groeperingen of combinaties daarvan, waaraan ondernemingen kunnen deelnemen om de uitvoering van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen;
- k)
‘gemachtigde vertegenwoordiger’: een in de Unie wonende of gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door een onderneming in de zin van punt a), ii), gemachtigd is om namens die onderneming op te treden in verband met de naleving van de verplichtingen van die onderneming waarin deze richtlijn voorziet;
- l)
‘ernstig negatief effect’: negatief effect dat door zijn aard, gradatie, reikwijdte of onomkeerbaarheid bijzonder significant is, bijvoorbeeld een effect dat het leven, de gezondheid of de vrijheid van de mens schaadt, rekening houdend met de ernst ervan, waaronder het aantal personen dat wordt of kan worden getroffen, de mate waarin het milieu wordt of kan worden beschadigd of anderszins getroffen, de onomkeerbaarheid ervan en de beperkingen van het vermogen om de situatie van de getroffen personen of het getroffen milieu binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen tot een situatie die gelijkwaardig is aan de situatie van vóór het effect;
- m)
‘netto-omzet’:
- i)
de ‘netto-omzet’ zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2013/34/EU, of
- ii)
indien de onderneming internationale standaarden voor jaarrekeningen toepast die zijn vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (15) of een onderneming is in de zin van punt a), ii), de omzet zoals gedefinieerd door of in de zin van het stelsel voor financiële verslaglegging op basis waarvan de jaarrekeningen van de onderneming zijn opgesteld;
- n)
‘belanghebbenden’: de werknemers van de onderneming, de werknemers van haar dochterondernemingen en van haar zakenpartners, en hun vakbonden en werknemersvertegenwoordigers, en personen of gemeenschappen wier rechten of belangen rechtstreeks worden of kunnen worden beïnvloed door de producten, diensten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakenpartners, en de wettelijke vertegenwoordigers van die personen of gemeenschappen;
- o)
‘passende maatregelen’: maatregelen waarmee de doelstellingen van passende zorgvuldigheid kunnen worden bereikt door negatieve effecten daadwerkelijk aan te pakken op een wijze die in verhouding staat tot de ernst en de waarschijnlijkheid van het negatieve effect en waarover de onderneming redelijkerwijs kan beschikken, rekening houdend met de omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van het negatieve effect en de risicofactoren ter zake;
- p)
‘zakelijke relatie’: de relatie van een onderneming met een zakenpartner;
- q)
‘moederonderneming’: een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;
- r)
‘uiteindelijke moederonderneming’: een moederonderneming die direct of indirect overeenkomstig de criteria van artikel 22, leden 1 tot en met 5, van Richtlijn 2013/34/EU zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen en niet onder zeggenschap staat van een andere onderneming;
- s)
‘groep ondernemingen’ of ‘groep’: een moederonderneming en al haar dochterondernemingen;
- t)
‘herstel’: herstel van de getroffen persoon of personen, gemeenschappen of het milieu naar een situatie die gelijkwaardig is aan of zo dicht mogelijk aansluit bij de situatie waarin zij zich zouden hebben bevonden indien een feitelijke negatieve effect zich niet had voorgedaan, in verhouding tot de betrokkenheid van de onderneming bij het negatieve effect, onder meer middels financiële of niet-financiële compensatie door de onderneming aan een of meer personen die door het feitelijke negatieve effect worden getroffen en, in voorkomend geval, terugbetaling van de door overheidsinstanties voor alle noodzakelijke herstelmaatregelen gemaakte kosten;
- u)
‘risicofactoren’: feiten, situaties of omstandigheden die verband houden met de ernst en waarschijnlijkheid van een negatief effect, met inbegrip van feiten, situaties of omstandigheden op het niveau van de zakenpartner, zoals de vraag of de zakenpartner geen onderneming is die onder deze richtlijn of andere vergelijkbare rechtshandelingen inzake verplichte passende zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid valt; op geografisch en contextniveau, zoals het niveau van rechtshandhaving met betrekking tot het soort negatieve effect, en op het niveau van sectoren, bedrijfsactiviteiten en producten en diensten;
- v)
‘ernst van een negatief effect’: de gradatie, reikwijdte of onomkeerbaarheid van het negatieve effect, rekening houdend met de ernst van het negatieve effect, zoals het aantal personen dat wordt of kan worden getroffen of de mate waarin het milieu schade ondervindt of schade kan ondervinden, of anderszins kan worden getroffen, de onomkeerbaarheid ervan en beperkingen op het vermogen om de situatie van de getroffen personen of het getroffen milieu te herstellen tot een situatie die gelijkwaardig is aan de situatie vóór het effect.
2.
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de bijlage bij deze richtlijn te wijzigen door:
- a)
verwijzingen toe te voegen naar bepalingen van internationale instrumenten die door alle lidstaten zijn geratificeerd en die vallen onder een specifiek recht, een specifiek verbod of een specifieke verplichting met betrekking tot de bescherming van de in de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechten, fundamentele vrijheden en het milieu;
- b)
de verwijzingen naar in de bijlage bij deze richtlijn bedoelde internationale instrumenten te wijzigen, waar passend, in het licht van de wijziging, vervanging of intrekking van dergelijke instrumenten;
- c)
in overeenstemming met de ontwikkelingen in de betrokken internationale fora over tot de in deel 1, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn genoemde instrumenten:
- i)
de verwijzingen naar de genoemde instrumenten vervangen door verwijzingen naar nieuwe instrumenten die hetzelfde onderwerp bestrijken en door alle lidstaten zijn geratificeerd, of
- ii)
verwijzingen naar nieuwe instrumenten die hetzelfde onderwerp bestrijken, toevoegen, als de genoemde instrumenten door alle lidstaten zijn geratificeerd.
Voetnoten
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).
Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98).
Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).
Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).
Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (PB L 347 van 20.10.2020, blz. 1).
Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40).
Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).
Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).