De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.2.3:5.4.2.3 De toegelaten dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.2.3
5.4.2.3 De toegelaten dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS393591:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 9 februari 1984, nr. 64/83 (Bureau central francais/Fonds de garantie automobile e.a.), Jur. 1984, p. 689 en HvJ EG 21 juni 1984, nr. 116/83 (Fantozzi), Jur. 1984, 2481.
Zie voor het vraagstuk van de inhoud van het begrip 'gewoonlijk gestald' vóór de 5e Richtlijn, par. 4.5.42. Daar worden ook het Gambetta- en het BCF-arrest (voor zover dat laatste op dit aspect betrekking heeft) besproken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de jurisprudentie van het HvJ van de EU is slechts een zeer beperkt aantal dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen toegestaan. Dat geldt zowel voor wettelijke als voor polisbepalingen terzake. Ook het Bureau is daaraan gebonden. Het biedt immers de dekking die ook een verzekeraar in zijn land moet bieden.
Wat geldt echter ten aanzien van de toegelaten beperkingen en uitsluitingen? De vraag is gerezen in het kader van de diefstaluitsluiting, waarover het Hof zich heeft uitgesproken in een tweetal arresten, namelijk het BCF-arrest en het Fantozziarrest.1 Het tweede arrest is als aanvulling gehecht aan het eerste en beide moeten dan ook in onderling verband worden gelezen.
In beide arresten lag een ongeval ten grondslag, veroorzaakt door een gestolen auto die - naar de maatstaven van het Gambetta-arrest en nog eens bevestigd in het BCF-arrest - gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat.2
In het BCF-geval ging het om een ongeval in Frankrijk veroorzaakt door een gestolen Duitse auto. In Frankrijk stond het de verzekeraar in die tijd vrij om dekking te weigeren als de auto bestuurd werd door een niet gemachtigde bestuurder en dus ook in geval van diefstal. In de Fantozzi-zaak betreft het een ongeval in België dat door een gestolen Franse auto is veroorzaakt. In beide arresten staat de vraag centraal naar de uitleg van de woorden in thans art. 2, onder a) van de Richtlijn (overeenkomend met art. 2 lid 2, eerste streepje van de le Richtlijn), dat de grenscontrole wordt afgeschaft nadat de Bureaus een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij de afwikkeling waarborgen van ongevallen die zijn veroorzaakt door gewoonlijk in andere lidstaten gestalde, al dan niet verzekerde, motorrijtuigen 'overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering'. Houdt deze formulering in dat het Bureau van het land van het ongeval zich kan (en moet) beroepen op toegelaten dekkingsbeperkingen en -uitsluitingen, of dat deze buiten beschouwing moeten worden gelaten? Zie rechtsoverweging 15 van het BCF-arrest:
"Met het eerste onderdeel van zijn vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of de waarborg die ieder nationaal bureau moet geven, betrekking heeft op de afwikkeling van ongevallen die op zijn grondgebied zijn veroorzaakt door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van een andere lid-Staat, op basis van de bepalingen inzake de verplichte verzekering die gelden in de staat waar het bureau werkzaam is, of op een andere grondslag, zonder rekening te houden met de door de wetgeving van die staat voorziene uitsluitingen van de verzekering."
Het Hof beslist in de laatste zin. Zie het dictum onder 1 van het BCF-arrest:
"1. De woorden "overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering" in art. 2, lid 2, van richtlijn nr. 72/166 van de Raad van 24 april 1972 (PB 1972, L 103, blz. 1) moeten worden gelezen als te verwijzen naar de grenzen en voorwaarden van de wettelijke aansprakelijkheid, welke voor de verplichte verzekering gelden, met dien verstande dat de bestuurder van het voertuig op het tijdstip van het ongeval wordt geacht te zijn gedekt door een geldige verzekering overeenkomstig die wetgeving."
In het Fantozzi-arrest, dat zoals hiervoor reeds is opgemerkt door het Hof als een aanvulling op het BCF-arrest wordt beschouwd (zie rechtsoverweging 15), verklaart het Hof voor recht dat
"artikel 2, lid 2, van richtlijn nr. 72/166 (...) aldus (moet) worden uitgelegd, dat claims tot vergoeding van schade die op het grondgebied van een Lid-Staat van de EEG is veroorzaakt door een voertuig dat gewoonlijk op het grondgebied van een andere Lid-Staat van de EEG is gestald en waarvan de bestuurder zich door diefstal of geweld meester had gemaakt, door de nationale bureaus van verzekeraars moet worden afgewikkeld binnen de grenzen van hun eigen nationale wetgeving."
De verwijzing naar de grenzen en de voorwaarden van de eigen nationale wetgeving zien, naar het Hof in r.o. 29 van het BCF-arrest vaststelt, (slechts) op "de grenzen en de voorwaarden van de wettelijke aansprakelijkheid, welke voor de verplichte verzekering gelden" en dus (kennelijk) niet op de dekkingsgrenzen en -voorwaarden.
Bedacht moet worden dat ten tijde van deze arresten de 2e Richtlijn, die een aparte regeling voor gestolen of door geweld verkregen voertuigen introduceert, nog niet in werking was getreden. Het Hof heeft op die 2e Richtlijn kennelijk ook niet vooruit willen lopen, wellicht met in het achterhoofd een opmerking van de Europese Commissie in haar commentaar aan het Hof voorafgaande aan het BCFarrest, dat de bepalingen van het voorstel voor de 2e Richtlijn een zodanig belang hebben (voor de praktijk) dat uitleg van de bepaling van art. 2 lid 2 van de le Richtlijn 'praeter legem' niet mogelijk is.
Voor de behandeling van schaden door gestolen of door geweld verkregen voertuigen zijn de arresten niet meer van belang. Inmiddels kunnen de lidstaten het verzekeraars sinds de 2e Richtlijn toestaan het diefstalrisico van de dekking uit te sluiten, mits het waarborgfonds voor de schade aansprakelijk kan worden gesteld. Is het ongeval in zo'n situatie veroorzaakt door een gestolen, gewoonlijk in een andere lidstaat gestald voertuig, dan kan het waarborgfonds in het land van het ongeval zich niet verhalen op enig orgaan in de lidstaat van herkomst van het voertuig."'
In een ander opzicht kan aan het BCF-arrest nog wel interessante informatie worden ontleend in het kader van de uitleg van art. 2 van de 2e Richtlijn, thans art. 13 van de Richtlijn. Uit opmerkingen van de Europese Commissie blijkt dat betwijfeld kan worden of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de Richtlijn een limitatieve opsomming van het aantal aan derden tegen te werpen uitsluitingen in het leven heeft geroepen. De Commissie gaat in haar opmerkingen aan het Hof voorafgaande aan het arrest in op de totstandkoming van de 2e Richtlijn en merkt op dat:
"wanneer deze bepaling (die het tegenwerpen van een diefstaluitsluiting toestaat, FJB) is aangenomen, de verzekeraar niet meer met een beroep op een uitsluitingsclausule betreffende een dezer feiten (curs. FJB), het slachtoffer betaling (kan) weigeren. Verder heeft de Commissie het noodzakelijk geacht om het beginsel van gelijkstelling met een geval van niet-verzekering te handhaven voor de resterende gevallen waarin de verzekeraar betaling aan het slachtoffer kan weigeren: het geval van nietigheid wegens valse verklaring of het geval van een opzettelijk veroorzaakt ongeval in Frankrijk."
De gecursiveerde woorden lijken toch de mogelijkheid van het tegenwerpen van andere beperkingen en uitsluitingen open te laten. Bovendien staat de Commissie, zoals reeds opgemerkt in paragraaf 5.2.8.1, het standpunt voor dat het - in de Nederlandse terminologie - niet nakomen van de mededelingsplicht (hetgeen in Frankrijk tot nietigheid van de polis leidt) en het opzettelijk veroorzaken van een ongeval (in welk geval wordt geredeneerd dat de verzekerde beoogd heeft de overeenkomst te beëindigen en wel ex tunc) er ook toe leiden dat het voertuig niet verzekerd is. Zie ik goed, dan brengen de hier besproken arresten mee, dat het Bureau zich niet op deze omstandigheden kan beroepen. Op grond van de uitleg van (thans) art. 2 onder a) van de Richtlijn heeft het Bureau er immers vanuit te gaan dat het voertuig verzekerd is. Met andere woorden: het Bureau kan zich niet beroepen op in zijn land toegelaten polisuitsluitingen en -beperkingen als deze meebrengen dat een voertuig geacht wordt niet verzekerd te zijn, met uitzondering van de diefstaluitsluiting waarvoor een afzonderlijke regeling geldt. Gewoonlijk in andere lidstaten gestalde voertuigen worden immers geacht verzekerd te zijn.