Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.3
3.3 Analyse van de aan het geldende recht ten grondslag liggende beginselen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931066:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 13.
Ik spreek hier van ‘benadeelde’, waarmee ik tevens doel op de werknemer die aan (de implementatiewetgeving ter zake van) Richtlijn 2001/23/EG of Richtlijn 2014/67/EU rechten ontleent jegens meerdere hoofdelijk aansprakelijke partijen.
Vgl. bijvoorbeeld Richtlijn 2014/104/EU, considerans, nr. 37: “Wanneer meerdere ondernemingen samen inbreuk maken op de mededingingsregels (zoals bij een kartel) is het wenselijk dat deze inbreukplegers hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de volledige door de inbreuk veroorzaakte schade.”; Verordening (EU) 2016/679 (AVG), considerans, nr. 146: “Wanneer verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers betrokken zijn bij dezelfde verwerking, dienen zij elk voor de volledige schade aansprakelijk te worden gehouden.”; en HvJEU 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22, m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), r.o. 41-44.
Zie par. 3.2.1 en par. 3.2.2.
Zie par. 3.2.3, par. 3.2.4 en par. 3.2.5.
Zie bijvoorbeeld Richtlijn 85/374/EEG, considerans, waar wordt overwogen “dat, wanneer verscheidene personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, de bescherming van de consument vereist dat de gelaedeerde zich op ongeacht wie van hen voor de volle omvang van de schade kan verhalen” en “dat de bescherming van de consument vereist dat de aansprakelijkheid van de producent niet wordt aangetast door toedoen van anderen die ertoe hebben bijgedragen dat de schade werd veroorzaakt”; Richtlijn 2001/23/EG, considerans, nr. 3: “Voorzieningen zijn nodig om de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen.”
Zie voor een bredere analyse van het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking in het voor horizontale rechtsverhoudingen relevante Unierecht Van de Moosdijk 2018/165-188.
Zie hiervoor, nr. 1.
Zie hiervoor, nr. 1.
Zie par. 3.2.
Art. 6:7 lid 2 BW: “Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt, wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij anders bepaalt.”; art. 5.161 lid 2 Belgisch Burgerlijk Wetboek: “De betaling door een van de schuldenaars gedaan, bevrijdt alle anderen van de schuld jegens de schuldeiser, in de mate van de betaling.”; art. 1311 lid 1, tweede volzin Cc: “Le paiement fait à l’un d’eux, qui en doit compte aux autres, libère le débiteur à l’égard de tous.”; § 422 lid 1 BGB: “Die Erfüllung durch einen Gesamtschuldner wirkt auch für die übrigen Schuldner. Das Gleiche gilt von der Leistung an Erfüllungs statt, der Hinterlegung und der Aufrechnung.”; art. 1292 Codice Civile: “L’obbligazione è in solido quando più debitori sono obbligati tutti per la medesima prestazione, in modo che ciascuno può essere costretto all’adempimento per la totalità e l’adempimento da parte di uno libera gli altri (…).”; en art. 1145 lid 1 Código Civil: “El pago hecho por uno de los deudores solidarios extingue la obligación.”
Zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 5 en 6 en considerans, nr. 37, en Verordening (EU) 2016/679 (AVG), art. 82 lid 5 en considerans, nr. 146. Vgl. voorts Richtlijn 85/374/EEG, art. 5.
Par. 3.2.4.3.4.
Zie voor een bredere analyse van het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking in het voor horizontale rechtsverhoudingen relevante Unierecht Van de Moosdijk 2018/165-188.
Zie in deze zin voor het Nederlandse recht Knap 1925, p. 45; De Kok 1965, p. 106; Van Boom 1999, p. 96-96; en Van Boom 2016a, p. 99-101. Zie Meier 2010, p. 271 e.v. voor rechtshistorische beschouwingen, en p. 370 e.v., p. 424 e.v., p. 604 e.v. en p. 901 e.v. voor een bespreking van het Duitse recht. In het Engelse recht worden verhaalsrechten rechtstreeks gegrond op het leerstuk van unjust enrichment (voor zover de Civil Liability (Contribution) Act 1978 of andere wetgeving niet in een verhaalsrecht voorziet), zie Burrows 2011, p. 144 e.v.; Mitchell 2003/3.13; Virgo 2015, p. 636-641; en Goff & Jones/Mitchell, Mitchell & Watterson 2016, hoofdstuk 19 en 20. Zie voor enkele rechtsvergelijkende beschouwingen Friedmann & Cohen 2007b (orig. 1989)/9 en Meier 2018, p. 1577 e.v.
Zie art. 6:10 lid 2 BW: “De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.” en art. 6:12 lid 1 BW: “Wordt de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding tot die schuldenaar.”; art. 5.164 lid 2, eerste volzin Belgisch Burgerlijk Wetboek: “De hoofdelijke schuldenaar die meer dan zijn aandeel betaalde aan de schuldeiser, heeft een verhaalsrecht tegen de medeschuldenaars naar evenredigheid tot ieders aandeel.”; art. 1317 lid 2 Cc: “Celui qui a payé au-delà de sa part dispose d’un recours contre les autres à proportion de leur propre part.”; § 426 lid 1 BGB: “Die Gesamtschuldner sind im Verhältnis zueinander zu gleichen Anteilen verpflichtet, soweit nicht ein anderes bestimmt ist. (…)” en lid 2: “Soweit ein Gesamtschuldner den Gläubiger befriedigt und von den übrigen Schuldnern Ausgleichung verlangen kann, geht die Forderung des Gläubigers gegen die übrigen Schuldner auf ihn über. (…).”; art. 1299 lid 1 Codice civile: “Il debitore in solido che ha pagato l‘intero debito può ripetere dai condebitori soltanto la parte di ciascuno di essi.”; en art. 1145 lid 2 Código Civil: “El que hizo el pago sólo puede reclamar de sus codeudores la parte que a cada uno corresponda, con los intereses del anticipo.” Vgl. voorts art. 1 (1) Civil Liability (Contribution) Act 1978: “Subject to the following provisions of this section, any person liable in respect of any damage suffered by another person may recover contribution from any other person liable in respect of the same damage (whether jointly with him or otherwise).”
Zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 11 lid 5 en 6 en considerans, nr. 37, en Verordening (EU) 2016/679 (AVG), art. 82 lid 5 en considerans, nr. 146.
Zie par. 3.2.1 en par. 3.2.2.
Richtlijn 85/374/EEG, art. 5.
Zie par. 3.2.2.
Zie hiervoor, nr. 83.
Indien een hoofdelijk schuldenaar een verhaalsrecht verkrijgt, zal hij mogelijk eerder bereid zijn over te gaan tot betaling aan de benadeelde. In die zin kan een verhaalsrecht ook bijdragen aan de bescherming van de benadeelde.
Zie hiervoor, nr. 80.
Par. 3.2.5.3.
Zie hiervoor, nr. 80.
Zie par. 3.2.4.3.2 resp. par. 3.2.5.2.
Zie par. 3.2.4.3.3 resp. par. 3.2.5.3.
Zie par. 3.2.4.3.4.
Zie hiervoor, nr. 80.
82. Algemeen. De hiervoor besproken verschijningsvormen van hoofdelijke aansprakelijkheid in het Unierecht verschillen in die zin sterk van elkaar, dat zij op verschillende (deel)terreinen spelen. Omdat een algemene Unierechtelijke regeling van het verbintenissenrecht ontbreekt, is niet aanstonds duidelijk hoe deze verschillende verschijningsvormen zich tot elkaar verhouden. Met name rijst de vraag of aan de besproken hoofdelijkheidsregels gemeenschappelijke beginselen ten grondslag liggen.1
Mijns inziens is dat het geval, en kunnen de besproken Unierechtelijke regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid grotendeels worden verklaard aan de hand van drie beginselen. Ten eerste is dat het beginsel dat de benadeelde2 te zijner bescherming kan kiezen welke schuldenaar of schuldenaren hij tot betaling aanspreekt (nr. 83), ten tweede is dat het beginsel dat tegelijkertijd moet worden voorkomen dat de benadeelde ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van de hoofdelijk schuldenaren (nr. 84) en ten derde is dat het beginsel dat eveneens moet worden voorkomen dat een aansprakelijke partij ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten opzichte van zijn medeschuldenaren (nr. 85).
83. Eerste beginsel: bescherming van de benadeelde of andere schuldeiser. Hoewel zowel de Uniewetgever als de Unierechter zich doorgaans van weinig woorden bedient als het gaat om het doel van hoofdelijke aansprakelijkheid,3 meen ik dat aan de hoofdelijke aansprakelijkheden die ik in dit hoofdstuk heb besproken met name de gedachte ten grondslag ligt dat de benadeelde bij meerdere aansprakelijke partijen terecht kan voor de voldoening van de schuld aan hem. Soms gaat het daarbij om het creëren van een ‘extra loket’, zoals in geval van de regels inzake handelen namens een vennootschap in oprichting, die inzake fusie en splitsing, die inzake garantstelling in het kader van het jaarrekeningenrecht en de besproken regelingen inzake bescherming van werknemers bij overgang van onderneming en bij grensoverschrijdende detachering.4 Er bestaat dan geen onzekerheid over het al dan niet bestaan van een aanspraak van de benadeelde, maar de aanspraak jegens de ‘primaire’ schuldenaar wordt dan onvoldoende geacht ter bescherming van de verhaalspositie van de benadeelde. Om die reden kent het Unierecht de benadeelde dan ook een aanspraak toe jegens een of meer anderen. In de besproken regelingen op het gebied van productaansprakelijkheid, schadevergoeding wegens schending van mededingingsrecht en schadevergoeding wegens schending van gegevensbeschermingsrecht, gaat het mijns inziens eveneens om bescherming van de benadeelde, zij het tegen de onzekerheid doordat meerdere partijen jegens de benadeelde een normschending hebben begaan.5 In enkele gevallen blijkt uit de considerans ook expliciet dat de Uniewetgever een dergelijke bescherming voor ogen heeft gehad.6 Hoofdelijke aansprakelijkheid is daar dus in feite een oplossing voor (mogelijke) causaliteitsonzekerheid. Het Unierecht kiest in de besproken gevallen van meervoudige of alternatieve veroorzaking dan niet voor een (externe) deelaansprakelijkheid, waarbij ieder van de aansprakelijke partijen aan de benadeelde slechts een deel van de schade hoeft te vergoeden, maar voor samenlopende aansprakelijkheid voor de gehele schade (voor zover die door alle aansprakelijke partijen is veroorzaakt, uiteraard).
In al deze gevallen zorgt hoofdelijke aansprakelijkheid ervoor dat het risico dat een van de aansprakelijke partijen geen verhaal biedt, niet wordt afgewenteld op de benadeelde, maar op de aansprakelijke partijen. Indien één van hen geen verhaal biedt, kan de benadeelde zich immers in beginsel onverkort verhalen op de andere hoofdelijk aansprakelijke partij(en). Het feit dat een hoofdelijk medeschuldenaar geen verhaal biedt, bijvoorbeeld doordat hij insolvent is, doet niet af aan de aansprakelijkheid van een andere hoofdelijk schuldenaar, maar belet mogelijk wel dat hij zijn verhaalsrecht jegens die medeschuldenaar kan effectueren.
84. Tweede beginsel: voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de benadeelde. De bescherming van de benadeelde door samenlopende aanspraken jegens verschillende aansprakelijke partijen zou er zónder nadere regeling toe kunnen leiden dat de benadeelde van iedere partij het verschuldigde verkrijgt. Dat is het geval indien men de samenlopende aanspraken laat cumuleren, in die zin dat een door de ene schuldenaar verrichte prestatie niet in mindering komt op de prestatie die door de andere schuldenaar of schuldenaren dient te worden verricht. De benadeelde die te zijner bescherming tegen het verhaalsrisico cumulerende aanspraken zou verkrijgen, dus zónder dat betaling door de een ook de ander(en) bevrijdt, zou worden verrijkt ten koste van (het collectief van) de aansprakelijke partijen, die gezamenlijk dan immers meer zouden moeten presteren dan zij gezamenlijk verschuldigd zijn.7
Om een dergelijke verrijking te voorkómen, is een van de wezenskenmerken van hoofdelijke aansprakelijkheid dat het delgen van de hoofdelijke schuld ten laste van de ene hoofdelijk schuldenaar ook bevrijdend werkt voor de andere hoofdelijk schuldenaren.8 De benadeelde heeft bij hoofdelijke aansprakelijkheid weliswaar jegens iedere schuldenaar recht op de hoofdelijk verschuldigde prestatie, maar heeft daarop in totaal slechts eenmaal recht. Hij heeft, met andere woorden, cumulerende aanspraken jegens de aansprakelijke partijen, maar die hebben maar één gezamenlijke schuld. Dit komt tot uitdrukking in de bevrijdende werking van nakoming. Is geen sprake van bevrijdende werking, dan is mijns inziens simpelweg geen sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.9
De bevrijdende werking wordt in de door mij besproken Unierechtelijke regelingen niet expliciet geregeld,10 terwijl dit in het nationale recht van de lidstaten doorgaans wél expliciet wordt geregeld.11 Mijns inziens is de verklaring daarvoor dat de Uniewetgever het vanzelfsprekend acht dat in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid de prestatie door de ene schuldenaar ook de andere(n) bevrijdt. Zou dit anders zijn, dan zou niet kunnen worden verklaard waarom het Unierecht de hoofdelijk schuldenaar die presteert in sommige gevallen een verhaalsrecht toekent jegens diegenen die met hem hoofdelijk verbonden zijn of waren.12 Naar ik meen ligt aan de door mij besproken wettelijke regelingen dan ook tevens het beginsel ten grondslag dat het verrichten van de hoofdelijk verschuldigde prestatie alle hoofdelijk schuldenaren bevrijdt, ter voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de benadeelde.
Het niet regelen van de rechtsfeiten waaraan bevrijdende werking toekomt, roept wel de vraag op of hoofdelijk schuldenaren zich ook op andere wijze kunnen bevrijden, zoals door middel van verrekening of inbetalinggeving. Aangezien die kwestie – vanwege het niet-regelen daarvan op Unierechtelijke niveau – is overgelaten aan de procedurele autonomie van de lidstaten, laat ik haar hier buiten beschouwing.
Het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking van de schuldeiser moet worden voorkomen, is mijns inziens ook zichtbaar in de schikkingsregeling uit Richtlijn 2014/104/EU.13 Een schikking tussen een schuldeiser en een individuele hoofdelijk schuldenaar heeft immers niet alleen tot gevolg dat de schikkende schuldenaar wordt bevrijd (art. 19 lid 2), maar ook dat de andere hoofdelijk schuldenaren worden bevrijd voor zover het gaat om het aandeel van de schikkende schuldenaar (art. 19 lid 1).
85. Derde beginsel: voorkoming van ongerechtvaardigde verrijking van de niet-presterende aansprakelijke partij(en). Met de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de benadeelde en de bevrijdende werking van de prestatie door een aansprakelijke partij, ontbreekt nog één puzzelstuk, namelijk de verhaalsrechten tussen hoofdelijk schuldenaren. Zou een regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid niet voorzien in dergelijke verhaalsrechten, dan zou het financiële nadeel van het verrichten van de hoofdelijk verschuldigde prestatie volledig voor rekening komen van de schuldenaar die presteerde. Dat is doorgaans geen billijke uitkomst, en vormt bovendien een prikkel voor een hoofdelijk schuldenaar om de hoofdelijke schuld maar niet te voldoen. Als niet hij, maar een andere schuldenaar presteert, zou de financiële last dan immers voor rekening van die andere schuldenaar komen. Bovendien zou het ontbreken van een verhaalsrecht in een systeem waarin het verrichten van de prestatie ook de andere hoofdelijk schuldenaren bevrijdt, ertoe leiden dat die andere schuldenaren zouden worden verrijkt ten koste van de schuldenaar die presteerde.14 Vóór de prestatie door de ander bevond zich in het vermogen van een niet-presterende hoofdelijk schuldenaar immers een schuld, die als gevolg van de bevrijdende werking vervolgens tenietgaat, zonder dat hij daarvoor iets heeft hoeven te doen. Om een dergelijke vermogensverschuiving te voorkómen,15 voorzien veel regelingen van hoofdelijke aansprakelijkheid in een verhaalsrecht tussen hoofdelijk medeschuldenaren.16
In de door mij besproken Unierechtelijke regelingen is dat niet altijd het geval. Waar een verhaalsrecht wel is geregeld in Richtlijn 2014/104/EU en de AVG,17 voorzien met name de wat oudere regelingen niet in een dergelijk verhaalsrecht,18 of laten zij – in het geval van Richtlijn 1985/374/EEG – deze kwestie expliciet over aan het nationale recht.19 Er bestaat mijns inziens niet één sluitende verklaring voor het ontbreken van een verhaalsrecht in de meeste van de door mij besproken regelingen. In een enkel geval kan het ontbreken van een verhaalsrecht mogelijk worden verklaard door het optionele karakter van het hoofdelijkheidsregime.20 Een algemene verklaring zou kunnen zijn dat de hoofdelijkheidsregels strekken tot bescherming van de benadeelde,21 en dat een verhaalsrecht tussen hoofdelijk schuldenaren niet direct aan een dergelijke bescherming bijdraagt.22 Men zou zelfs kunnen betogen dat een verhaalsrecht mogelijk nadelig werkt voor de benadeelde, namelijk indien hij van een van de schuldenaren een deel van de verschuldigde prestatie heeft verkregen, en jegens de andere schuldenaren vervolgens moet concurreren met een verhaalsrecht van de schuldenaar die presteerde.23
In geval van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van de AVG heb ik betoogd dat in mijn ogen het beste recht wordt gedaan aan het belang van de benadeelde bij bescherming door samenlopende aanspraken (eerste beginsel) én het belang van de aansprakelijke partijen bij het voorkomen van ongerechtvaardigde verrijking tussen hen (derde beginsel), door het verhaalsrecht te laten ontstaan op het moment waarop een aansprakelijke partij de betrokkene méér vergoedt dan haar interne aandeel in de schuld.24 Het recht op bijdragen voorkómt dat als gevolg van de bevrijdende werking (tweede beginsel) een dergelijke vermogensverschuiving optreedt.
In de gevallen waarin het Unierecht niét zelf in een verhaalsrecht voorziet, geeft het Unierecht geen uitdrukking aan het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking van de hoofdelijk schuldenaren moet worden voorkomen. Dat wil echter niet zeggen dat dit beginsel dan geen werking heeft. Bij gebreke van een Unierechtelijk verhaalsrecht is het verhaal tussen hoofdelijk schuldenaren overgelaten aan het nationale recht, waarbij in ieder geval een aantal (niet onbelangrijke) Europese rechtsstelsels voorzien in een verhaalsrecht tussen hoofdelijk schuldenaren.25 Ook in de gevallen waarin het Unierecht zelf niet voorziet in een verhaalsrecht, bestaat dus geregeld een dergelijk verhaalsrecht, zij het op grond van het nationale recht. In feite laat het Unierecht de invulling van het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking van hoofdelijk schuldenaren moet worden voorkomen, in die gevallen over aan het nationale recht.
86. Wat leren deze beginselen ons? Na deze uiteenzetting is de vraag gerechtvaardigd wat deze beginselen eigenlijk toevoegen. Waarom zouden we ons druk maken over de aan het geldende recht ten grondslag liggende beginselen? Mijns inziens bestaat daartoe goede reden, omdat die beginselen een verklaring en rechtvaardiging kunnen bieden voor het geldende recht, of daarvoor juist een toetssteen kunnen vormen vanuit het oogpunt van consistentie.
Een voorbeeld bieden de regelingen van hoofdelijke aansprakelijkheid in Richtlijn 2014/104/EU en de AVG. Deze regelingen zijn niet beperkt tot de aansprakelijkheid van de verschillende inbreukplegers (eerste beginsel),26 maar hebben bij het betalen van de hoofdelijk verschuldigde schadevergoeding door een van de schuldenaren mijns inziens tot gevolg dat de andere schuldenaren zijn bevrijd (tweede beginsel), en voorzien voor dat geval onder omstandigheden ook in verhaalsrechten tussen hoofdelijk schuldenaren (derde beginsel).27 Waar de hoofdelijke aansprakelijkheid nodig is om de benadeelde te beschermen, is de bevrijdende werking nodig om de benadeelde niet teveel bescherming te geven, en helpen de verhaalsrechten te voorkomen dat als gevolg van de bevrijdende werking een vermogensverschuiving optreedt tussen de hoofdelijk schuldenaren.
Ook de schikkingsregeling uit Richtlijn 2014/104/EU kan aan de hand van deze beginselen worden verklaard. Die regeling voorziet erin dat het deel van de schuld waarvoor de schikkende onderneming ‘relatief verantwoordelijk’ is, van rechtswege in mindering komt op de resterende aansprakelijkheid van de overige aansprakelijke ondernemingen (art. 19 lid 1 en 2).28 Indien een schikking wordt getroffen met een hoofdelijk aansprakelijke inbreukpleger, zal die inbreukpleger kwijting worden verleend. Daarmee geeft de benadeelde zijn recht op bescherming jegens die inbreukpleger dus prijs, mogelijk in ruil voor de betaling van een schikkingsbedrag. Omdat van bescherming van de benadeelde jegens die inbreukpleger niet langer sprake is (noch hoeft te zijn), is er geen reden meer om betalingen door andere schuldenaren in mindering te laten komen op de schuld van de schikkende inbreukpleger; die inbreukpleger heeft als gevolg van de finale kwijting immers geen schuld meer aan de benadeelde. Omdat een betaling door een andere hoofdelijk schuldenaar de schikkende (voormalig) hoofdelijk schuldenaar niet langer bevrijdt, bestaat in mijn ogen ook geen behoefte aan een verhaalsrecht jegens de schikkende schuldenaar. De bescherming die art. 11 Richtlijn 2014/104/EU biedt aan een hoofdelijk schuldenaar die meer betaalt dan zijn relatieve verantwoordelijkheid, is in geval van een schikkende schuldenaar niet nodig, omdat de schikkende schuldenaar door een ná de schikking verrichte betaling door een andere schuldenaar niet langer wordt verrijkt, omdat ‘zijn’ deel van de schuld na de schikking niet langer hoofdelijk verschuldigd is.
87. Wat leren deze beginselen ons niet? De door mij geïdentificeerde beginselen kunnen niet verklaren waaróm (al dan niet) sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Het antwoord op de vraag of samenlopende aansprakelijkheid leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid of deelaansprakelijkheid, en dus op de vraag of aan de benadeelde de bescherming moet worden geboden die hoofdelijkheid hem biedt, is geen vraag waarop de hiervoor besproken beginselen een antwoord geven. Ook dat antwoord kan slechts worden gevonden aan de hand van door de wetgever te maken beleidskeuzes. Datzelfde geldt voor gevallen waarin hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beperkt, bijvoorbeeld zoals in geval van aansprakelijkheid voor schending van mededingingsrecht van ontvangers van immuniteit en kleine en middelgrote ondernemingen (art. 11 lid 2 t/m 4 Richtlijn 2014/104/EU).
Ook moet worden erkend dat de door mij geïdentificeerde beginselen mogelijk niet alle door mij besproken Unierechtelijke regels kunnen verklaren. Mocht blijken dat onder de AVG – anders dan ik heb betoogd29 – voor het ontstaan van een verhaalsrecht wél vereist is dat de volledige schade van de betrokkene is vergoed, dan is de drempel voor verhaal hoger dan men op basis van de door mij besproken beginselen zou verwachten. Het beginsel dat ongerechtvaardigde verrijking van niet-presterende hoofdelijk schuldenaren moet worden voorkómen, treedt immers ‘in werking’ indien een wél presterende schuldenaar een groter deel van de schuld aan de benadeelde voldoet dan waarvoor hij in de verhouding tot zijn medeschuldenaren verantwoordelijk is. Zou art. 82 lid 5 AVG pas in een verhaalsrecht voorzien indien de schade van de betrokkene volledig is vergoed, dan komt hetgeen een presterende schuldenaar aan de betrokkene vergoedt bóven zijn interne aandeel, wél in mindering op de aansprakelijkheid van de andere hoofdelijk schuldenaren, maar ontstaat desalniettemin (nog) geen verhaalsrecht. In dat geval spelen de door mij besproken beginselen wel degelijk een rol, maar heeft kennelijk een belangenafweging plaatsgevonden door de Uniewetgever, op grond waarvan het belang van de hoofdelijk schuldenaren bij het voorkomen van ongerechtvaardigde verrijking tussen hen onderling (derde beginsel) minder zwaar weegt dan het belang van de betrokkene om beschermd te worden tegen schade als gevolg van een inbreuk (eerste beginsel). Het gaat dan, met andere woorden, om beleidsafwegingen door de wetgever.