Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.7:5.7 Onderzoeksvragen voor het vervolg van Deel IV
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/5.7
5.7 Onderzoeksvragen voor het vervolg van Deel IV
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655914:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de uitleg van de term ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo toenemen’ respectievelijk ‘over het tijdvak van de misleiding per saldo afnemen’ § 5.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de materieelrechtelijke aspecten behandeld van het causaal verband en de schade bij aansprakelijkheid voor misleidende berichtgeving op de beurs. De in dit verband relevante rechtsvragen heb ik op basis van doctrine, rechtspraak en juridische literatuur – daarbij soms gebruik makend van financieel-economische inzichten – voor het Nederlandse recht zoveel mogelijk beantwoord. In hoofdstuk 6 zal ik deze vragen bestuderen voor het Amerikaanse recht en naar aanleiding daarvan zal ik een rechtsvergelijking uitvoeren met het Nederlandse recht. Ter uitleiding geef ik hier een globale opsomming van de belangrijkste rechtsvragen die in dit hoofdstuk zijn besproken en die in het vervolg van Deel IV zullen terugkeren:
Is voor het aannemen van causaal verband steeds vereist – dus ongeacht de wijze waarop de belegger zijn vordering tot schadevergoeding inkleedt – dat de belegger (direct of indirect) op de misleidende informatie is afgegaan en zijn beleggingsbeslissing daardoor (direct of indirect) is beïnvloed?
Welke peildatum moet bij de schadevaststelling tot uitgangspunt worden genomen, welke schadebegrotingsmaatstaf moet worden gehanteerd en wat is het ontstaansmoment van de schade?
Komt, en zo ja, in welke omvang, schade die voortvloeit uit het zich (ten kwade) realiseren van algemene beleggingsrisico’s voor vergoeding in aanmerking? Komt, en zo ja, in welke omvang, koerswinst die de belegger in de hypothetische situatie zonder misleiding op een alternatieve belegging zou hebben behaald voor vergoeding in aanmerking?
Hoe wordt de schade vastgesteld, en in welke mate kan deze aan de vennootschap worden toegerekend, als de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding fluctueert (en dientengevolge de koersinflatie) omdat externe factoren daarop inwerken?
Kan de belegger die het litigieuze aandeel tussentijds (voordat de waarheid bekend wordt) heeft verkocht, worden geacht schade te lijden in de situatie waarin de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding afneemt (en dientengevolge de koersinflatie)?
In hoeverre kan de schade van de belegger aan de vennootschap worden toegerekend wanneer aan de misleiding externe (macro-economische, sectorgerelateerde en/of (met de misleiding geen verband houdende) bedrijfsspecifieke) factoren ervoor zorgen dat de koers van het litigieuze aandeel over het tijdvak van de misleiding per saldo toeneemt1 (of althans, niet afneemt)? Het bijzondere van dit scenario is dat de belegger – ondanks de misleiding – in absolute geen koersverlies lijdt.
Verder ben ik in dit hoofdstuk uitgegaan van een sterk vereenvoudigd feitencomplex van misleiding. De analyse van de materieelrechtelijke aspecten van het causaal verband en de schade werd hierdoor enigszins vereenvoudigd. Hoe deze analyse eruitziet wanneer niet langer aan (de aannames van) dit vereenvoudigde feitencomplex wordt vastgehouden, laat ik zien in hoofdstuk 7. Mijn aanpak in dat hoofdstuk zal zijn om de aannames één voor één los te laten en vervolgens de daaruit voortvloeiende causaliteits- en schadevragen één voor één te analysen en – mede aan de hand van inzichten uit het Amerikaanse recht – te beantwoorden. Volledigheidshalve geef ik hier een globale opsomming van de rechtsvragen die ik in hoofdstuk 7 zal behandelen:
In welke mate kan de door de misleiding veroorzaakte koersschade aan de vennootschap worden toegerekend, wanneer de inhoud van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding niet constant is?
Op welke wijze moet de door de misleiding veroorzaakte koersschade worden vastgesteld en in welke mate kan deze aan de vennootschap worden toegerekend, wanneer de (omvang van de) misleiding – in plaats van door één enkele corrigerende mededeling – door verschillende opeenvolgende corrigerende mededelingen stapsgewijs naar buiten komt?
Op welke wijze moet de door de misleiding veroorzaakte koersschade worden vastgesteld, en in welke mate kan deze aan de vennootschap worden toegerekend, wanneer de corrigerende mededeling een zogenoemde ‘paniekreactie’ tot gevolg heeft doordat beleggers in reactie op het bekend worden van de misleiding hun aandelen massaal ‘in paniek’ verkopen?
Wanneer de corrigerende mededeling leidt tot een extra koersdaling vanwege het door de markt alvast inprijzen van in de toekomst door de vennootschap te maken kosten in verband met te voeren juridische procedures (zoals proceskosten, kosten voor juridische bijstand of een eventueel te betalen schadevergoeding), komt de daaruit voortvloeiende koersschade dan voor vergoeding in aanmerking?
Wanneer de corrigerende mededeling leidt tot een extra koersdaling doordat het beleggende publiek als gevolg van (het bekend worden van) de misleiding minder vertrouwen heeft in de kwaliteit en/of integriteit van het bestuur van de vennootschap, komt de daardoor veroorzaakte koersschade dan voor vergoeding in aanmerking?
Wanneer de corrigerende mededeling leidt tot een extra koersdaling doordat de markt als gevolg van (het bekend worden van) de misleiding rekening houdt met een toename van het beleggingsrisico dat wordt gelopen op het litigieuze aandeel, komt de daardoor veroorzaakte koersschade dan voor vergoeding in aanmerking?
In welke mate kan de door de misleiding veroorzaakte koersschade aan de vennootschap worden toegerekend, wanneer het tijdvak van de misleiding geheel of gedeeltelijk samenvalt met een periode waarin zich (als gevolg van irrationeel beleggersgedrag meestal in combinatie met arbitragebeperkingen) in de koers van het litigieuze aandeel een zeepbel heeft gevormd, en waarin deze zeepbel tot gevolg heeft dat het koerseffect van de misleiding veel groter is dan de fundamentele waarde van de misleidende informatie rechtvaardigt?
En in welke mate kan de door de misleiding veroorzaakte koersschade aan de vennootschap worden toegerekend, wanneer het tijdvak van de misleiding geheel of gedeeltelijk samenvalt met een periode waarin tevens een overwaardering in de koers is ontstaan als gevolg van een te rooskleurige analistenvoorspelling of een te optimistisch getoonzet analistenrapport en waarin de misleiding met deze overwaardering gaat interfereren?