Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/3.1
3.1 Inleiding
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197779:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie).
MvT WHOA, p. 4. De minister heeft in zijn Voortgangsbrief programma Herijking Faillissementsrecht van 27 augustus 2019 (Kamerstukken II 2018/19, 33 695, nr. 18, p. 3) aangekondigd een afzonderlijk wetsvoorstel op te stellen voor de implementatie van de Richtlijn en daarmee de regeling van het surseanceakkoord in overeenstemming te brengen met de Richtlijn.
Bijv. art. 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) kan eveneens een rol spelen. Een wijziging van aandeelhoudersrechten onder een akkoordprocedure is immers een vaststelling van rechten en verplichtingen in de zin van art. 6 EVRM. Een aandeelhouder moet kunnen opkomen tegen een wijziging van zijn rechten onder een akkoordprocedure. Dit komt aan bod in par. 3.4.2.1 (in het kader van art. 1 EP EVRM) en in par. 6.5.10.
In hoofdstuk 2 stond de positie van aandeelhouders binnen de vennootschap centraal. Daarbij is onder meer onderzocht welke aandeelhoudersrechten bij een preventieve herstructurering kunnen spelen en in hoeverre aandeelhouders deze rechten onbeperkt mogen uitoefenen.
Waar ligt de grens voor het uitoefenen van aandeelhoudersrechten wanneer de vennootschap dusdanige financiële problemen heeft dat insolventie dreigt? Wat is dan de positie van aandeelhouders? In dit hoofdstuk wordt het Europese kader voor die grens bij preventieve herstructureringsprocedures onderzocht. De richtlijn betreffende herstructurering en insolventie uit 2019 (hierna: de Richtlijn) faciliteert een preventief herstructureringsstelsel in het kader waarvan schuldeisers én aandeelhouders een dwangakkoord kan worden opgelegd.1 Dit hoofdstuk schetst allereerst de ontwikkelingen in Europese regelgeving die aan de Richtlijn zijn voorafgegaan (par. 3.2). Daarbij heb ik in het bijzonder oog voor de positie van aandeelhouders. Vervolgens komt het preventief herstructureringsstelsel uit de Richtlijn aan bod (par. 3.3). Ook hier ligt de focus op de positie van aandeelhouders en hun rechten.
De volgende hoofdstukken gaan dieper in op de bestaande en toekomstige regelgeving in Engeland, Duitsland en Nederland omtrent aandeelhouders(rechten) in preventieve herstructureringsprocedures. Waar relevant voor de positie van aandeelhouders, geef ik aan of de nationale regels voldoen aan de Richtlijn. De Engelse en Duitse procedures bestonden reeds voorafgaand aan de Richtlijn. De Nederlandse wetgever beoogt met de WHOA aan te sluiten bij de Richtlijn.2
Tot slot onderzoek ik in dit hoofdstuk een tweetal grondrechten uit het EVRM die met name aan de orde kunnen zijn bij een preventieve herstructurering (par. 3.4-3.5) en interessant zijn wat betreft de positie van aandeelhouders. Dit betreft het recht op ongestoord genot van eigendom en de (negatieve) vrijheid van vereniging.3